Op verzoek van de toenmalige Kamper burgemeester H.C. Kleemans stelde Mannus Koers zijn oorlogsherinneringen op schrift. Het werd het boekwerkje ''Voor Volk en Vaderland''. De titel verwijst naar één van de vaderlandse liederen, die de marechausee zongen op 17 mei 1942 en waarvoor zij in kamp Amersfoort belandden.
Mannus Koers (Zwolle 25/4/1920-29/12/2012 Kampen) groeide op in Zwolle. Op 4 mei 1940 trad Mannus Koers in militaire dienst en werd geplaatst bij het 20e Regiment Infanterie te Crailo. Tijdens zijn militaire dienst behaalde hij zijn politiediploma. Mannus Koers vertelt over mei 1940:
''Na de capitulatie had ik als militair de keuze tussen dienst nemen bij de zgn Opbouwdienst of de marechaussee. Ik koos voor de marechaussee, want ik dacht dat de Duitsers spoedig verslagen zouden worden. Bovendien ambieerde ik altijd al een functie bij de politie. Ik had al een politiediploma. Ik werd geplaatst bij de grensbrigade van de marechaussee te Groesbeek. Beroepshalve had ik veel contact met Duitsers. Voor iedereen -Nederlanders en Duitsers- was onze pro-nederlandse gezindheid duidelijk.
Na de Februaristaking van 25 op 26 fabruari 1941, een protest tegen de anti-Joodse maatregelen, lieten de Duitsers hun geveinsde vriendelijke masker vallen en hun ware gezicht zien.''
Politie-agent in Kampen
Op 1 juli 1941 werd Mannus aangesteld als agent in Kampen. In Kampen slaagde hij ook voor de opleiding wachtmeester bij de marechaussee. In 1942 trouwde hij met Maria Geertruida (Truus) de Kleine. Zijn rang was toen korporaal bij de marechaussee. Op 8 mei 1942 werd Mannus gearresteerd en overgebracht naar kamp Amersfoort. In kamp Amersfoort waren een maand eerder, op 9 april 1942, 77 Sovjet-krijgsgevangenen geexecuteerd, waaraan de kampcommandant hoogstpersoonlijk had meegedaan. We volgen Mannus in zijn boekje met oorlogsherinneringen:
17 april 1942 marcheren en vaderlandse liederen zingen
''Op 17 april 1942 hielden we een mars in de omgeving van Nijmegen. Vijftien marechaussee o.l.v. wachtmeester H. Lems, in uniform en bewapend met klewang en pistool, zongen we veelal vaderlandse liederen. Mensen langs de weg applaudisseerden regelmatig voor ons.
25 april 1942 naar de Sicherheitsdienst in Arnhem
Op 25 april, mijn 22ste verjaardag, werden we ontboden bij de Sicherheitsdienst in Arnhem. Eén voor één werden we onderworpen aan een lang verhoor. Ik hield vol dat het zingen van vaderlandse liederen tijdens een mars de normaalste zaak van de wereld was. Volgens de bezetter hoorde ik mij als politie-ambtenaar ''deutschfreundlich'' op te stellen. Na afloop konden we weer gaan, ''we zouden er nog van horen''.
8 mei 1942 arrestatie
Op 8 mei kwamen een aantal collega's en ik aan bij de kazerne van de marechaussee in Nijmegen om een voetbalwedstrijd te spelen. Daar wachtte de ''Grune Polizei'' (Duitse ordetroepen, genoemd naar hun groene uniformen) ons op en plaatste ons onder arrest. In de loop van de avond werden alle marchaussee, die aan de mars op 17 april hadden deelgenomen, bijeen gebracht in de kazerne in Nijmegen. Wij moesten ons burgerkloffie aantrekken, waarna we in overvalwagens werden gedreven en afgevoerd. Waarheen was volstrekt onduidelijk.
Midden in de nacht stopten de auto's en werden we uitgeladen. We marcheerden in ganzepas naar een barak, ik voorop omdat ik het beste Duits sprak. In de barak bleken gehelmde Duitse soldaten aanwezig te zijn, een dranklucht walmde ons tegemoet. Het volgende moment kreeg ik van één van de Duitse soldaten een enorme dreun met een staafzaklantaarn in het gezicht, waarna tanden en kiezen los in mijn mond zaten. We werden naar een andere barak gebracht, waar we gefouilleerd werden en van onze bezittingen ontdaan. Het 1½ pakje sigaretten dat ik bij mij had, mocht ik houden. Hierna werden wij van elkaar gescheiden.
