''Feit blijft dat er in 1942 maar één (1) agent is geweest, die heeft geweigerd Joden op te halen'', Igor Cornelissen in Vrij Nederland
Pieter Kapenga
Pieter Kapenga werd in 1898 geboren in Muntendam (nabij Veendam in Groningen) als oudste zoon van Harm Kapenga, brandmeester op een steenfabriek en Bougien Oorburg, dochter van een botenbouwer. Het huis van het gezin Kapenga stond op het terrein van de steenfabriek. Pieter is de oudste van 7 kinderen. De wortels van de fam. Kapenga lagen in Ulrum, waar verschillende voorouders de Akte van Afscheiding mee-ondertekenden. Na de lagere school volgde een opleiding tot smid, eerst bij een grofsmid en daarna bij een zilversmid. Vanaf zijn opleiding tot smid, Pieter is dan 12 jaar oud, woont hij niet meer thuis. De jongste kinderen weten lang niet dat zij nog een oudere broer hebben.
dienstplicht en opleiding tot marechaussee
Tussen 26 okt. 1917 en (zeker) 22 okt. 1919 vervult Pieter zijn dienstplicht. Een jaar later, op 16 okt. 1920 tekent hij voor 6 jr bij de marechaussee. Na een opleidding in Apeldoorn, is hij in Amsterdam, Leeuwarden, Sneek en Hoogezand gestationeerd. In de avonduren doet hij een schriftelijke opleiding tot politieman, een diploma dat hij in de zomer van 1923 behaald. Tijdens zijn verblijf in Hoogezand ontmoet hij zijn achternichtje Annegien uit Sappemeer. Een jaar later, op 1 aug. 1924 trouwen ze. Pieter heeft voor het huwelijk geen toestemming van de inspecteur van de marrechaussee en dit betekent daarom ontslag. Daarna vervult hij zijn laatste reststand dienstplicht in Utrecht.
veldwachter in Drenthe en Friesland
Vanaf 13 nov. 1924 kan Pieter aan de slag als rijksveldwachter in het Drentse Hollandsche veld. Daar wonen Pieter en Annie schuin tegenover kerkgenoot en landbouwer Jan Wolters Post en zijn vrouw Trijntje Tempen met hun 11 kinderen. Daaronder (8e) Hendrik, (9e) Marinus en (jongste, 11e) Johannes.
Het verblijf in Hollamdsche veld duurde maar kort, een maand later verhuist het gezin Kapenga naar Bakkeveen in Opsterland. Daar worden dochters Boukje en Geertje geboren. Vier jaar later volgt er promotie tot chef-veldwachter in Kollumerland. Daar wordt dochter Elly geboren. Tegen de zin van de Kollumer burgemeester verhuisde het gezin in 1934 naar Kampen, ''waar alles weer ietsje groter was''.
Kampen
In Kampen trof Pieter Kapenga Jan Bokma als politiecommissaris. Zij kenden elkaar nog uit Veendam, waar Jan Bokma in 1929 commissaris was. Wanneer Jan Bokma in 1938 naar Zutphen vertrekt, bestaat het Kamepr politiekorps uit een algemene dienst met 16 agenten, een afd. recherche met 3 man en 2 ambtenaren voor de administratie. Bokma wordt opgevolgd door Van der Drift.
In Kampen woont het gezin Kapenga tijdelijk in een huurwoning in de Veen Valckstraat tot op Zuid hun nieuwe huis tegenover de tuin van het Stadsziekenhuis klaar is. Ondertussen wordt het gezin uitgebreid met dochter Tiny. In 1937 volgde na 4 dochters eindelijk een 1e zoon: Harm. Hekkeslijter werd Roel.
In 1939 wordt Pieter Kapenga voor de 1e keer ouderling van de Burgwalkerk. Samen met Ebele Bosma van de Noorderrandweg krijgt hij het Kampereiland als werkterrein.
De oorlog
Tijdens de oorlog behoorde tot de taken van Pieter Kapenga het bijhouden van een lijst met namen van NSB-ers en hun daden, bekend als ''de geheime kartotheek''. Hij telde op 26/2/1941 144 leden en 13 begunstigers. In Hasselt, Urk, Ijsselmuiden en Genemuiden zijn dit er nog eens 40 en 5.
