Het wegvoeren van het Joodse deel van de Kamper bevolking blijft één van de merkwaardigste episodes uit de Kamper geschiedenis. Dat de Joden zich gedwee lieten afvoeren hoeft niet zo erg te verbazen, want waar moesten zij heen? In vrijwel heel Europa waren zij niet veilig. Onderduiken was duur en velen konden dat helemaal niet betalen. Bovendien werden in de onderduik gezinsleden vaak van elkaar gescheiden en wie garandeerde dat onderduiken goed afliep. Er bestond ook nog geen (landelijke) organisatie voor hulp aan onderduikers. Daarvan kwam het pas toen ook de niet-joodse jongens en mannen gevaar liepen weggevoerd te worden naar Duitsland voor de Arbeitseinsatz.
Merkwaardig is vooral de houding van de overige Kampenaren. Zij vonden het vreselijk, waren tot tranen toe bewogen, maar deden ................... niets. Deze passiviteit staat toch in schril contrast met de vele acties voor de jongens en mannen in de Rijnaken, najaar 1944. Toen waren de Duitsers onder druk van de geallieerde opmars onberekenbaar geworden en hun terreur veel erger en dan twee jaar eerder.
Van enkele Kampenaren zijn oogtuigenverslagen over 17 en 18 november 1942 overgeleverd. We laten hen hieronder aan het woord.
17 november 1942
Gerrit Koekoek in zijn boek ''Het Koekoeknest'' schrijft:
''In het algemeen werden de Joden als gelijkwaardige burgers behandeld. Dit neemt niet weg, dat moeders hun ondeugende kroost soms waarschuwden met de woorden: ''Als je ondeugend bent, groeien er later tien vingers uit het graf!'' Een verwijzing naar de grafstenen op de Joodse begraafplaats, waarop zegenende handen waren uitgebeiteld.
Ik herinner mij een zekere Samuel, hij ging met potten en pannen langs de deuren. Ook na het uitbreken van de oorlog ging hij ermee door. Op zekere dag kwam Samuel niet meer opdagen. Evenals de andere Joden uit Kampen is hij weggevoerd naar de vernietigingskampen in Duitsland. Ook zijn naam staat vermeldt op de steen aan de Synagoge in Kampen.''
Volgens politieman Pieter Kapenga nam de terreur tegen het Joodse volksdeel snel toe na de komst van NSB-burgemeester Sandberg (mei 1942). Tot dan toe werd de naleving van anti-joodse maatregelen (verbod om in parken of openbare gebouwen aanwezig te zijn) door de politie genegeerd. De ''foute'' inspecteur De Bruijn ontpopte zich onder het bewind van Sandberg tot een steeds fellere nazi.
In het boekje ''De grote strijd tussen goed en kwaad'' vertelt Esther Menasse - van Gelderen over de gevolgen van het verplicht dragen van de gele Jodenster: ''Toen in mei de vijfpuntige jodenster verplicht werd gesteld, was er van een gemoedelijke sfeer tussen joden en Kampenaren geen sprake meer. Het kwam voor dat joden op straat uitgescholden werden en joodse winkelruiten sneuvelden. De nieuwe bioscoop in Kampen zat vol als er anti-joodse films op het witte doek vertoond werden.''
Het dragen van de gele ster als ultieme vorm van uitsluiting was ook een vrijbrief voor misdragingen van menige Kampenaar tegen de joodse inwoners.
17 november 1942, rond 19.30 uur, worden Joodse burgers in Kampen uit hun huizen gehaald en onder begeleiding van Kamper politie-agenten ondergebracht in de Buitensociëteit bij het station. De kinderen met een stok in de broek, om te voorkomen dat zij zouden vluchten. Slechts enkele Joden slaagden erin onder te duiken.
Hils Bakker-de Vries, van porseleinwinkel ''De Vries onder de toren'', was die dag jarig. Zij kwam de stoet bepakte en bezakte Joden toevallig tegen op de Stadsbrug, de jongens met een stok in de broek! Hils had haar vriendin, de dochter van stationschef Soetendal, voor acht uur thuis gebracht. ''Och hé dacht ik, nu zijn zij aan de beurt, wat érg! Ik keek ze even na, herkende niemand in ’t donker.