Kennismaking met Kamp Amersfoort
Een Duitse soldaat bracht mij naar een houten barak en opende de deur .............. bij een zwak licht in de barak zag ik een groot aantal gevangenen op hun kribben liggen, tot twee of drie hoog. Ik zag al die kale hoofden en uitgeteerde gezichten, waarin holle ogen mij weemoedig aanstaarden. Een gevoel van ontzetting maakte zich van mij meester. Dit kon niet bestaan! Eén van de gevangenen, de Stube-älteste, bracht mij naar een lege krib, vrijwel in het midden van de barak. Uitkleden was zinloos, want er was geen deken. Pas de volgende ochtend bij daglicht zag ik hoe allersmerigst de matras was.
De gevangene boven mij was onrustig, zodat zijn krib voortdurend kraakte. Rondom mij hoorde ik allerlei geluiden, van snurken tot zacht snikken, hoesten en rochelen. Veel gevangenen liepen voortdurend heen-en-weer naar het toilet, sommigen moesten daarbij door hun medegevangenen worden ondersteund. Later werd duidelijk dat veel gevangenen blaasontsteking hadden. De wc werd de gehele nacht doorgetrokken.
Ik deed die nacht geen oog dicht. Ik dacht in het voorportaal van de hel te zijn beland.
Eerste ochtend in kamp Amersfoort
Toen het licht werd hoorde ik buiten een bel rinkelen. De gevangenen lieten zich van hun krib glijden. Toen kon ik pas zien hoe afgetobd en uitgeteerd de meesten van hen waren. Veel gevangenen hadden hun kleren aangehouden vanwege de kou. Zij droegen oude soldaten uniformen van het Nederlandse leger met klompen. Op klompen klotste iedereen over de houten vloer naar de wasgelegenheid achter de barak. Daarna kregen we van de ''Stube-älteste'' een precies afgemeten stukje brood zonder enig beleg. Uit een gamel (grote kookketel) kwam een drabbig sap dat koffie werd genoemd. Ik kon het brood niet door mijn keel krijgen en gaf het aan een gevangene, die mij het meest uitgehongerd leek. Het leverde mij een dankbare blik op.
Opnieuw klonk de bel, waarop ik met alle gevangenen de barak verliet. In het daglicht kon ik de situatie overzien. Er stonden alleen houten barakken met in het midden een groot kaal veld, de appèl-plaats. Het geheel werd omringd door veel prikkeldraad, met op de hoeken houten wachttorens. In de wachttorens Duitse soldaten met mitrailleurs. Ik bleek terecht gekomen te zijn in kamp Amersfoort, een soort doorgangskamp. Van hieruit gingen gevangenen op transport naar concentratiekampen in Duitsland of werden naar Duitsland gebracht voor de Arbeitseinsatz. Maar dat kon alleen als je kamp Amersfoort overleefde. Iedere dag stierven er gevangenen als gevolg van honger, uitputting of mishandeling. Het sjouwen met overleden gevangenen was een bijna dagelijkse aanblik. Veel Nederlanders overleefden een verblijf in kamp Amersfoort niet.
De marchaussee waren verspreid over de verschillende barakken. 's Avonds kwamen we bij elkaar, meestal in een hoek van het kamp.
Kampkleding
Ik en mijn mede-marechaussee werden naar de zgn ''Bekleidungskammer'' gebracht. We moesten ons helemaal uitkleden en kregen verkleurde, gescheurde en gerafelde vodden als hemd en onderbroek. Vervolgens werden een oud Nederlands legeruniform en een paar klompen uitgereikt. Na afloop ruilden wij van klompen, zodat we een ongeveer passende maat hadden.
Het uniform was voorzien van een nummer, ik had nummer 627. Verder was het uniform voorzien van een rode driehoek, wat betekende dat wij voor politieke misdaden gevangen zaten (de zwart handelaren hadden een zwarte driehoek en de Jehova's een paarse, de Joden droegen hun gele Jodenster).
Naar de kapper
Na ''gekleed'' te zijn werden we naar de kapper gebracht die ons kaal scheerde. We ondergingen dit als een grote vernedering. Volgens de Duitsers was het een hygiënische maatregel tegen de luizen, wat ook klopte, maar het had ook een nadelige psychologische uitwerking. Het kostte ons een paar dagen om aan de kale koppen te wennen.
