Nannie (°21 april 1939) groeide op in Winterswijk (Nederland). Na haar middelbare school studeerde Nannie Kuiper kinderverzorging en -opvoeding en later journalistiek.
Haar eerste gedichten voor kleuters en jonge kinderen, gingen over gevarieerde onderwerpen uit de sprookjeswereld en de leef- en belevingswereld van jonge kinderen: kleine heksen, een liegbeest, het ziekenhuis, het circus, ruzie, angstdromen of verveling.
De vorm van de versjes was vrij traditioneel, met rijm, een stevig ritme en veel herhalingen.
Nannie Kuiper vertaalt ook (anderstalige) kinderboeken. Haar meest bekende vertaling is het boek ‘De mooiste vis van de zee’.
Ik heb ruzie met mijn vriendje
om een stukje veterdrop,
want dat wou hij niet verdelen
en toen gaf ik hem een schop.
Ik heb ruzie met mijn vriendje,
daarom speelt hij verderop;
nu zit ik me te vervelen -
om zo’n stukje veterdrop.
Uit: Zo kan het ook, Leopold
Als er iemand doodgaat
die je heel goed hebt gekend,
dan is het nogal logisch
dat je erg verdrietig bent.
Misschien is het je oma.
Misschien is het je hond.
Misschien is het een ander,
die je ook zo aardig vond.
Als er iemand doodgaat
die je heel goed hebt gekend,
dan is het nogal logisch
dat je erg verdrietig bent.
Want doodgaan is: iets missen.
Het maakt je ook zo bang.
Toch zul je eraan wennen,
al duurt het vaak heel lang.
Soms als ik opsta, kan ik niet blij zijn.
Soms als ik opsta, ben ik al boos.
Zelfs als de anderen aardig voor mij zijn,
blijft dat gevoel nog een hele poos.
Heb jij dat ook, of herken je dat niet,
dat nare gevoel, dat vaak pijn doet vanbinnen?
Dan is er zo’n dag niets met mij te beginnen,
dan doe ik mezelf en een ander verdriet.
Dan sla ik met deuren, zo hard als ik kan.
Dan heb ik zo’n zin om mijn vriendjes te knijpen.
Maar dat kan dan niemand en niemand begrijpen –
dan zeuren ze maar – o, daar krijg ik wat van!
Soms als ik opsta, kan ik niet blij zijn.
Soms als ik opsta, ben ik al boos.
Zelfs als de anderen aardig voor mij zijn,
blijft dat gevoel nog een hele poos.
Uit: Soms zie ik 1000 lichtjes
Een ander weet nooit helemaal hoe je bent,
al denkt hij wel dat hij je helemaal kent.
Hij weet wel dat jij in een spijkerbroek loopt
en dat je het liefst kleine autootjes koopt;
en dat je kunt schreeuwen, dat weet iedereen -
maar soms bang bent, dat weet jij alleen.
Hij weet wel dat jij met je hamstertje praat
en dat je zo graag naar de dierentuin gaat;
en dat je kunt vechten dat weet iedereen -
maar dat je geen held bent, dat weet jij alleen.
Hij weet wel dat jij vaak met hardlopen wint
en dat je pianoles waardeloos vindt;
en dat je jaloers bent, dat weet iedereen -
maar dat je dat naar vindt, dat weet jij alleen.
Een ander weet nooit helemaal hoe je bent,
al denkt hij wel dat hij je helemaal kent.
Uit: Zo kan het ook, Leopold Den Haag