Hier vind je nog meer gedichten van andere dichters!
Zij gieten hun gevoelens in gedichten zodat jij jouw gevoelens kan lezen in hun gedichte gedachten.
Daardoor brengen hun woorden jou (nog) dichter bij jezelf of bij een ander.
Meer dan de moeite waard om eens te bekijken en ... te lezen!
Mama doet aan de lijn.
Ze eet wiphammen
uit de broodrooster
en kaas
van een magere koe.
Maar als er visite komt
eet ze koekjes
voor die ene keer, mag het wel.
Maar als er iemand jarig is
eet ze taartjes
voor die ene keer, mag het wel.
Maar als het zondag is
eet ze pralines
voor die ene keer, mag het wel.
Maar als ik eens
om iets lekkers vraag
voor die ene keer, mag het niet.
Mijn moeder zegt:
er moet wat weg
nu het zo’n zootje is.
Er is zo veel
waar ik niet mee speel
en wat niet mooi meer is.
Dus, ouwe beer,
je hoeft niet meer
ik ga je nou ontslaan.
De prullebak
of vuilnisbak
daar kan je nou in gaan.
Ik ben zo groot.
Ik schaam me dood
als iemand jou nou zag
bij mij in bed.
Dan is het net
alsof ik elke dag
met jou nog speel
en jou nog streel
over je stomme kop
zo onbehaard
en dan je staart:
die is al jaren op.
Nee, jij moet echt
gewoon maar weg.
Jij bent te oud voor mij.
Of ben ik nou
te oud voor jou
en is mijn berentijd voorbij?
Nou, goed dan beer
voor deze keer
hoef jij nog niet te gaan.
Vooruit dan maar
voor nog één jaar
heb jij dat goed verstaan?
Uit: Ruim je kamer op en andere liedjes, Amsterdam, De Harmonie, 1982
Een snotaap had een kou gevat
van ’t spelen in zijn blote gat.
Hij slingerde aan de lianen,
de snot droop recht van de bananen.
In plaats van nu beschaamd te zijn
vond hij dat spelletje wel fijn.
De snot liep langs zijn kin omlaag
maar Snotaap dacht: “Het gaat te traag.”
En om de zaak wat te versnellen
blies hij nog dikker snottebellen.
Nu was de vloed niet meer te stuiten
want Snotaap kon zijn neus niet snuiten.
De brij kwam al tot aan zijn billen.
Pas toen begon hij hard te gillen.
Hij werd heel angstig en nerveus
en stak zijn vuisten in zijn neus.
Bij dit gedicht hoort een besluit:
Wat je niet snuit, dat valt eruit.
je hebt iemand nodig
stil en oprecht
die als het erop aan komt
voor je bidt of voor je vecht
pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient
dan pas kun je zeggen:
'k heb een vriend
als je iemand hebt
die alles met je deelt
de tafel en het bed
één die nooit verveelt
als je iemand hebt
die al je zorgen heelt
weet je wat dat zeggen wil
weet je wat dat scheelt?
je hebt iemand nodig
stil en oprecht
die als het erop aan komt
voor je bidt of voor je vecht
pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient
dan pas kun je zeggen:
'k heb een vriend
pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient
dan pas mag je zeggen:
ik heb ’n vriend
Ik moet me konsentreren,
wil ik die vier kwijtraken,
mijn proefwerk heel goed leren
en ruim voldoende maken.
Daar ligt onze poes weer te maffen,
die hoeft uit geen boek iets te weten.
Mijn moeder zal haar nooit straffen,
al komt ze te laat met het eten.
Ze gaat door het luikje naar buiten,
hoeft nooit een rapport te vrezen.
De school kon naar mij fluiten,
als ik een poes zou wezen.
Uit: Voor het eerst, Haarlem, Holland, 1984
Een meermin uit de zesde klas
vond dat ze geen kind meer was.
Met zeewiervlechten en een strik
vond ze zichzelf een vissenschrik.
Soms hing ze, nog als spel,
een luchtbel aan haar linkerlel.
Ze kreeg al haartjes hier en daar:
daartegen had ze licht bezwaar.