Exerceren
Daarna volgde een exercitieles van een ''Blockälteste'', die ons Duitse commando's bijbracht. Dit ritueel ondergingen alle gevangenen na binnenkomst. Op klompen gaven wij een staaltje exerceren weg, zoals waarschijnlijk niet eerder in het kamp was vertoond. De SS-ers van de bewaking werden uit hun barakken gehaald om ons te zien exerceren. De eerste paar dagen werden wij het exerceren niet moe.
Wals trekken
Na het exerceren moesten wij met 16 man een grote zware wals trekken om een met sintels bezaaid exercitieveld plat te walsen. We moesten daarbij steeds vlugger lopen. Behalve het gekrijs van de commando's, spoorde de dreigend opgeheven zweep van de bewaker ons aan. Het trekken van de wals was wel ongewoon en zwaar werk voor de meesten van ons. Na enkele dagen waren wij zichtbaar fysiek en psychologisch helemaal op. In feite was dit bedoeld om ons uit te putten en weer te vernederen. Het doel was om ons klein te krijgen.
Later hoorden we dat voornamelijk de Joden met het trekken van de wals werden afgebeuld. De wals werd dan ook de ''Palestina-expres'' genoemd.
arbeitscommando
Na deze ''scholing'', werden we ingedeeld bij ''Arbeitscommando's''. Het werk varieerde van zware, minder zware en lichte werkzaamheden. Ik werd ingedeeld bij het commando dat aan de ''Schiessbahn'' moest werken. Dat was zwaar werk met een enorme, onhandelbare schop. Het was werk buiten het kamp, waarbij we werden bewaakt door SS-ers met het geweer in de aanslag. Wat ik toen nog niet wist was dat deze ''Schiessbahn'' een fusilladeplaats was. Het zware en voor mij ongewone werk sloopte mij en mijn krachten namen snel af. Je werkte in de felle zon en bij stromende regen. Bovendien kreeg ik vrijwel niet te eten. 's Ochtends een hompje brood voor de gehele dag en 's avonds ½ tot ¾ liter ''Kohlsuppe''. Vast voedsel was er niet. Er was wel een "aardappelschilcommando'', waarin o.a. ds. Overduin zat, maar in de soep heb ik nooit een stuk aardappel aangetroffen. Eén van de andere marechaussee zag hoe uitgeput ik was en dat ik het niet meer lang zou volhouden. Samen ovetuigden we de Duitsers ervan dat ik een uitstekende "'Gärtner'' zou zijn voor de moestuin, waar groenten werden gekweekt voor de SS-ers. Vanaf dat moment lag ik iedere dag in zon en regen op mijn knieën met mijn blote handen onkruid te wieden. Sommige soorten onkruid at ik op als maagvulling, net als een deel van de plantjes die ik moest poten. Het werk was een stuk lichter, maar ik was al te verzwakt om te kunnen herstellen.
De appèlplaats
Meestal was er vier keer per dag appèl, soms vaker. 's Morgens voor aanvang van de werkzaamheden en 's middags na beëindiging ervan. Soms ook 's avonds wanneer we strafexercitie kregen.
Zodra de bel ging, haastte ik mij naar de appèlplaats om een plekje in het midden van de groep gevangenen te krijgen. Wie aan de buitenkant stond, liep het meeste kans op klappen en trappen. Het was de taak van de 'Blockälteste'' om de gevengenen netjes in het gelid op te stellen, zodat zij makkelijk geteld konden worden. Als iemand tijdens het appèl flauw viel, dan lieten we de man liggen om aan een collectieve straf te ontkomen. Het slachtoffer werd uit de rij naar de poort gesleurd, waar hij lange tijd aan kwellingen en mishandelingen werd blootgesteld.
Stonden we allemaal in het gelid, dan begon het getreiter met de mutsen die wij droegen: ''muts af, muts op'', allemaal precies tegelijk. ''Muts met beide handen goed rechtzetten'' en ''handen naar beneden''. Deze spelletjes konden urenlang doorgaan. Tenslotte werd rapport uitgebracht aan de ter plaatse gekomen Duitse commandant (op dat moment Walter Heinrich).
De gevangenen
De kampbevolking was ongeveer 1000 man groot en bestond voor de helft uit Joden. De Jehova's zaten vast vanwege hun geloof. Onder de ''politieke'' gevangenen bevonden zich predikanten en pastoors, (leger-)officieren, contractbrekers, leden van de Onderduik Dienst (OD), onderduikers en onderduikverschaffers. Ik trof in kamp Amersfoort dominee Overduin en de Kamper predikanten De Waart en Impeta. Dominee de Waart was mij en andere gevangenen tot grote steun, hij bemoedigde en troostte waar dat nodig was. Hij vond zelf dat hij daar in kamp Amersfoort op zijn plaats was. Dominee Impeta had de ''aardappelwacht''. Hij moest er voortdurend op toe zien dat er van de gepote aardappelen geen werd weggenomen. Een taak die grote oplettendheid vroeg en uiterst onplezierig was. Eens zag ik een paar gevangenen met elkaar vechten om een rauwe aardappel. Voedsel was een obsessie voor ons.
