Het begon allemaal zo feestelijk met de aanstelling van de relatief jonge burgemeester Oldenhof op 21 juli 1936. Oldenhof was in Apeldoorn geboren en na ambtelijke banen bij de gemeenten Apeldoorn (1917-1920) en Hilversum (1920- 1929) overgestapt naar het ambt van burgemeester. Voor zijn komst naar Kampen was hij burgemeester van de (samengevoegde) gemeenten Lopik, Jaarsveld en Willigen/Langerak in de Betuwe. Het gezin met twee dochters en een zoon betrok in Kampen een nieuw gebouwd huis op Zuid, met een prachtig uitzicht over het Kamper stadspark. De naam van het huis werd dan ook ''De wijde Blik''.
Herman Martinus Oldenhof (Apeldoorn 1899-1985 Ede)
Herman Martinus Oldenhof werd in 1899 geboren in Apeldoorn als zoon van timmerman Peter Oldenhof en Johanna Jozina Santberg. In 1925 trouwde hij in Apeldoorn met predikantsdochter Aleida Hermina Alberdina den Hartogh. Zo ontstond een eerste band met Kampen: Oldenhofs schoonmoeder was een meisje Dalhuijsen uit Kampen. In 1929 solliciteerde hij met succes naar het ambt van burgemeester. Oldenhof was lid van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, later opgegaan in het CDA), in 1879 opgericht door Abraham Kuyper en de oudste politieke partij van Nederland. In de jaren 1930 werd de ARP geleid door Hendrik Colijn, die van 1933 tot 1939 minister-president was.
burgemeester van Kampen (1936-1952)
Het aantreden van Oldenhof als burgemeester van Kampen viel midden in de economisch onrustige jaren 1930. Ook in Kampen werd er -vanwege verslechterende arbeidsomstandigheden- gestaakt, bij lingeriefabriek Nijbo aan de IJsselkade en in sigarenfabrieken Van der Sluis aan de Voorstraat en La Bolsa, tussen Hofstraat en Boven Nieuwstraat. Tussen 1930 en 1938 nam het aantal werklozen in Kampen toe van 200 tot 1174. Het kostte de gemeente Kampen handen vol geld om deze mensen van eten te voorzien. Vanaf 1935 werden er verschillende werkverschaffingsprojecten opgezet, zoals de inpoldering van de Stikkenpolder en de Kattewaard. In de visie van Oldenhof was het investeren in de uitvoering van publieke werken een betere oplossing dan bezuinigingen. Vanaf 1938 verbeterde de economische situatie in Kampen weer.
begin van de oorlog
Moreel koers houden is voor een bestuurder onder normale omstandigheden al een opgave waar velen niet tegen opgewassen zijn. In tijden van grote verwarring, onduidelijkheid en angst als gevolg van oorlog en bezetting, is dit een onmogelijke opgave. Vanuit Den Haag had men nauwelijks aanwijzingen gekregen hoe te handelen onder een bezetting. De meeste bestuurders en ambtenaren bleven zitten. Vaak in de hoop om harde maatregelen van de bezetter te kunnen verzachten voor de eigen bevolking. Velen bereikten op een gegeven moment het punt dat zij de maatregelen van de bezetter niet langer konden verenigen met hun geweten. Wie vertrok werd vervangen door een NSB-er.
de ambtseed getrouw
Oldenhof had bij zijn aantreden tot burgemeester gezworen om ''getrouw te zijn aan de Grondwet, de wetten na te komen en zijn positie als burgemeester naar eer en geweten te vervullen''. Voor Oldenhof ging deze ambtseed boven samenwerking met de bezetter. Daarmee schaarde hij zich in een rijtje van vier (4) burgemeesters, allen van de ARP, die deze keuze maakten. Naast Oldenhof waren dit: Meine Fernhout (burgemeester van Bussum, nam ontslag in 1941); Wiert Berghuis (burgemeester van Smilde, nam in 1941 ontslag) en Martinus Ritzema (burgemeester van Oldekerk, kreeg in mei 1942 ontslag). Opmerkelijk genoeg waren drie (3) van deze burgemeesters tijdens hun loopbaan op enig moment burgemeester van Kampen: Meine Fernhout van 1919-1923; Herman Oldenhof van 1936-1952; Wiert Berghuijs 1952-1970.