De snelheid waarmee de rechteloosheid zich na de bezetting aandiende was nogal confronterend voor Pieter Kapenga. Seys-Inquart maakte de Nederlandse politie onderdeel van de Duitse politie en lapte het Landoorlogsrecht aan zijn laars. Iedere burger was nu onderworpen aan de willekeur van de nazi's. Ondertussen gedroeg de Grune polizei, gestationeerd in de Vloeddijkkazerne, zich liederlijk. NSBers en Duitsers hielde bij DIJK (nu Stadsherberg) hun gezellige samenkomsten, waarvoor geen sluitingstijd meer bestond. Optreden door politie ging niet, want zij waren onderdeel van de Duitse politie.
De gematigde NSB korpschef Wuijster biedt Kapenga aan om met hem mee te gaan naar Hengelo, wat een behoorlijke promotie zou zijn. Maar Kapenga zit hier niet op te wachten.
verzet
Pieter Kapenga raakt in Kampen betrokken bij wat later LO/LKP is gaan heten. Een kleine groep vergadert om beurten bij rector Dam of leraar klassieke talen Douwe Jan Buwalda en soms aan de Fernhoutstraat bij Kapenga. Niet altijd aanwezig op de bijeenkomsten zijn Hilbert van Dijk, Toon Slurink en Gerrit Spanhaak. Net als Gijs en Reinoudt Roukema, zoons van meester Roukema in Ijsselmuiden, spelen de jongens Post een hoofdrol in de illegaliteit. Marinus heeft eigen handig een nieuwe boerderij gebouwd aan de oevers van de Ijssel in wat ''het Onland'' wordt genoemd. Marinus deelt het land op in kleine percelen en verhuurt deze als volkstuintjes. Pieter Kapenga is een van de eerste huurders. Hij huurt twee percelen: 1 vlakbij de boerderij en 1 helemaal achteraan tegen het riet in het onland.
Pieter smokkelde wapens voor het verzet. Zo werden in fietstassen onder kolen wapens gebracht van de boerderij van Marinus Post naar de fam. Roukema in Ijsselmuiden. Het waren wapens uit het depot van de politie, die door Van der Drift in veiligheid waren gebracht bij Post. Tandarts Isidoor Polak en zijn vrouw Maria Helsper konden op initiatief van Pieter Kapenga en mede-ouderling Ebele Bosma bij de laatste onderduiken. Als dank mocht het gezin Kapenga levenslang gratis naar de tandarts aan de Vloeddijk.
In juni krijgt Pieter de opdracht om de rijwielen van de Joodse inwoners te vorderen. Er is een lijst met 14 fietsen, waarvan enkele tot in detail beschreven zijn. Van Gend en Loos levert de fietsen op 21 juli 1942 af bij het depot van het provinciehuis in Zwolle. Dan zijn Maurits en Arie (fiets-eigenaar) van Gelderen, Ruben van Boele en Herman Goudsmit al vertrokken naar hun werkkamp. Tot het station in Zwolle begeleidt door vader Van Gelderen. Verder nam niemand de moeite om afscheid van dit 4-tal te nemen (Albert van Dijk). Problemen om te collecteren voor de Winterhulp, waarvoor het gehele politiekorps werd ingeschakeld, had Pieter Kapenga niet. Hij collecteerde aan de 1e Ebbingestraat, toen nog beginnend bij villa Burghout van de fam. Gunnink.
Op 16 nov 1942 werd Pieter Kapenga ontboden bij zijn meerdere inspecteur, vervangend korpschef en NSB-er Jan de Bruijn.
Waar ligt de grens?
Op 16 nov 1942 werd voor Pieter Kapenga een eerder toegezegd verlof van 12-18 nov. ingetrokken. Inspecteur de Bruijn vertelt hem, onder zwijgplicht, dat er op 17 nov 1942 om 19.30 uur voor het gehele personeel een generaal-appèl zou plaats vinden met de in Kampen te arresteren Joden. Daarbij had De Bruijn ook hoofdagent Pieter Kapenga nodig. Daarnaast werd Pieter belast met het transport van de Joden naar Westerbork. Het antwoord van Kapenga was: ''Meneer, dat weiger ik''. Als De Bruijn hem aanraadt om nog eens over zijn antwoord na te denken , zegt Kapenga ''dat hij niet zal meewerken aan een handeling ten nadele van de Joden''. Daarop wordt Kapenga geschorst wegens het weigeren van medewerking aan de ''evacuatie'' van Joden.
