Ida Gardina Margaretha Gerhardt (Gorinchem 1905 - 1997 Warnsveld), classica en dichter, werd in 1939 aangesteld als docent klassieke talen aan Stedelijk Gymnasium in Kampen.
1939: aanstelling in Kampen
Na haar aanstelling betrok zij twee huurkamers bij mevr van der Werff, die ook voor de maaltijden zorgde. Vanaf haar kamers had zij uitzicht op de school (kamers met balkon op de foto hierboven). Deze aanstelling kwam na zes jaren van onbetaald werk, privélessen geven en tijdelijke leraarsbaantjes. Een periode van grote armoede, waar Ida haar leven lang last van hield en haar heel schraperig maakte met geld. Ida Gerhardt was geen makkelijke persoonlijkheid en in Kampen voelde zij zich niet thuis. Ze vond de sfeer in de stad deprimerend en beklemmend. Een groot deel van de bewoners was gereformeerd en op cultureel gebied viel er weinig te beleven. Doordat Ida buiten schooltijden een teruggetrokken bestaan leidde en vooral bezig was met haar literaire werk en wandelingen in de omgeving, bleef zij een buitenstaander. Op de Kampenaren kwam zij afstandelijk en angstig over.
Opgegroeid in het rivierenlandschap rond Gorkum, Dordrecht en Rotterdam raakte zij al snel verknocht aan het ruime rivier- en weidelandschap rond Kampen. Daar wandelde en fietste zij veel en las boeken in het gras. De wijze waarop Ida het natuurschoon rond de stad verkende, vond men in Kampen nogal excentriek. Ook bij heel slecht weer maakten zij en haar vriendin Marie van der Zeijden wandel- en fietstochten door de omgeving. Dat was niet gebruikelijk in Kampen.
Op 6 sept 1939 begon Ida Gerhardt aan haar eerste jaar als docent. Duitsland was een week eerder Polen binnengevallen en in oorlog geraakt met Engeland en Frankrijk. In Kampen werd de bewaking bij de kazematten (op Seveningen en aan De la Sablonierekade) verscherpt. Langs de Ijsselkade kwam een vluchtloopgraaf. Van de rector kregen de docenten de opdracht om in de klas ieder woord over politiek en de toestand in Europa te mijden. Eind oktober was de schuilkelder onder het HBSgebouw, waarvan het gymnasium deel uitmaakte, gereed.
1940: debuutbundel Kosmos
Bijna een jaar later, op 9 mei 1940, twee dagen voor Ida's 35ste verjaardag, verscheen haar debuutbundel Kosmos met 19 gedichten. De bundel is opgedragen aan Marie van der Zeijden. De natuur is een van de kernthema's in Ida's gedichten. Een goed gedicht leeft en lijkt op een plant: stevig geworteld en opgebouwd uit vaste en gevarieerde onderdelen. Een dichter moet zijn schepping wel in vorm snoeien.
Wie uitstapt op station Kampen-zuid leest het gedicht Thuiskomst uit de bundel Kosmos op de glasramen van het station.
Het spel van lijn en kleur en van schakering
dat leeft in de natuur, het donker en het licht
-wetten van wisseling en wedekering-
ik vind het terug in het voltooide gedicht
begin van het titelgedicht uit de bundel Kosmos, 1940
Op 10 mei viel Duitsland Nederland, België en Luxemburg binnen. Begin juni bleek Ida's vader het bombardement op Rotterdam te hebben overleefd.
Ida's twee directe collega's (klassieke talen) waren dr. Sam Blankert en dr. Maurits Theodoor Hillen. Hillen was een actieve NSBer. Waarschijnlijk werd op basis van zijn informatie haar vaste aanstelling aan het stedelijk gymnasium teruggedraaid. Het bezorgde haar bijna een zenuwinzinking (weg zekerkheid van inkomen). Er werd zelfs een poging ondernomen om haar in kamp Vugt vast te zetten.
1941: oorlogsgedicht Het Carillon
Het gedicht Het Carillon verscheen in augustus 1941 in De Gids, het oudste culturele tijdschrift van Nederland. Dat was een gecensureerde versie: het woord ''geschonden'' was vervangen door ''geteisterd''.