Hoe meer ze voor de spiegel stond
hoe min ze van zichzelf verstond,
wans zonder echt bedroefd te zijn
vond ze soms wenen toch wel fijn.
“’k Ben min noch meer”, dacht de meermin,
“ik ben een wezen tussenin.
En als ik hier niet van genees,
blijf ik voor altijd vis noch vlees.”
Kanno menneo mij verstano?
Ikko spreko Italiano:
lotto, motto, porto, blanco,
brutto, netto, tarra, franco.
Zo spreek ik dus doorgaans
een mondje Italiaans.
Zallo ikko verdergano
metto zingo bij piano?
Fuga, forte en staccato,
pico bello gouden plato.
Zo zing ik dus doorgaans
een mondje Italiaans.
Ikke benni lekki bekki
en ik ga nu eti lekki:
vermicelli, macaroni,
tutti frutti, bruine boni.
Zo eet ik dus doorgaans
een mondje Italiaans.
Zallo ikko verdergano
metto zeggo hoe ik benno?
Bello, forto, motto beno
quasi uno Italiano vero.
Zo doe ik dus doorgaans
een beetje Italiaans.
Ik lig hier in mijn smalle bed,
het duurt al dertien nachten,
met zenuwtrillend ruggenmerg
op deel twee van een droom te wachten.
Onlangs begon het best geweldig,
ik droomde van een tovenaar
en van een wondermooie prins
met ogen blauw en gouden haar.
Ik slaagde erin hem te redden,
we vluchtten samen… maar pardaf,
net toen hij me wilde omhelzen,
liep krengerig de wekker af.
Het is niet moeilijk te begrijpen
dat ik die droom graag uit zou doen.
Een goeie film heeft ook zijn einde,
meestal een innig lange zoen.
Onschuldige blikken in de klas,
haar lieve zachte glimlach was
voor mij meteen ’t beste bewijs
dat ik heel goed bij Lore pas.
Tijdens taal schreef ik een briefje
aan mijn eerste echte liefje.
Ik schreef: “Wil jij het met mij aan,
je Daan, je hartediefje?”
Ze knikte kort, werd rood en toen
gaf ze me in de gang een zoen.
Niet waar de meester het kon zien,
want dat mag je op school niet doen.
Is dat nu liefde wat ik voel?
Mijn blikken dromerig op haar stoel?
Ik heb het eindelijk aan met haar.
Enfin, je weet wat ik bedoel.
Briefje geschreven.
Tot een propje gedraaid.
Achter de rug van de leraar
in haar richting gemikt.
Karin zien knikken.
Briefje in haar hand.
Gelezen dat ik vroeg:
“Schat, loop je nu met mij?”
Warm en rood geworden.
Van zenuwen een pukkel opengekrabd.
Karin verdomme.
Briefje was voor Els bestemd.
Geachte Heer, het is beslist:
ik word een echte feminist.
Ik ben het beu! Mijn broer, die vlerk,
die noemt nou alles ‘meidenwerk’:
tafel dekken, stof afnemen,
koffie zetten, ramen zemen,
schoenen poetsten en de vaat…
Als hij moet helpen, wordt hij kwaad
en zegt hij:”Hé, ik ben een man.”
Of hij zegt dat hij niet kan,
of hij zit uren op ’t toilet,
of hij is moe en wil naar bed.
Hij doet als paps: helpt die één keer,
dan is hij reuzemoe, meneer!
Maar het is uit, ik ga nu vechten
voor mijn eigen meisjesrechten.
Ik ben al urenlang in touw
voor de Optocht van de Vrouw.
Uit mijn broer zijn beddenlaken
ben ik een spandoek aan het maken.
Straks lopen we de kamer rond,
mijn zus voorop,
dan Bons, mijn hond
en ik roep hard:”Meisjes gaan voor!
want ik … schrijf in ’t Ezelsoor!”
P.S.: Geachte Heer, op Uw kantoor,
waar dienen daar de meisjes voor?
Zou U er voortaan niet op letten
dat ook mannen koffie zetten?
Mijn vader en mijn moeder
die doen samen aan de lijn.
Dat lukt! Ze worden mager.
Maar ik vind ’t niet zo fijn.