Later verwoordde zij deze vreemde ontmoeting in het volgende gedicht:
DE JODEN OP DE BRUG
17-11-42
Ik kwam ze tegen en ik keek ze na,
de Joden op de brug, belast en beladen,
langzaam voortsjokkend.
En niemand die het toen vermoedde:
ze kwamen nooit terug, die Joden op de brug.
Ik haastte me naar huis, ’t was al bij achten,
en deed mijn verhaal van de Joden op de brug.
En geen van hen kwam ooit weer terug.
Hils Bakker – de Vries
Toelichting:
Van de bezetters mocht niemand na acht uur ’s avonds nog op straat zijn. Er was geen straatverlichting.
Mijn vriendin Greet Soetendal was een dochter van de stationschef; het gezin woonde boven het station.
Een stok in een van de broekspijpen was een middel om wegvluchten te voorkomen (de toepassing op 17 nov. 1942 was ook vernederend, CK)
18 november 1942
De bekende evangeliste Juffrouw Hendriks kreeg toestemming om de Joden te bezoeken en trachtte hen op te beuren, wat maar gedeeltelijk lukte. Zijzelf vertelt hierover:
Op een morgen werd er reeds vroeg door een schreiende mevrouw bij ons gebeld. 'k Deed open en zij vertelde mij: ''O, juffrouw, mijn Joodse buren en alle andere Israëlieten zijn vannacht uit hun huizen weggehaald en naar de Buitensociëteit gebracht om straks op transport gesteld te worden naar een kamp. En zoudt u nu wel naar hen toe willen gaan, om die wanhopigen te troosten?''
Ik schrok geweldig en beloofde naar ze toe te gaan. 'k Had nog enkele eau-de-cologne-flessen die voor zieken bestemd waren, welke ik meenam met Nieuwe Testamentjes en Christelijke lectuur.
Och, wat een zware gang! Bij de IJsselbrug stond het zwart van de mensen. Voor het hek van de Buitensociëteit stond de inspecteur en enkele politie-agenten, die zo wit als een doek waren. 'k Vroeg aan de inspecteur of ik binnen mocht gaan om de Israëlieten, hetgeen ik bij mij had, te geven. Hij stond het toe en wat ik daar binnen zag, zal ik nooit vergeten: wanhopig snikkende mensen, jong en oud, heen en weer lopende in grote angst. Ik zag een tafereel dat in de Bijbel beschreven staat: dat een oude mij zeer welbekende man, als een in barensnood verkerende vrouw, met de handen in de zijden wanhopig heen en weer liep. Vreselijk was de toestand, waarin zij allen verkeerden! Er was een jong, edel meisje bij, dat men had willen redden, maar zij wilde haar lieve oude moeder niet in de steek laten.
Ik gaf ze, wat ik bij mij had, hetgeen ze wel aannamen, met de woorden: ''Och, juffrouw, dat helpt ons niet, dat helpt ons niet!''
Ik schreide even zo hard met de stumpers mee. Ik heb nog met ze kunnen bidden en hen op Jezus Christus gewezen, maar of die woorden tot hen doorgedrongen zijn, betwijfel ik, maar het stelde mij enigszins gerust, dat ik met allen in hun goede dagen over hun Messias gesproken en lectuur daarover gegeven had.
Toen moest ik afscheid nemen, dat mij ontzettend zwaar gevallen is. Het duurde niet zo lang meer of die stakkers werden naar de trein gebracht. Heel velen van de omstanders konden hun tranen niet bedwingen, er was rouw. En men kan zeggen dat die ons allen bekende Israëlieten, die zich altijd in Kampen keurig gedragen hadden, ''niet onbeweend naar het graf gedragen zijn''.
Op de terugweg kwam nog een mevrouw schreiend naar mij toe, die zich belast gevoelde en zei: ''O, juffrouw, wat is dat vreselijk geweest, dat was onze bedoeling niet, heus niet, wij dachten nooit dat zo iets ergs gebeuren kon''.
