18 januari 1943: Himmler legt nieuwe quota op.
In Warschau worden straten afgezet en voor elk huis houdt een Duitser de wacht. Niemand kan het huis in of uit. Rijen Joden staan klaar om afgevoerd te worden naar de Umschlagplatz (de centrale verzamel- en deportatieplaats van waaruit Joden uit de getto's, met name het getto van Warschau, naar de nazi-vernietigingskampen werden getransporteerd). Gaan de Duitsers het hele getto vernietigen?
Dan opent het Joodse verzet het vuur op de Duitsers. Zij gooien granaten tussen de marcherende soldaten en roepen tegen de bijeengedreven Joden dat zij moeten vluchten. Dat doet maar een enkeling. De rest stort zich massaal op de Duitse militairen en vecht met handen, voeten, ellenbogen en tanden. De Duitsers zijn verbijsterd, maar herstellen zich vlug. De Joodse opstandelingen zonder wapens zijn geen partij voor de zwaar bewapende Duitsers. Slechts twee verzetsleden overleven de aanval.
Deze geïmproviseerde opstand werd een tragedie, maar het psychologische effect was groot: Joden hadden Duitsers gedood!
(ontleend aan: Judy Batalion, Dochters van het daglicht, Anthos-Amsterdam 2020)
De opstandelingen slaagden erin de deportaties te stoppen en ze namen de controle in de getto over. Na de succesvolle eerste aanval, bereidden ze zich drie maanden lang voor op de grote tegenaanval: de grote opstand in het getto Van Warschau van 19 april tot 16 mei 1943