In Kampen gaat het verhaal dat Ida dit gedicht schreef n.a.v het bespelen van het gerestaureerde Kamper carillon in juli 1941. Dit verhaal is afkomstig van haar oud-leerling en journalist Hans Wiersma. Maar het gedicht verscheen al in augustus in De Gids, dus is dit eigenlijk niet mogelijk. Volgens haar biografe werd de inspiratie voor dit gedicht opgedaan toen Ida op een middag met haar vader door Leiden wandelde, waar de beiaardier van het stadhuis liederen van Valerius ten gehore bracht. De regel ''wij slaan het oog tot u omhoog'' (..........wy slaen het oog tot u omhoog, die ons in ancxst en noot, verlossen komt tot aller stont, jae selfs oock van den doot ....) is een regel uit het lied ''O heer, die daer des Hemels tenten spreyt'', afkomstig uit de Nederlandsche Gedenck-clanck (1626) van Adriaen Valerius. Deze zin is een subtiel protest tegen de Duitse bezetting: het werkelijke gezag ligt bij God.
De Gedenck-clanck was een bundel godsdienstige en vaderlandslievende liederen (o.a. het Wilhelmus en Merck toch hoe sterck) uit de periode van De Opstand tegen Spanje en tijdens de Tweede Wereldoorlog opnieuw populair.
Kort na de bevrijding werd in 1946 in Kampen de kunstkring Het Carillon opgericht. Men organiseerde concerten, toneelvoorstellingen en muziekavonden voor amateurs. Hans Wiersma was de secretaris en naar zijn zeggen was de naam mede-ontleend aan het gedicht van Ida.
Het carillon
Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, -
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokkentoren
na 't donker-bronzen urenslaan
vind, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.
Valerius: -een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichtere sprankelingen,
'Wij slaan het oog tot u omhoog.'
En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist'ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad -
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.
uit de bundel Het Veerhuis, 1945
1942: eindelijk een vaste aanstelling
Uit het voorjaar van 1942 is een rapport van Ida's collega Hillen overgeleverd, opgesteld voor het ministerie van OCW. In zijn rapport karakteriseert Hillen zijn collega's. Over Ida Gerhardt meldt hij: ''Volkomen verjoodste, verzen makende, hyperspirituele blauwkous. Anti-germaans, gevaarlijk, kwaadaardig. Volgens haar is door de uitschakeling der Joden alle cultuur en beschaving verdwenen''. Door ingrijpen van een invloedrijke vriend werd verder gevaar afgewend.
Hillen ging in september 1942 aan de slag als rector van het Gemeentelijk Gymnasium in Apeldoorn. Ida's schooljaar begon in 1942 met een vaste aanstelling. Dat was alleen mogelijk na het ondertekenen van een Ariërverklaring. Dat had Ida in 1941 gedaan, omdat zij een bron van inkomsten nodig had. Zij heeft zich hierover haar leven lang schuldig gevoeld: ''ik heb zo bijgedragen aan de uitroeiing van de joden''.
STEEN-INSCRIPTIE
Dit is de stoet der Joden, saamgesnoerd met touwen,
de blote zolen op het rotsplateau geplant;
de mannen stom gefnuikt, de lastbeladen vrouwen
met kinderen geklemd aan de gebonden hand.
De daad van Pharaoh in het graniet geschreven;
trotse hiëroglyphen melden stam en tal.
Ik zie een grauw perron, de Joden saamgedreven,
de rijen ogen links, naar Pharaoh beval.
De steenhouwer zou één fout met de dood bekopen:
er mag geen naam ontbreken in de slaventrein.
Opdat zìj zouden gaan, schroefde ik de schrijfstift open,
de letters zettend die nooit uit te wissen zijn.
Ariër-verklaring 1941
uit de bundels Schlüszli en Verzamelde Gedichten
In de zomer van 1942 verscheen bij uitgeverij Kok Ida's proefschrift over Lucretius' De rerum natura. Ida was vooral gegrepen door de natuurbeschrijvingen van Lucretius. Zij stelde zelfs dat Lucretius haar heeft leren kijken. Voor Ida was het voordeel van een Kamper uitgever dat zij zo kon binnenlopen voor overleg met Jan Steunenberg, uitgever bij Kok Kampen.
