Wie was toch de man, die tijdens de tweede wereldoorlog in Zwolle en Kampen de Vrijmetselaarsloges (en lokale afdelingen van Rotary en Odd Fellows) liquideerde? Iet Erdsieck noemt hem in haar studie een NSB-er, maar dat was hij niet. Mr. Brandsma is een goed voorbeeld van iemand, die er tijdens een bezetting het beste van probeerde te maken door lange tijd op twee paarden te wedden.
Assuerus Wilbertus Everhardus Brandsma (Denekamp 1897-1961 Den Haag)
Assuerus Wilbertus Everhardus Brandsma werd in 1897 in Denekamp geboren. Hij was het tweede kind en de oudste zoon in het gezin van Hendrik Assuerus Brandsma en Euphemia Hendrika Maria Scholten. Zijn vader werkte zich op van landbouwer tot koopman en directeur van de plaatselijke coöperatieve roomboterfabriek in Denekamp.
Op 13-jarige leeftijd ging Assuerus naar kostschool in St. Michielsgestel, een jaar later gevolgd door zijn jongere broer Willibertis Bouwe Maria (Denekamp 1901). Assuerus studeerde rechten en werd advocaat en procureur te Zwolle. Hij trouwde met Katalin Charlotte Klekner, over haar afkomst valt niets te vinden.
Raadslid en wethouder in de jaren 1930
In de jaren 1930 was mr. Brandsma in Zwolle raadslid en vanaf 1935 wethouder namens de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), dé partij voor alle katholieken en voorloper van de KVP (in 1980 opgegaan in het CDA). Net als veel jongeren binnen de RKSP was hij gecharmeerd van de fascistische ideologie. Van zijn hand verschenen in 1933 en 1934 een drietal artikelen in het katholieke blad ''De Roeping''. Daaruit blijkt dat hij het fascisme waardevoller vond dan het liberalisme, communisme en socialisme. Volgens hem toonden de communistische- en socialistische partijen te weinig verantwoordelijkheidsbesef in de politiek en fixeerden zij zich te veel op groepsbelangen. In de visie van mr. Brandsma zou het algemene volksbelang voorop moeten staan. In het fascisme sprak hem de opvoeding tot tucht, orde en plichtsbesef aan. Ook het inperken van de vrijheid van politieke organisaties en het beperken van het agiteren tegen het regeringsbeleid, zodat er snel gehandeld kon worden zonder al te veel parlementaire rompslomp, zag hij als een voordeel. Toch had mr. Brandsma ook zo zijn twijfels over het fascisme. Voordelen van de parlementaire democratie waren een grotere invloed van het volk op de regering en een betere belangenafweging. Het herzien van het parlementaire stelsel had daarom zijn voorkeur boven invoeren van het fascisme.
Aan het einde van de jaren 1930 verschenen twee publicaties van zijn hand in regionale dagbladen, waarin mr. Brandsma zich negatief uitliet over de machtspolitiek van nazi-Duitsland.
Radiotoespraak door de Zwolse burgemeester Van Walsum, 15 mei 1940
De Zwolse burgemeester was -zoals zo velen- ontgoocheld door het vertrek van de koningin naar Engeland. Van Walsum was één van de weinigen die zich hierover in het openbaar uitsprak. Men zweeg liever, dan de bezetter in de kaart te spelen. Door ingrijpen van wethouder mr. Brandsma en mede-RKSPlid en commissaris van de Koningin Eppo Alexander baron Van Voorst tot Voorst, werd voorkomen dat de toespraak van Van Walsum via publicatie in kranten verder werd verspreid.
Op 2 juni 1940 werd de Zwolse burgemeester ontslagen en vervangen door de jonge en partijloze jonkheer mr. Maurits Pieter Marie van Karnebeek. Van Karnebeek voldeed aan de eisen van bestuurskwaliteiten, standing, algemene ontwikkeling en financiële welstand. Hij werd op 16 september 1940 benoemd. Van Karnebeek beschouwde zijn benoeming als een plicht aan het vaderland, waaraan hij zich niet mocht onttrekken.
