villa Poortenaar, vroeg op een winterochtend in 2023
de locatie
Villa Poortenaar is, samen met villa Mary aan de Ijsseldijk bij Zuid, de enige gerealiseerde bebouwing langs het Cingel rond Kampen. Van de intentie om langs het Cingel villa's te bouwen kwam verder weinig terecht. Achteraf gezien een groot geluk voor Kampen, waardoor het oorspronkelijk schootsveld van de stad vrij en bewaard bleef.
de opdrachtgever
Opdrachtgever tot de bouw van een ''landhuisje'' op een driehoekige buitendijkse kavel was drogist Barend Willem Poortenaar (1877-1928). Zijn gelijknamige grootvader had zich in 1840 vanuit Amsterdam in Kampen gevestigd. Een keuze die voor de drogisterij Poortenaar goed uitpakte. Barend Willem Poortenaar jr. was getrouwd met Johanna Klazina Meijer († 1952). Samen hadden zij drie kinderen: dochter Ada Albertina (1903-1944) en de tweeling Johan Herman (Hans, 1906-1951) en Hendrik (Hein, 1906-1942 Nrd. Atl. Oceaan). Ada studeerde rechten in Leiden, zoon Hans medicijnen en zoon Hein tropische landbouw. Moeder Jo werd 77 jaar oud en overleefde haar man en drie kinderen. Barend en Jo waren maatschappelijk actief in Kampen.
de architect
Het was de bekende Kamper architect G. B. Broekema die in 1910 een villa ontwierp van twee woonlagen op een onderstel van rondbogen. Het eigenlijke woonhuis bevond zich op de 1e verdieping, een lange houten trap met portaal bracht de bezoeker naar de voordeur aan de noordzijde. Zo bleef het huis gevrijwaard van overstromingen door de veel voorkomende watervloeden van de Zuiderzee. De plaatsing van het huis op een verhoging gaf het pand de onaantastbaarheid van een middeleeuwse woontoren.
Door het dichtzetten van de rondbogen werd door latere gebruikers een begane grond aan het pand toegevoegd. Een discutabele inbreuk op het oorspronkelijk ontwerp. In ieder geval werd zo een stuk lokale geschiedenis weggepoetst.
De lange trap naar de voordeur werd vervangen door een nieuw trappenhuis en de trap werd vervolgens verwijderd. Het houten overloopje in stijl omgevormd tot een balkonnetje.
Aan de zuidzijde was het huis voorzien van een riante veranda over de gehele breedte van het pand (verg. hoekpand Cellebroedersweg/1e Ebbingestraat). Ook deze weinig onderhoudsvriendelijke veranda van villa Poortenaar is allang verdwenen.
Rond de villa lag een tuin, waarin achteraan een tennisbaan was geprojecteerd. Later was hier de opslag van drogisterij Poortenaar. Deze tuin sloot op een natuurlijke wijze aan bij het stadspark. Tegenwoordig krijgt een voorbijganger pijn aan de ogen bij het passeren van het mishandelde buitenterrein rond de villa.
het Joodse gezin Van Rhijn
Dochter Ada Poortenaar studeerde rechten in Leiden en raakte daar bevriend met Cora Leijdesdorff. Cora trouwde in 1927 met huisarts Marius Simon van Rhijn. Het echtpaar Van Rhijn vestigde zich in Enschede, waar dochters Betsy (1928) en Jane Truus (1930) werden geboren. Aanvankelijk hadden de kinderen een rustige en gelukkige jeugd in Enschede. Moeder Cora was werkzaam als advocate, waarschijnlijk de eerste vrouwelijke advocaat in Enschede. In de loop van de jaren '30 namen de spanning en onrust toe, vooral na 1939. Enschede ligt immers vlak bij de Duitse grens. Ada Poortenaar, op dat moment secretaresse van mr. E.N. Van Kleffens, minister van Buitenlandse Zaken in London, hield het Joodse gezin Van Rhijn op de hoogte van dreigend gevaar. Na een waarschuwingstelefoontje van Ada vertrok het gezin enkele keren naar familie in Zaandam.