Want ’s morgens krijg ik worteltjes
en ’s avonds rode biet.
‘k Weet niet of jij dat lekker vindt.
Nou, ik toevallig niet.
Geen pudding en geen slagroom meer.
Geen taart en geen bonbons.
En moeder roept:”Fantastisch schat!”
En pa vraagt:”Hoeveel ons?”
De weegschaal staat centraal bij ons.
Alweer een nieuw dieet.
Ik kan de dag niet heugen
dat ik in iets lekkers beet.
Krijg jij bij ’t woord ‘zemelen’
het water in de mond?
Nou, ikke niet, al zegt mama:
“Toe kind, dat is gezond.”
En appels zijn wel lekker…
Maar geen vijftien op een dag.
Ik voel me net een vlaggenstok.
Maar dan nog zonder vlag.
Een hele dikke vader
en een hele dikke ma.
Met frietjes en mayonaise
en een dik stuk chocola.
Dat droomde ik vannacht weer.
Toen had ik eten zat.
Helaas werd ik weer wakker.
Omdat ik zo’n honger had.
Mama heeft me schoenen gekocht
zij heeft ze voor me uitgezocht.
Leder met ditjes en datjes
aan mijn tenen moeten watjes.
Alles voor de groei
alles voor de groei
ze mag die schuiten
voor mijn part
zelf aandoen.
Ik kreeg een winterjas kadoo
met ingekorte mouwen en zo.
Met zeven truien eronder
zit dat ding nog niet bijzonder.
Mijn schooljurk is niet naar mijn zin
je kan er met zijn tweeën in.
Haakjes en knoopjes werden verzet
net alsof niemand daarop let.
Alles voor de groei
alles voor de groei
mijn broer kan die jas
na jaren
nog aandoen.
Alles voor de groei
alles voor de groei
gans mijn schoolloopbaan
moet ik daar
nog mee doen.
Ik draag nu mijn eerste beha
iedereen kijkt me lachend na.
Want ik loop daar uit te munten
in borstjes met afgeplatte punten.
Alles voor de groei
alles voor de groei
maar toch geen beha
dat is echt
niet te doen.
Jetje Kadetje
Geurig en rond
Zat met een vingertje
Stijf in haar mond
Jantje Croissantje
Dacht: “Kijk, jé van het!
Zo’n schattig meisje
Past met nu net!
Beiden nog vers en
Precies even groot,
Beiden gebakken
En beiden van brood.
Jetje Kadetje!
Ik vraag je ten dans,
Jan is mijn naam, mijn
Familie is Frans.
Wil je me trouwen?
Ik vind je zo lief,
word toch mijn vrouwtje,
hé toe, alsjeblief!”
Onder het dansen
Zei Jetje toen: “Ja.”
Trouwen dat deden
Ze daad’lijk erna.
Want bij broodjes
wordt heel snel getrouwd:
Voordat ze hard zijn,
Beschimmeld of oud.
Uit: De veter-eter, Leopold, Den Haag
Kom je mee met mij naar het dierenasiel?
Je staat ervan versteld wat daar is te zien.
De baas en de bazin zijn vriendelijk en goed.
Zij verzorgen er dieren die niemand meer moet...
Een Duitse herdershond met een kogel in zijn poot.
Ze vonden hem in 't bos halfdood.
Een papegaai met prachtige kleuren:
Hij praat niet, maar zit te treuren.
Een oude pony: afgedankt,
omdat hij een beetje mankt.
Jonge hondjes die blaffen en springen,
kleine poezen die liggen te spinnen.
En één na één kijken ze je aan
alsof ze vragen: "Wat heb ik misdaan?"
Als je vindt - hij is de liefste
En de knapste van de klas
En hij draagt de leukste kleren
En de allermooiste jas
En hij heeft de mooiste ogen
En het allerleukste haar
En hij zegt de liefste dingen
En doet nooit gemeen of raar
En hij heeft de sterkste handen
En de allermooiste stem
Nou dan ben je - 'k weet het zeker
Toch wel echt verliefd op hem.
Toen vader 's morgens wakker werd,
toen riep hij: Wel verdraaid!
Kijk nou es wat er is gebeurd.