Werken in Duitsland
Mr Brandsma was bij het uitbreken van de oorlog wethouder van arbeidsbemiddeling en werkloosheidsverzekering, maatschappelijk hulpbetoon en de gezondheidszorg. Begin juli 1940 besloot het Zwolse college van B&W mee te werken aan het uitzenden van arbeiders naar Duitsland op vrijwillige basis. Daartoe werd op 4 juli in de Buitensociëteit een bijeenkomst belegd, waarop zo'n 300 Zwolse werklozen afkwamen. Een aantal van hen vertrok al op 9 juli naar Duitsland. Toch leek de gemeente Zwolle niet onverdeeld enthousiast over het sturen van werklozen naar werkverschaffingsprojecten in Duitsland. Volgens het toenmalige hoofd Arbeidsbemiddeling en Werkverschaffing wilde mr. Brandsma het tewerkstellen in Duitsland zo veel mogelijk tegenwerken in belang van de Zwolse ingezetenen. Toen Zwolle het verzoek kreeg om 300 jonge, geschoolde arbeiders te werven voor een fabriek bij Maagdenburg, stelde het Zwolse college aan de Rijksdienst voor de Werkverruiming de vraag ''of steuntrekkers en zij die bij de werkverruiming te werk zijn gesteld op een lijn moeten worden gesteld' bij plaatsing in Duitsland. Van de 300 gevraagde arbeiders had Zwolle er slechts 200 beschikbaar, maar die werkten veelal in de werkverruiming. Als zij naar Duitsland gingen bleven de al gestarte projecten liggen, terwijl elders in het land steuntrekkers werkloos bleven. Het was een poging om Zwollenaren in de werkverschaffing te behoeden voor uitzending naar Duitsland. Het aantal mensen in de werkverschaffing steeg daarop in enkele maanden snel.
Reis naar de 'Hermann Göring-Werke'
Mr. Brandsma reisde op 6 september 1940 met een nieuwe groep Zwolse werklozen mee naar Duitsland om zich op de hoogte te stellen van de situatie daar. In drie dagen tijd bezocht hij de Reichswerke Aktiengesellschaft für Erzbergbau und Eisenhüten 'Hermann Göring' te Watenstedt bij Braunschweig. Na terugkomst schreef hij voor B&W een rapport over zijn bezoek. Daarin was hij over het algemeen positief, maar aan een betere verstandhouding tussen Nederlandse arbeiders en Duitse werkleiding moest gewerkt worden. Concluderend stelde mr. Brandsma dat ''door samenwerking veel goeds tot stand gebracht kan worden in het welbegrepen eigenbelang van alle betrokkenen''. Hoewel het college van B&W waardering had voor het bezoek van mr. Brandsma aan Duitsland, zweeg het over zijn rapport.
Liquidatie Overijsselse Vrijmetselaarsloges, september 1940
Mr. Brandsma kreeg in september 1940 de taak om de Overijsselse Vrijmetselaarsloges te ontmantelen. De Loges waren door de Duitsers verboden. Als katholiek stond mr. Brandsma afwijzend tegenover de Vrijmetselarij. Tijdens de veiling van de in beslag genomen goederen van de Odd Fellows en de Zwolse Loge kocht de NSB voor f 111,- aan meubels. In januari 1941 ontving mr. Brandsma een vergoeding van f 100,-. Voor de resterende f 11,- kreeg hij een donateurskaart van de NSB. Daarna bezocht hij een enkele keer een NSBbijeenkomst.
Invoering leidersprincipe bij gemeentebesturen, 1 september 1941
De Verordening I52/1941 hield in dat de taak van de gemeenteraad en het college van B&W vanaf 1 september 1941 werd waargenomen door de burgemeester. Deze diende als een sterke leider op te treden. Zonder raad vervielen de raadscommissies; wethouders werden gedegradeerd tot vertegenwoordigers van de burgemeester. De macht van de burgemeester nam flink toe, maar de commissaris van de provincie (vervanger van de commissaris der koningin) kreeg het laatste woord over de besluiten van de burgemeester. De meeste wethouders hadden geen zin in het wethouderschap-nieuwe stijl, alleen mr. Brandsma liet aan burgemeester Van Karnebeek weten een benoeming als wethouder-nieuwe stijl in overweging te willen nemen.