Van 13 - 15 september 1941 vond in Enschede een grote razzia plaats, waarbij 154 mannen werden opgepakt. Velen van hen waren Joodse patiënten van dokter Van Rhijn. Ogenschijnlijk werkte Van Rhijn onverstoorbaar door, maar hij en Cora bereiden zich voor op een onderduik. Waardevolle spullen werden in bewaring gegeven bij buren en vrienden.
Als Van Rhijn in juli 1942 wordt goedgekeurd voor de Arbeitseinsatz, beseft hij dat het tijd is om te verdwijnen. Dit wordt door iemand verraden, waardoor hun onderduik nogal gehaast en rommelig verloopt. Op de prachtige, zonnige 4 augustus 1942 worden Betsy, dan 14 jaar, en Jane Truus, 11 jaar, in allerijl naar het bevriende notarisechtpaar Lammeree gestuurd. Daar begon Betsy aan een dagboek, dat zij nog steeds bewaard. Hun ouders doken ergens anders onder. Het onderlinge contact werd onderhouden via brieven, die vrienden van hen overbrachten. Na vier maanden bij de familie Lammeree, gaan Betsy en Jane Truus naar Apeldoorn om via Beverwijk in Leiden te belanden. In Leiden werden ze verraden en moeten opnieuw overhaast vertrekken.
De meeste onderduikadressen van de meisjes zijn bij studievriendinnen van moeder Cora.
de leerlingen van het Joods Lyceum in Enschede in januari 1942
Naar villa Poortenaar, 1943
In het voorjaar van 1943 wordt het gezin Van Rhijn herenigd in villa Poortenaar in Kampen. Aan de achterzijde van de tuin was een omheind terrein (de vroegere opslagplaats van de drogisterij) waar de familie Van Rhijn buiten kon zijn. Betsy verborg daar haar dagboek, waaraan de slakken zich te goed deden. Betsy en Jane Truus kregen thuisonderwijs van hun ouders. Voor les- en leesboeken zorgden Geer Heering van de Openbare Bibliotheek en drs. Ida Gerhardt, docent aan het gymnasium.
In september 1944 moest men inschikken omdat er nog twee onderduikers bij kwamen, w.o. de Kamper wethouder baron van Boecop. Voor arts Van Rhijn was het gezelschap van baron Van Boecop zeer welkom in het verder uit vrouwen bestaande huishouden aan de Broedersingel.
Terug naar Enschede, 1945
Na de bevrijding gaat het gezin Van Rhijn terug naar Enschede, maar hun woning krijgen zij niet meer terug. In een andere huis pakt het gezin zo snel mogelijk de draad weer op. Daaronder valt het verzoek van het gezin Van Rhijn aan Van Dijksboekhuis om de huur voor de tijdens de oorlog geleverde studieboeken te betalen. Het antwoord van Van Dijksboekhuis is ontroerend: ''Het doet ons genoegen, dat U Uw rekening wilt voldoen. Mocht U dit evenwel niet gemakkelijk vallen -een paar jaar onderduiken is gewoonlijk nogal kostbaar- dan kunt U die rekening als vervallen beschouwen ''. Deze paar zinnen getuigen van een invoelendheid, die terugkerende Joodse inwoners in Nederland meestal werd onthouden.
De vriendschap tussen de families Poortenaar, Van Rhijn en Van Boecop bleef na de oorlog bestaan en op latere generaties overgedragen.
Het dagboek van vader Marius van Rhijn werd in 2018 door Ron van Hasselt gebruikt als basis voor zijn boek ''Verdacht van woonplaats te zijn veranderd en andere bijna vergeten verhalen'', uitgeverij Aspekt, Soesterberg. Daarin wordt onder meer de oorlog en bevrijding van Kampen beschreven.
© cultuurZIEN 2025