Eerder was Pieter Kapenga wel eens op pad gestuurd naar het Kampereiland of de Mantjeswaard om op boerderijen Joden te zoeken. Daar kon hij zich makkelijk vanaf maken. Het bevel van 16 nov. bracht de diep-gelovige Pieter Kapinga in gewetensnood. De grondwet beschermde immers ook Joodse Nederlanders en het bevel was in strijd met zijn christelijke beginselen. Pieter Kapinga kwam openlijk in verzet en droeg daar de gevolgen van. Op 18 dec. 1942 werd Pieter Kapenga in Arnhem gehoord. Het resultaat was dat hij op 30 dec. 1942 door Rauter, namens Rijkscomissaris Seys-Inquart, werd ontslagen met pensioen. Zo leek Pieter Kapenga goed weg te komen en meer tijd te kunnen besteden aan zijn gezin, zijn volkstuin, het kerkelijke- en het ondergrondse werk.
aantreden politiecommissaris Johan Boesveld
Per 1 jan 1943 wordt inspecteur Jan de Bruijn opgevolgd door Johan Boesveld als politiecommissaris. Pieter Kapenga karakteriseert het optreden van Boesveld als een ''schrikbewind''. Begin 1943 weigeren steeds meer politie-agenten onredelijke en onwettige dienstopdrachten van de bezetter uit te voeren. Eerst Pieter Stavast en Jan Gunnink, dan Thomas de Boer en Pieter van Dam. Aanleiding is het protest van 22 Kamper ambtenaren tegen de verplichte Arbeitseinsatz. De agenten weigeren de ambtenaren Gerhardus Wind, Nicolaas Mostert, Kornelis Poll, Cornelis Schilte en Herman de Jong te arresteren. Het resultaat is dat op 20 febr 1942 5 ambtenaren en 4 politie-agenten afreizen naar Vught. Agent De Geus ontloopt arrestatie door tijdig onder te duiken.
26 maart 1943, arrestatie Pieter Kapenga
Op 26 maart word Pieter Kapenga van zijn bed gelicht. De mogelijkheid om nog te vluchten benut Pieter niet. Aanvankelijk dachten zijn gezinsleden dat hij 's avonds wel weer terug zou zijn. Pas de volgende ochtend wordt door mensen uit het verzet aan het gezin vertelt dat Pieter Kapenga naar Vught is gebracht. Marinus Post komt langs om de opgeslagen wapens vanonder het vloertje in de schuur weg te halen. Marinus had zich verkleed als woonwagenman en had een grote kinderwagen bij zich.
In doorgangskamp Vught werd Pieter Kapenga van mens gereduceerd tot een nummer. Op zijn gestreepte gevangenispak droeg hij een rode driehoek met de punt omlaag, de aanduiding voor politieke gevangenen. Pieters overlevingsstrategie is fit en gezond blijven en zorgen voor bezigheden. Op 3 mei krijgt Pieter een blauwe overal te dragen en werkt hij in het Philips-commando. Het Philips-commando was niet alleen werkverschaffing, maar vooral een poging om gevangenen in een zo goed mogelijke conditie te houden en deportatie (zo lang mogelijk) te voorkomen.
Een week na de arrestatie van Pieter Kapenga worden de agenten Henk Verheijen, Klaas Marra en ''lange''Jansen (buurman Harm Jan Jansen) en ''dikke'' Chris Jansen opgepakt. Cor van Klaveren en Dirk Stoppelenburg besluiten mee te werken met Boesveld. Wat de opgepakte politiemannen gemeen hebben is dat er een last van hen afvalt. Opgesloten in een cel voelen zij zich eindelijk weer vrij. In de zomer zouden nog meer ambtenaren en burgers uit Kampen naar Vught worden afgevoerd.
In Vught heerste er een onderlinge solidariteit tussen de gevangenen. Bode Wielinga zorgde wekelijks voor pakketten, waarin gerookte paling, vis, appelen, peren, druiven, enz. De inhoud werd onder de 18 aanwezige Kampenaren verdeeld
Tijdens de afwezigheid van Pieter werd het gezin onderhouden door oom Jan Mulder en tante Thea. Jan Mulder had een goed lopende wijnhandel. Annie Kapinga-Mulder was zijn oudste zus. Jan steunde zijn zus niet alleen met geld, voedsel en goed, maar sleepte haar ook mee in zijn strijd voor Klaas Schilder. Na de Vrijmaking maakt hij een deel van zijn kapitaal vrij om het hospitium aan de Broederweg aan te kopen!