De trap is weggewaaid.
En moeder zei: Hoe moet dat nou?
Hoe komen we beneden?
De hele trap is weggewaaid,
met vijfenzestig treden.
De kinders kwamen uit hun bed
en riepen: Heerlijk zeg!
We kunnen lekker niet naar school,
want onze trap is weg.
En vader nam de telefoon
en belde naar 't kantoor.
Zeg baas, de trap is weggewaaid.
Ik kan niet komen hoor!
Maar ja, er was geen brood is huis,
geen melk, geen kaas, geen fruit;
ze konden het niet halen ook,
ze konden er niet uit.
Daar zaten ze, drie dagen lang.
Ze waren bleek en mager.
Want niemand kon naar boven toe,
geen bakker en geen slager.
Toen belde vader 't vliegveld op
en riep: Hallo, hallo.
Stuurt U een helikoptertje
en krijgen we 't cadeau?
Er kwam een helikoptertje,
dat landde op het plat.
Het bracht hen naar beneden toe.
Ziezo, en dat was dat.
En moeder zei: Nu moeten wij
een nieuwe trap gaan bouwen.
Maar vader riep: Ach Bets, waarom?
We zullen 't zo maar houwen.
En voortaan houden ze 't maar zo.
Ze zijn nu erg tevreden.
Ze gaan per helikoptertje
omhoog en naar beneden.
En vader zegt: Nou zie je, Bets,
die trappen zijn maar ouderwets.
Er was eens een banaan. Die was helemaal recht.
Hij werd op een schaaltje met vruchten gelegd.
Hij keek al de vruchten heel vriendelijk aan
en sprak toen: "Gemiddag! Mijn naam is banaan!"
Het appeltje zei: "Een banaan? Kom, kom,
u maakt ons wat wijs hoor, bananen zijn krom!"
De kasdruiven riepen: "Wij zijn niet zo dom!
Vertel ons geen leugens! Bananen zijn krom!"
De peer snoof: "Wat zegt u? Daar schater ik om!
U kunt wel goed jokken! Bananen zijn krom!"
"Ach", zei de banaan, "ik ben werkelijk echt!
Een keer is mijn soort wel eens recht!"
Maar niemand geloofde de arme banaan.
Zo lag hij daar dagen. Bedroefd en ontdaan.
Toen kwam in dat huis een meneer op bezoek
die had een geweldige scheur in zijn broek.
Hij kwam langs de fruitschaal en draaide zich om,
dag zag de banaan en ... die lachte zich krom!
"Och", riepen de vruchten en keken hem aan.
"Wij waren abuis! U bent toch een banaan!
Vergissingen komen veel voor in het leven,
misschien wilt U ons deze fout nog vergeven?"
Dat wou de banaan. En hij wou ook vergeten.
Het slot? Als je nadenkt, dan zul je 't wel weten:
Toen werden ze allemaal opgegeten.
Mijn moeder zegt:
haal jij mijn tas,
boven naast mijn bed.
Doe dan de afwas vlug,
breng mij daarna
mijn boeken terug.
Mijn vader zegt:
loop jij even naar Verwey,
koop witte verf voor deze kast.
Dat verven is een hele karwei,
doe jij die boodschap snel voor mij.
Als ik een kind had,
als ik een ouder was,
dan keek ik eerst eens even
of dat kind soms ook
met iets belangrijks bezig was.
Daar heb je 't, zei kabouter Snoeck,
Een scheurtje in mijn beste broek.
Hij zag zijn vel, 't was geen gezicht.
't Leek net een piepklein achterlicht.
"Wat nu gedaan", zuchtte hij kwaad.
" 'k Ben net zo slecht met naald en draad."
"Waarom toch", zeurde hij flauwtjes,
"Hebben wij geen kaboutervrouwtjes.
Voor naaien heb ik echt geen zin."
"Kan ik je helpen?" sprak een spin.
Ze woonde boven de boekenkast.
Daar zat haar net heel stevig vast.
Ons Snoeckje nam vlug een besluit
En schoot meteen zijn broekje uit.
De spin schoof langs haar zilverdraadje
En tippelde naar 't kleine gaatje.