accommodatie
Accommodatie is medewerking verlenen aan de bezetter, al of niet met tegenzin. Maar wanneer gaat accommodatie over in samenwerking? Ook bij Oldenhof vielen zijn keuzes niet altijd gelukkig uit. Zo verstuurde Oldenhof in het najaar van 1941 brieven aan de hoofden van de openbare scholen met het verzoek een lijst op te stellen met de namen van de Joodse leerlingen. Drie dagen later werden deze leerlingen op bevel van Oldenhof van de scholen geweerd. Voor de Joodse schoolkinderen was er vervangend onderwijs in Zwolle.
Opmerkelijk omdat Oldenhof op dat moment al verwikkeld was in een briefwisseling met de bezettingsautoriteiten over de ''beperkende maatregelen tegen Joden''. In januari 1942 weigerde hij de namen van Joodse marktkooplui door te geven i.v.m. ariseringsplannen voor de markt. Dit wordt ook door het Nationaalmonument Oranjehotel in Scheveningen genoemd als reden voor zijn arrestatie.
Naar zijn beweegredenen kunnen wij hem niet meer vragen. Niet ondenkbaar is dat Oldenhof niet tegen alles kon protesteren en daarom keuzes maakte in zijn verzet tegen de Duitse autoriteiten.
ontslag per 25 februari 1942
Oldenhof was de enige Nederlandse burgemeester die de moed had te protesteren tegen het verplicht veranderen van straatnamen. Zoon Piet, toen 13 jaar, vertelt hierover: ''Op een dag kwam mijn vader woedend thuis. Hij moest nu de straten met namen van levende leden van het koninklijk huis anders gaan noemen (Wilhelminalaan en Julianastraat in de Oranjewijk). Dat wilde hij niet. Daarom werd hij gevangengezet. In Arnhem zei een Duitse officier dat hij direct door moest naar kamp Amersfoort. Daarop sprak hij deze officier op boze toon aan. Het resultaat was dat hij toch niet naar Amersfoort ging, maar naar de gevangenis in Scheveningen. Later werd hij weer vrijgelaten maar mocht niet meer in Kampen komen. Toen hebben we van huis geruild met mijn oma in Apeldoorn, zodat ik in Kampen op school kon blijven'' (uit ''Weggetjes naar de Vrijheid'').
Zoon Piet koppelt hier twee zaken aan elkaar, die volgens de informatie van de gevangenis in Scheveningen/Nationaalmonument Oranjehotel niet bij elkaar horen. Ook in Kampen is dit verhaal een eigen leven gaan leiden. Waarschijnlijker is dat de gevangenis in Scheveningen/Nationaalmonument Oranjehotel de juiste reden voor de arrestatie geeft. De arrestatie kwam daags na Oldenhofs weigering om de straatnamen te wijzigen. Dat maakt de verwarring begrijpelijk. Overigens werden na Oldenhofs arrestatie de straatnamen wel gewijzigd: in Willemlaan en Anna Paulownastraat, om in oktober 1942 opnieuw gewijzigd te worden in Damstraat en Pleinstraat.
Wethouder Coenraad van den Noort (CHU, later opgegaan in het CDA) werd waarnemend burgemeester. Vanaf 1 maart 1942 lieten de beide andere wethouders, Henri Juste baron toe Boecop (VDB, in 1946 opgegaan in de PvdA) en Harm Krans (ARP, later opgegaan in het CDA), zich niet meer in het stadhuis zien.