Dochter Boukje kreeg via bemiddeling van het verzet een baantje bij de directie Zuiderzeewerken. Zij werkte rechtsreeks onder Bert Knipmeijer. Via haar werk kreeg Boukje tarwe, voor 8 pers. Iedere ochtend zorgde moeder Annie voor een bord tarwepap. Tot de overval op de boerderij van Marinus Post, 26/27 juli 1943, is er voldoende groente uit eigen tuin. Bovendien hadden Pieter en Annie Kapenga koffie, thee en suiker gehamsterd.
De vrouwen van de opgepakte politiemensen (Lange Jansen, Kapenga, Marra, Stavast en Verheijen) houden elkaar op de hoogte van de laatste informatie, zodra een brief voor een van hen was aangekomen. Postbode Harmsen zorgde -als hij dienst had- dat de brieven voor deze families eruit werden gevist en bezorgde ze soms al 's nachts, zodat de vrouwen weer even gerust waren. Ook is er veel contact met de fam. Dam.
Half mei 1944 moet Pieter Kapenga voor het Philips-magazijn een lijst invullen met onmisbare werkkrachten. Als onmisbaar vult hij de oudere gevangenen en degene met grote gezinnen in. Op 24 mei 1944 moest alles en iedereen zich verzamelen op de appèlplaats, die werd afgezet door zwaar-bewapende SS-ers. Ca. 1000 nummers worden afgeroepen, zij gingen naar Duitsland. Ook Pieter Kapenga behoorde tot de afgeroepen nummers. Samen met Dirk Boonstra, Ebele Feenstra, Harm Jan en Jan van der Heide, Jan Post en Pieter Stavast werd Pieter Kapenga naar Dachau overgebracht. Gerrit van den Oever en Cees Boodt bleven in Vught achter. Na de gehele dag op de appèlplaats te hebben doorgebracht, werden de gevangenen van brood, boter en worst voorzien. Daarna werd er olv de Grune Polizei afgemarcheerd. Na ruim een jaar verliet Pieter Kapenga kamp Vught.
Na Pasen 1944 ontvangt Annie geen brieven meer van Pieter. Pas op 8 juli krijgt zij een brief retour
25 mei 1944: transport naar Dachau
Dachau was de bakermat van de SS. Vanuit Dachau werden alle SSers, waar ook aanwezig, bevoorraad. In mei 1944 was het kamp overvol ( barakken voor 200 mensen gebruikt door 1600 tot 1700 en later zelfs 2000 mensen). Het eten was slecht en het werk zwaar.
Tegen de avond komt de trein in Dachau aan. Wat een verschil met Vught! Daar blonk alles van zindelijkheid en netheid; hier was alles even grauw en troosteloos. De barak was overvol, twee man op een strozak.
In Dachau zat Pieter Kapinga samen met o.a. ds. Jacobus (Koos) Overduin, reserve-kapitein Pim Boellaard, vertegenwoordiger van de Nederlanders in Dachau en Piet van der Hurk. Annie schrijft mondjesmaat over de Vrijmaking. Postpaketten via het Rode Kruis komen niet meer aan. Het aantal brieven uit Dachau wordt steeds schaarser.
In Dachau ziet Pieter Kapenga kans om ingedeeld te worden bij het commanda dat werkt op het landgoed Pollnhof, een grote boerderij. De boerderij was in beheer bij de SS. Het waren lange dagen met zwaar werk en de kunst was zo weinig mogelijk te doen. Ook kon er van de gekweekte groente gegeten worden. Tegen de winter hield het werk op de boerderij op en werd Pieter overgeplaatst naar het bouwbedrijf.
Bevrijding Dachau op 29 april 1945
Hoe verder de geallieerden en Russen oprukten, hoe meer transporten er uit andere concentratiekampen binnen kwamen in Dachau. Het werd er steeds drukker, het eten slechter, de kleding onvoldoende en de omstandigheden moeilijker. Er heerste een luizenplaag en luizen brachten vlektyphus over. De meeste mensen stierven eraan. Door de bombardementen hoorden ze de bevrijding dichter bij komen. De barakken schudden op hun grondvesten en de spanning stijgt over wat er zou gebeuren.
