Begin van de Raadsvergadering van 18 juni 1940
de eerste raadsvergadering na de capitulatie en bezetting van Nederland
toespraak gehouden door burgemeester Oldenhof:
'' Veel is er gebeurd, sinds wij de vorige maal in openbare raadsvergadering bijeen waren.
Ons land werd betrokken in de oorlog. Ook hier heeft bloed gevloeid en ook hier zijn steden en streken geteisterd. Met eerbied en dankbaarheid herdenken wij hen, die hun leven offerden voor 's lands onafhankelijkheid. Met name gaan onze gedachten uit naar de militairen uit onze gemeente, die in de ongelijke strijd vielen voor het vaderland. Voor zoover thans bekend, zijn er drie Kamper ingezetenen gesneuveld, n.l. JAN EDINK, ROELOF KEPPEL en KORNELIS SLEURINK. Wij delen in de smart van hen, die achterbleven. Mogen de zwaar beproefde weduwen sterkte en troost vinden bij Hem, Die de moeite en het verdriet aanschouwt, opdat men het in Zijn hand geve. En moge de Heere hen, die nog in bange onzekerheid verkeeren, verblijden door goede berichten.
Onze gedachten vertoeven ook bij H.M., onze geliefde Koningin en de Haren, die thans in den vreemde verblijf houden. Wie Hare Majesteit heeft gadegeslagen onder Haar zegenrijke 41-jarige regeering, die weet, dat Zij de vaderlandse bodem niet heeft verlaten uit zucht tot persoonlijk lijfsbehoud. Vrees en zelfzucht zijn Haar vreemd.
Ons nationaal staatsbelang bracht echter mede, dat Haar persoon in veiligheid werd gesteld. Zoo bleef en blijft onverkort bewaarheid het woord van ons volkslied: ''Een Prince van Oranje ben ik, vrij, onverveerd'' . God zegene onze Koningin en Haar Huis en doe ons biddend verbeiden de tijd van de hereeniging.
B & W hadden reeds eerder gelegenheid U in te lichten, omtrent tal van maatregelen, waarvoor de gebeurtenissen van de achter ons liggende dagen hen plaatsten. Gaarne wil ik in dit verband zeer hartelijk dank brengen aan allen, die in die veelbewogen tijd hun onbaatzuchtige steun aan het dagelijksen bestuur der gemeente verleenden. Wij houden ons ervan overtuigd, dat de raad onder de huidige moeilijke omstandigheden in de grootste eensgezindheid zal willen medewerken aan de behartiging van het gemeentebelang. Laten wij ook nu doen, wat onze hand vindt om te doen, in de hoop, dat onze volksvrijheden erkenning zullen blijven vinden. En wanneer bij die arbeid velen zich afvragen: ''wie zal ons het goede doen zien'', dan moge in stil vertrouwen de bede rijzen: ''Verhef Gij over ons het licht Uwe aanschijns, O Heere''.
..........en de Raad gaat over tot de reguliere vergadering.
Uit: Handelingen van den Raad der Gemeente Kampen, 1940