De Groene Amsterdammer nr 40 01-10-2025
Martine van den Berg: Anti-Zionisme - Vergeten profeten
Kan Israël voortbestaan als joodse én democratische staat? Die vraag is actueler dan ooit, maar al meer dan een eeuw breken grote denkers er hun hoofd over. Tijd om hen te herlezen, vindt Martine van den Berg.
Theodor Herzl (1860-1904) wordt gezien als de vader van het politieke zionisme. Hij meende dat de poging van seculiere Joden om in de Europese en Russische samenlevingen te assimileren was mislukt, en zag het creëren van een nationale Joodse staat als de enige oplossing voor het antisemitisme van zijn tijd. Zijn politieke zionisme wortelde in het negentiende-eeuwse seculiere nationalisme, en met het traditionele rabbijnse jodendom had Herzl weinig op.
Rabbi Joël Teitelbaum (1887-1979) was een uitgesproken antizionist en de stichter van de Satmar-beweging. De vorming van de seculiere staat Israël was voor hem een gruwel. Hij baseerde zijn antizionisme op de 'Drie eden' uit de Babylonische talmoed, die het Joden verbiedt om massaal naar Israël te gaan en zich te verzetten tegen de wereldmachten. Zijn zorg was dat de staat Israël de komst van de Messias tegenhield.
Stefan Zweig (1881-1942) was een Oostenrijkse schrijver en seculiere Jood die zich afkeerde van alles wat met nationalisme, kanonnen en vlaggen te maken had, waar hij óók het zionisme onder schaarde.
Hannah Arendt sprak zich al in 1944 uit tegen het ideaal van een Joodse natiestaat. Ze schreef dat het ware doel van de Joden in Palestina het opbouwen van een Joods thuisland moest zijn, wat nooit mocht worden opgeofferd voor de pseudo-soevereiniteit van een Joodse staat. Ze betoogde dat het concept van een natiestaat, gebaseerd op etnisch-nationale claims, op gespannen voet staat met universele mensenrechten. Samen met Albert Einstein noemde ze de partij van Menachem Begin na de slachtpartij bij Deir Yassin in 1948 'fascistisch'.
Ze'ev Jabotinsky (1880-1940) was een invloedrijk figuur in de vooroorlogse zionistische beweging. De Kishinev-pogrom (1903) overtuigde hem ervan dat Joden zich desnoods met geweld moesten verdedigen tegen antisemitisme. Hij stemde tegen het voorstel om een Joods thuisland in Oeganda te creëren en vond dat dat thuisland enkel in Eretz-Israël (het toenmalige Palestina) kon worden gevestigd.
Chaim Nachman Bialik (1873-1934) wordt in Israël nog steeds beschouwd als de dichter des vaderlands. Zijn beroemde gedicht In de stad der schande, dat het lijden van de Joden van Kishinev in bijbelse kleuren schildert, droeg ertoe bij dat de zionistische beweging een aanzienlijke groei doormaakte.
Martin Buber (1878-1965), een Oostenrijks-Israëlische filosoof, probeerde het zionistische ideaal te verenigen met de aanwezigheid van 'Arabieren'. Hij concludeerde dat enkel een binationale staat voor Joden én Arabieren de humanistische waarden kon garanderen. Hij deelde de antipathie voor vlaggen, legers en militarisme, maar wilde de droom van een Joodse gemeenschap in Israël niet opgeven. Hoewel hij bleef hameren op de noodzakelijkheid van een binationale staat, werd dit binnen de zionistische beweging een minderheidspositie. Hij bleef uiterst kritisch op de nationalistische vorm die de Joodse staat aannam na 1948 en sprak Ben-Goerion herhaaldelijk aan op het verzuimen van mogelijkheden om de politieke en burgerlijke rechten van de Arabische inwoners te verbeteren.
David Ben-Goerion zou in 1948 de eerste premier van Israël worden. Hij initieerde in 1942 de Biltmore Conference en wilde de Joodse massa-immigratie gebruiken om in Palestina een Joodse meerderheid te creëren, wat Bubers ideaal van een binationale staat ondermijnde.
Albert Einstein stuurde na de slachtpartij bij Deir Yassin in 1948, samen met Hannah Arendt, een ingezonden brief naar The New York Times waarin ze de partij van Menachem Begin 'fascistisch' noemden en de Verenigde Staten opriepen om in te grijpen.
Menachem Begin was de leider van een partij die na de slachtpartij bij Deir Yassin in 1948 door Albert Einstein en Hannah Arendt als 'fascistisch' werd bestempeld.
Yeshayahu Leibowitz (1903-1994) was een Israëlische denker aan de religieus-orthodoxe kant. Hij pleitte voor een strikte scheiding tussen kerk en staat, en stelde dat het jodendom gelijkstaat aan de halacha (het geheel van geboden, verboden, gebruiken en rituelen). De staat Israël heeft volgens hem bestaansrecht, maar enkel als land waarin staat en kerk strikt gescheiden zijn en naast een Palestijnse staat waarmee in vrede kan worden samengeleefd. Na de Zesdaagse Oorlog (1967) noemde hij de bezetting van de Westoever en Gaza 'kolonialisme' en voorspelde hij dat het politieke pad zou eindigen in volkerenmoord en 'judeo-nazisme'.
Erich Fromm zei dat 'de Joodse claim op het land geen realistische politieke claim kan zijn'. Hij vergeleek een claim op basis van voorouders van tweeduizend jaar geleden met het idee dat de wereld een gekkenhuis zou worden als alle naties dat zouden doen.
Sigmund Freud toonde geen sympathie voor 'de vermeende vroomheid die een stuk Herodiaanse muur in een nationaal monument verandert en daarmee de gevoelens van de inheemsen kwetst'.