Sympathisant van de NSB, januari 1941-januari 1943
Als sympathisant van de NSB was hij begin 1941 donateur geworden van de beweging (zie hierboven). Mr. Brandsma liet zich het donateurschap van de NSB welgevallen om -zoals hij na de oorlog verantwoorde- 'introductie te hebben, vertrouwen te wekken bij de bezettingsautoriteiten, om iets voor anderen te kunnen bereiken'. Volgens hogere Zwolse ambtenaren was mr. Brandsma aanvankelijk onder de indruk van het Duitse overwicht, maar ontwikkelde zijn houding zich gedurende de bezetting naar anti-Duits. Toen vanaf januari 1943 de mogelijkheid van een donateurschap van de NSB verviel en men lid moest worden van de beweging, bedankte mr. Brandsma.
Lid van het Rechtsfront, april 1942
In april 1942 werd mr. Brandsma lid van het Rechtsfront, een nationaal-socialistische koepelorganisatie voor betrokkenen bij de rechtsvinding, rechtstoepassing en rechtshandhaving, opgericht op 12 augustus 1940. Met dit lidmaatschap beoogde hij iets te kunnen doen voor zijn neef prof. Dr. Titus Brandsma. Anno Sjoerds Brandsma/Pater Titus was op 19 januari 1942 gearresteerd door de SD en beschuldigd van sabotage-activiteiten. Twee bezoeken van mr. Brandsma aan de SD in Den Haag hadden geen enkel resultaat, waarna hij voor het lidmaatschap van het Rechtsfront bedankte.
Burgemeester van Karnebeek en wethouder Brandsma duiken onder, september 1944
Terwijl Zuid-Nederland al was bevrijd, werd de situatie in het nog bezette deel boven de grote rivieren steeds grimmiger. Grote getalen Nederlanders werden verplicht ingezet bij het graven van verdedigingslinies voor de Duitsers. Op 13 september 1944 eisten de Duitsers 700 Zwolse mannen, tussen 17 en 55 jaar, om voor hen verdedigingslinies langs de Ijssel te graven. De Nederlandse regering in ballingschap had via radio Oranje opgeroepen geen mannen te leveren voor graafwerkzaamheden. De Zwolse burgemeester Van Karnebeek voelde zich zó klem gezet, dat hij per direct onderdook op 13 september. Voor vertrek stelde hij wethouder mr. Brandsma en waarnemend-gemeentesecretaris Van Kleffens op de hoogte van zijn besluit. Mr. Brandsma, die Van Karnebeek zou moeten vervangen, schrok zo van diens besluit dat ook hij wilde verdwijnen. Om te voorkomen dat er een fanatieke NSBer aan het bewind zou komen, stelde mr. Brandsma collega-wethouder Nantko Schansema, een NSBer, als waarnemend burgemeester aan. De volgende dag, 14 september, dook mr. Brandsma onder bij familie in Friesland.
Mr. Brandsma terug als waarnemend burgemeester, 21 september 1944
Op verzoek van waarnemend-gemeentesecretaris Kleffens keerde mr. Brandsma al op 21 september terug in Zwolle om het burgemeesterschap weer op zich te nemen. Doordat steeds slechts een klein aantal mannen opkwam om te graven, raakte het geduld van de Duitse bezetter met de Zwollenaren op. Op 23 september dreigden zij met een beschieting van de stad als niet de gevraagde 500 mannen kwamen opdagen. Wat de bezetter ook deed, de Zwolse mannen kwamen niet in voldoende aantallen opdraven voor graafwerkzaamheden aan de Ijssellinie. Op 6 november verlangden de Duitse autoriteiten daarom een opgave per gezin om zo aan 3000 gravers te komen. Mr. Brandsma wilde hieraan niet meewerken en liet zich wegens lichamelijke klachten ongeschikt verklaren voor zijn werk. Daarop werd een NSBer van buiten de gemeente als burgemeester van Zwolle aangesteld.
Schorsing na de oorlog, 14 april 1945
Mr. Brandsma werd op 14 april 1945 geschorst als wethouder van Zwolle, wat op 23 april werd afgekondigd door het Militair Gezag. Hij werd gevangengezet op verdenking van betrokkenheid bij de financiële liquidatie van enkele Overijsselse Vrijmetselaarsloges in opdracht van de Duitsers. Na een lang proces werd de voormalige wethouder in oktober 1947 veroordeeld tot verbeurdverklaring van een deel van zijn vermogen en hij verloor het recht zich verkiesbaar te mogen stellen bij wettelijke verkiezingen.
© cultuurZIEN 2025