Straffen
In het kamp werden individuele en collectieve straffen uitgedeeld. Individueel kon men gestraft worden met aan de poort staan met alle kwellingen die daarbij hoorden. Collectief liet men ons marcheren of hardlopen. Daarbij werden commando's gegeven als liggen, op, hardlopen, robben (met ellebogen voortbewegen). Normaal was dit al erg, maar in de regen op een natte grond ronduit verschrikkelijk.
De Joodse helft van de kampbevolking werd harder gestraft dan de andere gevangenen.
Controle Rode Kruis
Op Hemelvaartsdag (14 mei 1942) was er een controle van het Rode Kruis. Het werd een gedenkwaardige dag. De gevangenen hoefden die dag niet te werken en na het appèl mocht iedereen die zich ziek voelde terug naar de barak. Wij, als marechaussee, vertrouwden het niet en bleven op de appèlplaats staan. De Duitsers stuurden degenen van ons die er het slechts uitzagen alsnog de barakken in. Daarna werden de barakken afgesloten.
Wij moesten op de appèlplaats keurig in het gelid blijven staan, met ontbloot bovenlijf. Er werd door de Duitsers niet geslagen of getrapt, er werd zelfs niet gevloekt en gescholden. Toen ging de poort open en enkele hoge officieren van het Zweedse en Zwitserse Rode Kruis stapten uit auto's. Zij werden vergezeld door hoge Duitse officieren. Gezamenlijk liep het gezelschap langs ons en inspecteerde onze lichamen. Men ging niet de barakken in, waarin de gevangenen zaten die er het slechts aan toe waren. Deze inspectie van het Rode Kruis was een farce.
Twee maand na aankomst
Bij mijn gevangenneming was ik pas 22 jaar oud en woog ik 80 kg., toen ik vertrok nog 45 kg.. Als ik mij uitgeput, ellendig en ziek voelde, dacht ik aan vroeger, aan thuis. Ik meende niet meer levend uit kamp Amersfoort te komen.
Na twee maanden in kamp Amersfoort kregen wij te horen dat wij uit politiedienst ontslagen waren, omdat wij ons in ons beroep hadden misdragen. De plaatsing in kamp Amersfoort was onderdeel van onze straf en de straftijd was nog niet ten einde. Wat er ging gebeuren bleef onduidelijk.
De volgende morgen moesten de marechaussee zich melden bij de administratieve barak. Daar werden onze persoonsgegevens gecontroleerd. Op een schrijfmachine lag een bericht met de tekst ''Polizisten verplichten für Arbeitseinsatz in Deutschland''.
Na twee maanden in kamp Amersfoort werd Mannus Koers als dwangarbeider overgebracht naar Duitsland. Daar verbleef hij een jaar lang. Met verlof in Nederland, doken Mannus en twee collega's onder. Het lukte Mannus Koers om tot het einde van de oorlog uit handen van de Duitsers te blijven.
Na de bevrijding trad Mannus Koers in dienst bij de politie Kampen, met terugwerkende kracht vanaf 8 mei 1942, de datum van zijn ontslagaanzegging in kamp Amersfoort. Op 17 april 1947 werd Mannus bevorderd tot hoofdagent van politie, op 1 maart 1954 werd hij brigadier en op 1 oktober 1962 volgde de bevordering tot adjudant. In 1970 ging Mannus Koers wegens gezondheidsproblemen met pensioen.
Mannus zelf beschrijft hoe geuren, kleuren en geluiden bij hem oorlogstrauma's wakker riepen. Misschien was dat de aanleiding voor het advies om zijn herinneringen op te schrijven. Ondanks zijn ontberingen in 1942 en 1943 bereikte hij een hoge leeftijd. Op 29 december 2012 overleed Mannus Koers in Kampen, hij was 92 jaar.
Bron: Mannus Koers, ''Voor Volk en Vaderland'', bureau Voorlichting Gemeente Kampen, 1996.
Met dank aan Rob Bremer voor inzage in het door zijn oom geschreven boekje.
© cultuurZIEN 2025