Johan Boesveld (midden) bij zijn arrestatie op 17 april 1945
Is Boesveld al opgepakt? Het is één van de eerste vragen in een brief van politieman Pieter Kapenga aan zijn vrouw. De brief werd geschreven na de bevrijding van concentratiekamp Dachau, waar Kapenga op dat moment verbleef. Bovendien had Boesveld een leren jas van hem gestolen, die Kapenga graag terug wilde.
Johan Boesveld
De naam Boesveld stamt uit De Graafschap, het aan Duitsland grenzende deel van Overijssel. Johan Boesveld werd op 4 mei 1897 in Brummen geboren als oudste zoon van Derk Boesveld (†1935), metselaar en Hendrika Straalman (†1968). Vanuit Brummen vertrok hij op 31 juli 1918 naar de marechausseekazerne in Den Bosch voor zijn opleiding.
Voormalig marechaussee Boesveld volgde per 1 januari 1943 tijdelijk politiecommissaris Jan de Bruijn op. Daarnaast was hij commandant van de Polderpolitie, een detachement samengesteld uit agenten vanuit het hele land. Zij waren gelegerd in politieposten in de NOP, bijv. bij De Ramspol. Toegang tot de polder had je alleen met een toegangsbewijs van Boesveld, het zgn'' Boesveld-ausweis''. Zijn tractement bedroeg f 3.960,- en daarnaast had hij vrij wonen in Ijsselkade 21 (nu 20), waarvoor zelfs de politieverordening werd aangepast.
Reorganisatie politie 1943
Per 1 jan. 1943 werden de rangen bij het Kamper politiekorps gewijzigd naar militair voorbeeld en de salarissen verbeterd. De commissaris werd opperluitenant, de inspecteur was onderluitenant, de hoofdagenten werden hoofdwachtmeester en de overigen (opper-) wachtmeester. Bij de vernieuwde rangen hoorden bijscholingscursussen, die voor kosten van de gemeente Kampen kwamen.
Boesveld volgde hiermee de veranderingen die in grotere plaatsen in Nederland tot een ‘Staatspolitie’ hadden geleid. Op deze wijze konden nieuw opgeleide agenten instromen. Dit waren politiemannen afkomstig van de politieschool te Schalkhaar, een opleiding van zes maanden onder Duits toezicht, inclusief onderwijs in de nationaalsocialistische leer. Boesveld was daar eerder instructeur geweest. In Kampen namen de nieuwe agenten de plaats in van de eerder vertrokken of geschorste agenten. Boesveld kreeg zo de leiding over een loyaal politiekorps.
Ook wilde Boesveld het aantal cellen in Kpr politiebureau uitbreiden van 4 naar 10.
de ‘onbarmhartige tiran van Kampen’
Opperluitenant Boesveld was overtuigd nationaalsocialist. Hij was niet alleen als functionaris trouw aan de opdrachten van de bezetter, maar handelde ook zelfstandig in diens geest.
Boesveld begon al kort na zijn aanstelling met zijn terreur en intimidatie. Hij hanteerde een schrikbewind, waarvoor hij werd gevreesd en gehaat. Hij verlangde van zijn korps volledige loyaliteit en daarmee onderdanigheid. Steeds meer politiemannen weigeren nog langer aan duistere zaakjes voor de bezetter deel te nemen. Pieter Stavast, Jan Gunnink, Thomas de Boer en Pieter van Dam weigeren de stakende ambtenaren op te pakken. Het resultaat is dat zij samen met de vijf ambtenaren op de trein naar Vught worden gezet. Het is dan 20 febr. 1943.
In maart volgen nog Henk Verheijen, Klaas Marra, Harm Jan Jansen en Chris Jansen. De opengevallen plaatsen werden ingevuld door ''Schalkhaarders''.
Joodse inboedels
Na het gedwongen vertrek van de Joodse bewoners werden hun huizen verzegeld en niet veel later door de politie leeggehaald. Volgens waarnemend burgemeester en NSB-er Roest van Limburg werden de meubels door ‘vakmenschen behoorlijk […] geborgen’. Dit schreef hij aan de commissaris der provincie in april 1943. Dat is vreemd, want Boesveld schreef een dag eerder aan Roest van Limburg, dat bij zijn aantreden op 1 januari 1943 geen sprake was van een ordelijke bewaring. Veel van het meubilair was beschadigd en vernield. De korpschef meldde dat hij de bewaring had verbeterd. In elk geval was daarvoor in november 1942 een overeenkomst gesloten met de firma Jamin, die in Kampen een groot perceel in eigendom had. De meubels konden worden op geslagen in het pand Plantage 4. De gemeente huurde het als pakhuis voor 6 gulden per week. Hier kwam ‘de centrale loods van Joodsche inboedels, Plantage, achter Jamin’, zoals agent J. Gunnink het op een inventarislijst aanduidde.