Verblijf in St. Michielsgestel
Vanaf 4 mei tot 21 oktober 1942 zat Oldenhof als gijzelaar vast in kamp Sint Michielsgestel, nabij Den Bosch. Het kamp was ondergebracht in de gebouwen van het kleinseminarie Beekvliet. Oldenhof behoorde tot een groep van 460 Nederlandse notabelen die op 4 mei 1942 werden geïnterneerd. Niemand wist de reden van hun arrestatie. Het verblijf in St. Michielsgestel was goed. De gijzelaars verdreven de tijd door elkaar college te geven, sportwedstrijden te organiseren en een cultureel programma op te zetten. Ze ontvingen voedselpakketten van thuis en mochten bezoek ontvangen. Minder prettig was dat zij door de Duitsers achter de hand werden gehouden om als represaille te worden doodgeschoten. Iedere dag in St. Michielsgestel kon de laatste dag in iemands leven zijn.
rond de ''bevrijding'' van Kampen
Op 17 april 1945, de bevrijding van Kampen, keerde Oldenhof terug als burgemeester van Kampen. Ook in de warrige dagen na 17 april liet de mens Oldenhof als burgemeester steken vallen. Oldenhof wilde de stad gezuiverd hebben van NSB-ers. Daarbij liet hij zich te veel leiden door gevoelens van wraak. Ook werd gewerkt met aanziens des persoons: de ''heren'' werden ontzien en jan-met-de-pet moest opdraaien voor hun fouten.
Stadsomroeper Hein Visser, die in opdracht van een hogere ambtenaar verplicht de verordeningen van de bezetter afriep, werd aangepakt; de opdrachtgevende ambtenaar ging vrijuit.
Hulp-gemeentebode Klunder was ook de klos. Hij was tijdens het burgemeesterschap van NSB-burgemeester Sandberg benoemd. Door Oldenhof werd hij ontslagen. Na zijn ontslag moest hij zijn uniform inleveren, maar dat had Klunder niet meer. Zijn broek was afgedragen en het jasje was door zijn vrouw vermaakt tot een kinderjasje. Het kwam Klunder op een schadevergoeding van f 85, - te staan, wat hij helemaal niet kon betalen. Na ingrijpen door mr. Perrin, liet Oldenhof de eis tot schadevergoeding vallen. Mr. Perrin wees Oldenhof erop dat door het ontslag Klunders buren dachten dat hij NSB-er was geweest, wat niet het geval was. Hij werd door hen met de nek aangekeken. Volgens mr. Perrin was het ontslag voor Klunder al voldoende straf. De zuiveringscommissie verzocht zelfs Klunder niet te ontslaan, maar Oldenhof hield op dat punt voet bij stuk.
Ook foute pachters op erven van de gemeente Kampen werden zonder mededogen door Oldenhof aangepakt.
Klachten over Willem van der Drift, de weer in zijn functie herstelde politiecommissaris, werden door Oldenhof traag en weinig serieus afgehandeld.
Op 17 mei 1945 ontving Oldenhof een brief van de Militaire Commissaris uit Zwolle. Daarin wordt de burgemeester aangesproken op de nalatigheid van het stadsbestuur ten aanzien van NSB-kinderen, waarvan de ouders waren gearresteerd. De moeders van de kinderen kregen daarna huisarrest opgelegd, zodat zij de kinderen weer konden verzorgen. Deze moeders moesten toen ook weer hun geconfisqueerde woningen terugkrijgen.
de laatste jaren als burgemeester in Kampen
Een jaar na de oorlog, op 17 april 1946, werden de gevallenen herdacht op initiatief van Oldenhof. Hij riep de café-eigenaren op hun horecagelegenheden om 18.00 uur te sluiten, zodat een stille omgang in alle rust kon plaatsvinden.
Oldenhof bleef nog tot in 1952 burgemeester van Kampen, toen vertrok hij naar Ede. De laatste jaren in Kampen waren geen fijne periode voor hem. Zijn autoritaire wijze van handelen had tot gevolg dat hij steeds meer werd tegengewerkt. Oldenhof werd opgevolgd door Wiert Berghuijs, ook één uit het rijtje van vier dappere ARP-burgemeesters (zie hierboven).
© cultuurZIEN 2025