"Ach", zei ze stil. " 't Spijt me voor jou.
Mijn draad is zilver, jouw broek is blauw."
"Daar heb je 't", jammerde kabouter Snoeck.
"Voor eeuwig een scheur in mijn beste broek."
"Niet zeuren", zei 't spinnetje welgezind.
"Wedden dat ik er iets op vind?"
Het dacht zijn kop in een diepe rimpel
En vond de oplossing vrij simpel.
Het ging natuurlijk niet in een wip
En al die tijd stond Snoeck daar in zijn slip.
De spin die weefde van vroeg tot laat,
Verbruikte een hele klos zilverdraad.
Van 't scheurtje kon je niet meer zien.
Gestopt als met 't beste naaimachien.
En Snoeckje zijn broekje was weer mooi en sterk
Met een zilveren hart op zijn achterwerk.
Van de winter
krijg je een cadeautje.
Wat zeg ik?
Je krijgt een pak!
Op een morgen,
helemaal onverwacht,
valt het zacht
koud op je dak.
Niets vermoedend
maak je het dan open.
Je doet het
gordijn opzij.
Verbaasd sta je
oog in oog met een groot,
schitterend
wit schilderij.
Sommige dagen wil ik pesten,
zomaar, 'k weet zelf niet waarom.
Liefst die kleine met haar vlechten
of Toon die niet goed leren kan.
Als ik me rot voel, ga ik pesten.
In schelden ben ik dan heel goed.
Domkop, kleine, schele, stinkerd, ...
Hé, je moeder heeft rood haar.
Sommige dagen ga ik pesten,
dan ben ik bij 't spel de baas.
Ik beslis wie niet mag meedoen,
da's pech, voor hem of haar.
Als 'k me rot voel, ga ik pesten.
Maar wie heeft daar wat aan?
Wie voelt zich nadien het slechtst?
Jij of ik? Vraag ik me af.
Hé, jij daar met je oren zo lang.
Jij met je stomme bril.
Oh, het kleutertje is zo bang.
Wat kan je doen
als iedereen zo naar tegen je doet?
Het helpt niemand, het doet niemand
goed.
Als ze dan op de speelplaats iets
gemeens
tegen je roepen, sta je daar
en durft niets terug te doen.
Je denkt bij jezelf:
"Wat ben ik toch een oen!"
There was this varkentje from Holland,
and this varkentje had a dream.
He wanted to be a turnkampioen,
but zijn voetbalvarkentjesteam
said: “What? That is for whatjes!
You slingert alleen maar wat rond,
and then do you zeker een badpakje aan
and then everyone kijkt naar je kont."
"Ha ha ha ha ha ha ha,"
ze lachten long en breed.
But people,
ze knorden wel different
toen varken zijn oefening deed.
Want hij won dus a golden medaille.
Zijn dream came hartstikke true.
So I say to you: “Beste children,
if varken het kan,
why not you?”
I say: ”Blijf in jezelf believen.”
I say: “The world will giggle misschien”,
but I say: “Just follow the varkentje,
let the world your kontje maar zien.
Let varkentje be your voorbeeld!
Let varkentje be your man!”
Oh, I say to you,
heel mijn biggetjesland:
“You
oinksolutely
can!”
Uit: Ik juich voor jou. (Querido, 2013)
Edward van de Vendel
Sint,
we willen hem ruilen.
Hier. Deze baby.
Hij ligt altijd te huilen.
Hij ligt altijd te janken.
En wij, met ons drietjes,
willen u alvast
op onze knietjes bedanken
want kent u de geur
van luiers en zo?
Kortom: broertje lijkt ons
het foute cadeau.
Misschien dat ergens een eenzame vrouw
hem uit wil proberen?
Kijk, nou ligt hij de boel
weer met snot te besmeren!
Goed.
We willen natuurlijk ook iets retour.
Zes poesjes,
bijvoorbeeld.
En zes blikjes voer.
Of een oom met een boot.
Of wat oma’s (niet dood).
Kijk zelf maar.
Hier is ‘ie.
Pas op, hoor – hij bijt.
Wat zegt u?
Nee, sorry.
We zijn het
bonnetje kwijt.