Ida droeg het proefschrift op aan haar vader, directeur van de ambachtschool. In oktober verdedigde zij haar proefschrift aan de universiteit van Utrecht en slaagde cum laude. Een van de paranymfen was (waarschijnlijk) Marie van der Zeijden. Na de promotie verhoogde de gemeenteraad haar jaarinkomen.
Haar gymnasiumleerlingen brachten midden in de oorlog de moeilijk te verkrijgen ingrediënten voor een taart bijeen. Gait Berk, toen 13 jaar: ''De één droeg een klontje boter bij, de ander een theelepeltje bloem en zo schraapten we de ingrediënten bij elkaar.'' Zij vonden een bakker bereid de taart gratis te bakken.
Natuurbescherming avant la lettre
Al in de oorlogsjaren begon Ida zich druk te maken over de vernieling van het landschap rond Kampen. Dat kwam niet alleen door het Duitse oorlogsgeweld, maar vooral door de slordige achteloosheid en respectloze vernielzucht van de Nederlanders zelf. Toen zij geen gehoor vond bij lokale- en provinciale autoriteiten, zocht zij het hoger op.
Deze verontwaardiging ging over de aantasting van de Ijsseldelta (aanleg Ganzesluis, weg naar Ramspol, brug bij Ramspol) en de uitbreidingsplannen van de stad (Hanzewijk en industrieterrein op de Greente). De Ijsseldelta was een zeer rijk natuurgebied met een grote broedkolonie van Baardmezen op de plek waar later de Ramspolbrug werd gelegd.
De laatste plek, die Rembrandst licht behield
-het brons, het grauw, magisch door hem bezield-
werd in één dag, bij kreten en muziek,
door hebzuchts pletterwals voorgoed vernield.
Kampen, Ganzendiep, 1947
uit de bundel Kwartrijnen in opdracht, 1949
De laatste moeilijke oorlogsjaren
Uit een recent opgedoken correspondentie tussen Ida Gerhardt en Catrien Ypes, tot januari 1940 docent Nederlands aan het stedelijk gymnasium, blijkt dat Ida in 1943 solliciteerde bij haar oude werkgever, het Stedelijk Gymnasium in Groningen. Dat ging op het laatste moment niet door.
In december 1944 fietste Ida vanuit Kampen naar haar vader in Voorschoten om de familie eten te brengen of zoals zij het zelf omschreef ''om te fourageren''.
In januari 1945 kwam Marie van der Zeijden bij Ida wonen. Marie's werkzaamheden waren opgeschort en zij kon in Utrecht nauwelijks aan eten komen. Het samenwonen beviel de dames prima. Samen werkten zij aan een vertaling van de Georgica van Vergilius. Ook maakten ze lange wandelingen, zoals over de Ijsseldijk naar Hattem. Daar werd overnacht bij Johanna van Wulfften Palthe, de eerste vrouw van acteur Eduard Verkade, die sinds 1940 in Hattem woonde.
▼
oktober 1945: Van der Hoogtprijs voor dichtbundel Het Veerhuis
In oktober 1945 verscheen de dichtbundel Het Veerhuis in een kleine en sobere na-oorlogse uitgave. Gedrukt bij Kok Kampen. De bundel lag al een jaar op de plank, maar omdat Ida zich niet had laten registreren bij de Kultuurkamer, mocht zij tijdens de oorlog niet publiceren. In 1945 ontving Ida de Van der Hoogtprijs, een penning en geldbedrag, voor de dichtbundel Het Veerhuis. Ida was vooraf niet ingelicht over de toekenning van de prijs, het kwam voor haar ''uit de lucht vallen''.
De Van der Hoogtprijs is een aanmoedigingsprijs voor beginnende auteurs, uitgereikt door de Maatschappij der Nederlandse Letteren. Oorspronkelijk de Lucy B en C.W. Van der Hoogtprijs, naar het echtpaar dat de prijs door een geldschenking mogelijk maakte. Minder bekend is dat naamgever Cornelis Willem van der Hoogt, Kampenaar van geboorte is.