Afvoeren laatste 4 Joodse inwoners
Verschillende brieven van eind maart en begin april 1943, onder meer van de arts P. Pel, bepleitten vrijstelling van deportatie. Het was Boesveld die een brief liet zenden naar de Sicherheitsdienst dat Sophia Boektje en de anderen niet op transport konden vanwege hun fysieke conditie. Zij waren te zwak. De briefjes zijn bewaard gebleven. Helemaal onbarmhartig bleek Boesveld dus niet. Maar misschien zag hij gewoon niet het nut van de financiele investering in het afvoeren van mensen, die toch al in hun laatste levensfase waren.
In het dag- en nachtregister van de politie in Kampen is te zien dat Wolf van der Hoeden, zelf Joods maar gemengd gehuwd, zaterdagmiddag 10 april 1943 nog een kort gesprek had met korpschef Boesveld. Dit was tevergeefs. Een volgend rapport meldt dat om 17.35 uur het vervoersbedrijf ‘een briefje voor vervoer Joden naar Westerbork’ kwam halen. Mozes van Gelderen (78 jaar), diens echtgenote Froukje Elisabeth van Gelderen-Van Raalte (62 jaar), de bedlegerige Sophia Boektje (57 jaar) en Heintje Vos-Heilbron werden met een ziekenauto naar Westerbork gebracht. Volgens het verslag van Boesveld was het transport ''normaal'' verlopen en hadden zich geen bijzonderheden voorgedaan.
‘artsenstaking’, begin april 1943
De artsenstaking was een protest tegen de verplichte aanmelding bij de Artsenkamer. Dit was een poging van de bezetter om vat op de artsen te krijgen. Uit protest deden de stakers ‘afstand van het beroep van arts’, zoals de opperluitenant Boesveld aan de gewestelijk politie-president te Arnhem schreef. Alle artsen in de gemeente Kampen hadden het woord ‘Arts’ bij hun voordeur of praktijk verwijderd of overgeplakt. ‘Na aanzegging van de politie’ zo meldde Boesveld, hadden zij ‘alles weder in de oude toestand hersteld en oefenen zij thans weder volledig hun practijk uit.’ Het briefje bevatte de namen van de zeven betrokken artsen.
inval bij Marinus Post, 25 op 26 juli 1943
Boesveld viel met zijn getrouwen Spenkelink en Lenselink in de nacht van 25 op 26 juli 1943 de boerderij van Marinus Post aan de Venedijk binnen. Tijdens een vuurgevecht raakte Marinus Post gewond, maar hij wist te ontvluchten. Zijn vrouw Annie en oudste zoon Jan werden wel opgepakt en naar Vught gestuurd. Annie maakte in Vught het bunkerdrama mee en kwam eind 1944 in Ravensbrück terecht. Zoon Jan ging door naar Dachau. Beiden overleefden de oorlog.
Congres in Deventer, 18 aug 1943
Op een congres van politiecommissarissen in Deventer, op 18 augustus 1943, vertelde Boesveld dat er binnen zijn korps een aantal agenten was gearresteerd. Daartoe behoorde ook agent en verzetsman Bokking, die in het bezit bleek van een aantal handgranaten. Volgens Boesveld was één handgranaat voor hem bestemd geweest. Boesveld had nu een plaats opgezocht in het politiebureau, waar hij moeilijk te treffen was. Ook nam hij nooit de zelfde weg naar huis.
inval bij Louwrens van Eekeren aan de Vloeddijk, 23 nov. 1943
Op 23 november volgde de inval bij Louwrens van Eekeren aan de Vloeddijk, waarbij de joden Louis Bromer, Kitty Bromet en Marie Bromet en Mozes Palach werden opgepakt. Alleen van Eekeren overleefde de oorlog.