Ik geloof en ik hoop dat er meer mensen zoals deze mevrouw waren, die met berouw geschreid hebben over dit drama.
Alleen zieke joden en vrijgestelde Joden (4 in totaal) mochten voorlopig nog thuis blijven. Ester Goudsmid-Stibbe bleek niet voljoods te zijn, zij mocht in de nacht terug naar haar huis in de Venestraat. Korte tijd later duikt zij onder en overleeft de oorlog. Ook het echtpaar J. Boektje-Schaap was nog vrijgesteld van deportatie (de beroepsgroep lompen en metalen was nog ''vrij'') en duiken op 1 dec. 1942 onder. Zij werden later toch gearresteerd en vertrokken met het laatste transport uit Westerbork naar Auschwitz. Heintje Vos-Heilbron, hartpatiënte, mag voorlopig in haar huisje aan de Bovennieuwstraat blijven.
Wel opgepakt worden de Joodse vluchtelingen vader Philipp (Buchenwald 19 apr. 1945), moeder Regina (Ravensbrück 15 jan. 1945) en zoon Berthold Siegfried (tussen Flossenburg en Dachau 28 apr. 1945) Hefter. Een van oorsprong Joods-Roemeense familie, die via Berlijn naar Nederland vluchtte. In 1941 werd hen Kampen als woonplaats toegewezen. Daar vonden zij onderdak in de bovenwoning van Geerstraat 25. Vanuit Westerbork naar Duitsland gestuurd en weer teruggekeerd naar Westerbork, aangezien Roemenië een bevriende natie van Duitsland was. Zij hoefden daarom ook geen Jodenster te dragen. Wanneer Roemenië in 1944 ook in oorlog raakt met Duitsland, worden zij alsnog vanuit Westerbork naar Duitsland gezonden en vermoord.
In de ochtend van 18 november stond langs het tweede perron een stoomtrein met oude, hoge coupéwagons gereed voor vertrek.
Cor Diender, de twintigjarige zoon van stationsrestauratiehouder J.A. Diender, kwam die ochtend naar de stationsrestauratie om alles voor die dag klaar te zetten. In het boek ''Weggetjes naar de Vrijheid'', doet hij zijn verhaal:
''Toen ik aankwam vanaf de brug, zag ik dat er iets bijzonders gaande was. Er stond een aantal coupéwagons -bij hoge uitzondering- geparkeerd tot aan de stootblokken. De hoge coupés hinderden de lichtinval in de restauratie. Was het een speciale groepsreis? Maar waarvoor en voor wie?''
Rond 8.00 uur werden alle Joden van de Buitensociëteit naar het station gebracht. De Joden werden met geweld en geschreeuw met hun koffers, tassen en plunjezakken voortgedreven en klommen in de hoge coupés met daarin één of twee Duitsers om vluchten te belemmeren. Gelaten en gedwee ondergingen de Joden hun lot.
Cor Diender: ''Een enorm lawaai van schreeuwen en commanderen doorbrak de stilte. Vlak voor het raam waarachter ik zat te werken, kwamen Duitse militairen -veel militairen, met tussen hen in burgers, Kamper burgers, sterker nog, de Joodse burgers van Kampen. Dan stormt Hendrik de Groot (bijnaam Ennis), die als enige spoorbeambte toezicht op het perron moet houden, de restauratie binnen en roept: ''Corrie, de Joden zijn opgepakt. Zij hebben vannacht in de Buitensociëteit gezeten en hebben niets te eten. Heb jij wat? Kom op Ennis, ik snij het brood, jij doet er boter op, ik het beleg, kaas of wat ik heb en jij een plak roggebrood''. Na elke zeven, acht boterhammen vloog Ennis naar buiten en ging de coupés langs, totdat ............... alles op was ........... totdat klonk: ''Alle einsteigen und abfahren''. Langzaam, heel langzaam reed de trein sissend en stampend om 8.55 uur het station uit richting Westerbork.
De gemeentelijke agenten brachten nadat de trein vertrokken was op commando een afscheidssaluut en op commando rechtsomkeert, waarna ze vertrokken. Opdracht uitgevoerd(!). Daarna was het weer doodstil'' .
© cultuurZIEN 2025