1947: wonen in de schaduw van de Bovenkerk
In de loop van 1947 verhuisde Ida Gerhardt van de Graafschap naar de familie van Ulsen aan de Koornmarkt. Ida bewoonde de grootste kamer van het pand, voorheen de slaapkamer van het echtpaar Van Ulsen, aan de achterzijde, met een balkon dat uitzag op de tuin.
Het huis van de familie van Ulsen was een huurwoning van de gemeente. Om inkwartiering te voorkomen was de moeder van Henk van Ulsen in de oorlog begonnen met het verhuren van kamers aan 3 tot 4 pensiongasten. Daar ging zij na de oorlog mee door. Ook aten er vaak betalende gasten mee aan tafel bij de familie van Ulsen. Ida hield zich afzijdig van de andere tafel- en pensiongasten en at alle maaltijden op haar kamer.
In huize Van Ulsen gaf Ida in 1948 haar eerste interview met het chique damesblad voor de ontwikkelde vrouw ''De vrouw en haar huis''. Uit de beschrijving van haar kamer blijkt dat deze uiterst sober was ingericht.
Al in Kampen was Ida lid van de Soroptimisten, een serviceclub van vakvrouwen. Voor de Kamper kring hield Ida twee maal een lezing. In 1947 besprak zij in de Openbare Leeszaal enkele sonnetten van Martinus Nijhof en in februari 1949 vertelde zij over haar net verschenen bundel ''Kwartrijnen in opdracht''. Ida werkte zelden in opdracht. Wel was haar beleving dat niet zijzelf haar gedichten schreef, maar dat er een hogere macht was, die de gedichten aan haar doorgaf. Noem het inspiratie, in haar geval goddelijke inspiratie. Ida was een gelovig mens.
1951: het laatste jaar in Kampen
Haar laatste jaar in Kampen woonde Ida op Ijsselkade 31, een groot pand dat toen dienst deed als pastorie van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden. Een dubbel leven als docent en dichter trok een wissel op Ida's gezondheid. Zij kreeg steeds meer fysieke kwalen. In december 1951 kreeg Ida bezoek van Kees Boeke, oprichter van De Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven. Hij deed haar een aanlokkelijk aanbod: de leiding van een nog op te zetten gymnasiumafdeling. Een kans die zij met beide kansen aangreep. Ida hoopte aan de meest progressieve school van Nederland dingen te kunnen doen, die in het reguliere onderwijs onmogelijk waren. Bovendien kwam zij zo dichter in de buurt van Marie van der Zeijden (Utrecht) te wonen.
Aan de Ijsselkade schreef Ida in 10 dagen tijd haar 5e dichtbundel: Sonetten van een leraar. Directe aanleiding was de zelfmoord door verdrinking in oktober 1951 van haar geliefde collega Piet Nelck, de leraar Frans aan het stedelijk gymnasium. Ida: ''....op een koude morgen verdronk hij zich in de Ijssel, dicht bij school. Zijn tas, keurig voor de dag gepakt, lag op de kant.''
De 12 jaar in Kampen waren voor Ida Gerhardt heel vruchtbaar. Naast haar werk als docent verscheen haar debuutbundel Kosmos, gevolgd door nog vier gedichtenbundels. Zij vertaalde Romeinse dichters en promoveerde tot doctor. Op 8 juni 1951 werd haar door de gemeenteraad eervol ontslag verleend. Zoals Ida het zelf kernachtig formuleerde: ''Kampen heeft de grondslag gelegd voor alles. Ik heb het er verschrikkelijk en heerlijk gevonden''. Uiteindelijk viel het vertrek uit Kampen haar zwaar.
▼
Herkenning
't Wordt voorjaar langs de Ijssel bij Veecaten
Wolken en licht, in wisselende staten,
scheppen een Voerman: een opalen zwerk,
dat hemels is en Hollands boven mate
kwartrijn op verzoek van Henk van Ulsen voor de catalogus bij zijn Voermantentoonstelling
Deze tekst is grotendeels gebaseerd op de biografie over Ida Gerhardt:
Mieke Koenen, Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt, Atheneum 2014.
Deze biografie staat ook in de Openbare Bibliotheek Kampen.
© cultuurZIEN 2025