vertrek Boesveld per 1 aug. 1944
Op 1 januari 1944 bestond het Kamper politiekorps uit 24 personen, die per 1 juli 1944 in nieuwe kleding werden gestoken: er kwam een politie-uniform naar Duits model. Met ingang van1 augustus 1944 werd Boesveld overgeplaatst naar Zaandam. Toch bleef hij zijn woning in Kampen aanhouden, waarvoor nu een huur berekend werd op basis van zijn inkomen.
berechting Boesveld
Na de oorlog is er veel gestolen van NSBers, die geinterneerd zaten. Zo probeerden bij Boesveld enkele jongens de zegels aan het huis te verbreken. Johan Boesveld zelf zat op dat moment in de strafgevangenis van Almelo
Net hersteld van zijn verblijf in Dachau, gaat Pieter Kapenga per 1 nov. 1945 aan de slag bij de POD (Politieke Opsporings Dienst), later bij de PRA (Politieke Recherche Afdeling). Kapenga zet zich in voor de na-oorlogse berechting van de Kamper oorlogsmisdadigers. De medewerkers van de POD / PRA werden nog steeds gekoeieneerd en gemanipuleerd door hun voorm. meerderen: Boesveld, Sandberg, Roest van Limburg en De Bruijn. De resultaten van de berechting waren teleurstellend en moeten tot verbittering hebben geleid bij degene die gedurende de oorlog in verzet kwamen.
Op 21 nov 1947 stond Johan Boesveld voor zijn rechters, waarbij hij zich -zoals gebruikelijk- brutaal gedroeg. Van de 15 aanklachten werden er 12 toegewezen. De belangrijkste daarvan waren:
zich in dienst stellen van de SD
arresteren van Joodse landgenoten op eigen initiatief en in opdracht van de SD ( de dood van 11 mensen werd hem ten laste gelegd)
mishandeling van gevangenen
oppakken van onderduikers op eigen initiatief (Marinus Post). Bij Post had hij samengewerkt met Spenkelink, Lenselink, onderluitenant Jan Bottinga en landwachter Dirk Kwakkel.
bedreiging met doorgeven werkweigering aan SD van agenten J.H. Jansen, Chr. Jansen, K. Marra en W.H. Verheijen. Zij weigerden Joden op te halen en gijzelaars te arresteren.
bedreiging van Kpr ambtenaren, die per brief aan Binnenlandse Zaken protesteerden tegen tewerkstelling in Duitsland
hiernaast: een artikel uit de Nieuwe Apeldoornse Courant van 5 dec 1947
Het bijzondere gerechtshof in Zwolle veroordeelde Boesveld conform de eis tot de doodstraf. Deze straf werd bij het hof in Arnhem in hoger beroep bevestigd. Boesveld was een van de 152 terdoodveroordeelden. Bij Koninklijk Besluit werd zijn straf in 1948 omgezet tot een levenslange gevangenisstraf. Het is aan Pieter Kapenga te danken dat Boesvelds klachten over zijn slechte behandeling in de Harskamp ongegrond worden verklaard. De beschuldiging van Boesveld dat Kapenga partijdig zou zijn, wordt ter zijde geschoven. Boesveld moet daarna zijn levenslange gevangenisstraf uitzitten.
In 1952 schrijft Kapenga op verzoek van politiecommissaris Van der Drift opnieuw een rapport over Boesveld. Aanleiding is een verzoek tot gratie van Boesvelds zieke echtgenote Anna Wagner. Dit keer komt er wel gratie, daarbij voorbijgaand aan de rapportage van Kapenga.
1955, Boesveld komt weer vrij
In 1954 waren er nog 2 gezinnen van NSB-ers die steun kregen, daaronder Boesveld. Op 26 febr. 1955 werd de uitkering aan Boesveld stop gezet. Hij kwam voorwaardelijk vrij en vestigde zich in Kpn. In jan 1960 volgde onvoorwaardelijke vrijheid. Over Boesveld in Kampen na de oorlog vertelt zijn voorm. huurbaas Fre Helleman hier..
Anna Wagner
Anna Wagner was de Duitse echtgenote van Johan Boesveld. Zij werd op 26 mrt 1895 in Sunzhausen geboren als dochter van Magdalena Wagner en een onbekende vader. Anna stierf op 6 aug. 1971 in Kampen.
Wanneer Boesveld zelf is overleden, valt niet te vinden.