Rond 03.00 uur werd men wakker van het geluid van mitrailleur- en geweervuur. Schieten dat steeds dichterbij kwam en ook steeds heviger werd. Het was 05. 28 uur toen de poort open ging. Om 06.30 uur steekt de SS een kleine, niet geheel witte vlag uit bij de ingang van het kamp. Toch blijven zij schieten op de Amerikanen. Die drijven de ca. 80 SS-ers bijeen en schieten hen dood voor de ogen van de gevangenen. In de woorden van Pieter Kapenga "Het was kort recht, maar rechtvaardig. De gehele SS kan schuldig worden geacht aan de onmenselijke behandelingen van de gevangenen''. Dan verschijnt er een Amerikaan: ''Hello boys, here we are''.
Er zijn nog ongeveer 500 Nederlanders in het kamp aanwezig.
Repatriering
Nederland laat de verzetsmensen in Dachau zitten. Niemand, geen enkel woord. Pas nadat Pim Boellaard, met een gevorderde auto, op 17 mei gesproken heeft met prins Bernhard wordt een convooi vrachtwagens opgetuigd en een colonne van 12 ambulances.
Op 19 mei 1945 meldt Kapenga in een brief dat Stavast en Jan Post nog in Allach zijn. In deze brief vraagt hij of ze Sandberg, Roest en Boesveld hebben vastgezet. En of de leren jas, die Boesveld van Pieter gestolen heeft, weer van hem afgenomen is. Hij gaat er van uit dat Oldenhof en Van der Drift weer in functie zijn. Het spijt hem dat er een scheuring in de kerk heeft plaatsgevonden.
Op 23 mei vertrekken tenslotte 53 mensen en op 24 mei 47 mensen. Op 25 mei rond 16.00 uur is Pieter Kapenga aan de beurt, een van 120 mensen in vrachtauto's en gezeten op banken uit de voorm. SSbarakken. Pieter heeft op dat moment een longontsteking en schurft, hij is graatmager. Van de Amerikanen kreeg ieder een militaire overjas mee uit de Duitse opslagplaatsen. Op 28 mei rond 17.00 uur werd bij Beek de grens gepasseerd, waar iedereen geregistreerd werd. De volgende middag 15.00 uur vertrok een transport van 20 personen naar het noorden, waarvan ook Pieter Kapenga deel uit maakte. Over Apeldoorn, Deventer en Zwolle kwam hij rond 21.00 uur bij de pont over de Ijssel bij Kampen aan. Een magere man in een oude Duitse legerjas en zonder papieren. Hij wordt herkent door zijn collega, die hij vooruit stuurt om zijn gezin voor te bereiden op zijn thuiskomst. Na 2 jaar en 2 maanden kwam Pieter Kapinga weer thuis.
Twee dagen later arriveren ook Jan Post en Pieter Stavast.
Teleurstelling over bijzondere rechtspleging in zake:
NSB-burgm. Sandberg, veroordeeld tot 13 jaar, liep in 1952 alweer als vrij man rond in Rijswijk
Waarnemend burgm. en hoofd gemeentewerken Roest van Limburg, kreeg 8 jaar (in praktijk 6) kwam er genadig vanaf. Hij vroeg in 1952 zelfs om zijn uitgestelde pensioen. Dat kreeg hij niet, mede op basis van een rapport van Pieter Kapenga.
politiecomm. Boesveld kreeg levenslang, maar werd in 1952 weer vrijgelaten, daarbij voorbijgaand aan een rapportage van Kapenga. Boesveld vestigde zich weer in Kampen
politie-inspecteur Jan de Bruijn week, na zijn straf van 5 jr, uit naar Maassluis.
Teleurgesteld in de Kampenaren die na de oorlog niet meer wilden praten over hun Joodse medeburgers en toelieten dat de voorm.synagoge veranderde in een parkeergarage.
Deze levensschets is gebaseerd op: Peter Sierksma, Meneer dat weiger ik, een politieagent in verzet, Walburgpers 2021. Het boek staat in de Openbare Bibliotheek Kampen.