Op 21 juni 2025 was er weer eens sprake van een hittegolf in Nederland. Het is tot ver in de avond was het tropisch warm. De wandeling werd daarom verplaatst naar de avond en ingekort. Een 8-tal deelnemers had de moed om de hitte te trotseren voor een stadswandeling over de tweede wereldoorlog.
startpunt: plein bij de Buitenkerk,
waar de bevrijding van Kampen werd gememoreerd, zoals deze door Mannus Koers beschreven werd. In de beschrijving van Mannus vallen twee zaken op:
1. om 07.00 uur reed er een man in het uniform van het Leger des Heils door de Kerkstraat, die luid verkondigde dat Kampen bevrijd was. Het Leger des Heils behoorde tot de eerste organisaties die door de Duitsers werden verboden, want Engels van oorsprong. Iemand had dus 5 jaar lang zijn uniform bewaard en gebruikte dit om de bevrijding van Kampen bekend te maken.
2. staande in de deuropening vloog er iets rakelings langs Mannus' hoofd. Het raakte de deurpost en viel daarna op straat. Het bleek een nog nagloeiende scherf van een in de lucht ontplofte granaat te zijn. Eén van de gevaarlijkste momenten tijdens een oorlog is het machtsvacuüm tussen -in dit geval- bezetting en bevrijding. Op 17 april waren de Duitsers al uit Kampen vertrokken, maar zij vuurden vanaf Wittenstein in Kamperveen op de Canadezen in Ijsselmuiden (bevrijd op 14 april). Het maakt de angst van de Kpnaren begrijpelijk over een mogelijke terugkeer van de Duitsers. De feestvierende en vlaggende Kpnaren haalden op basis van dit gerucht gauw hun vlaggen weer binnen. Maar de Duitsers kwamen niet terug.
Oudestraat, Van Heutszkazerne:
De Van Heutszkazerne tijdens wo2 is een hoofdstuk op zich. Dit verhaal beperkt zich tot de periode na de bevrijding van Kpn, toen in de Van Heutszkazerne NSB-ers en andere handlangers van de bezetter werden vastgehouden. Dat gold ook voor iedereen, die uit Duitsland terugkwam. Doodsbang dat foute elementen aan hun straf zouden ontkomen, werd iedereen hier geïnterneerd. Tenzij iemand met gezag je herkende en zei dat het goed was, zoals Pieter Kapinga en Hannie van Helden overkwam.
Minder geluk had Albert van Dijk, een braniejochie uit de Paralleldwarsstraat, die met buurtjongens allerlei kleine verzetsdaden uithaalde op het niveau van kattenkwaad. Toen er weer eens door de Jeugdstorm door Kpn werd gemarcheerd werd de groep van Albert uitgedaagd door Jeugdstormers, wat resulteerde in vechtpartijen. Albert werd opgepakt en belandde in Duitsland en daar uiteindelijk in Mittelbau-Dora. Mittelbau-Dora was een in de bergen uitgehaket raketfabriek van Werner von Braun, waar de V1's en V2''s werden gebouwd. Ook de gevangenen verbleven de eerste periode in de bergen, zonder licht en zonder frisse lucht. Eigenlijk overleefde niemand een verblijf in Mittelbau-Dora. Dat Albert het wel kon navertellen, was te danken aan de communisten, die hem aan een administratief baantje hielpen. Hij moest iedere dag noteren wie er was overleden.
Wanneer Albert uit Duitsland terugkomt, wordt hij eerst opgesloten in de Van Heutszkazerne, tussen de NSBers en andere foute Nederlanders. Hij zou immers wel eens vrijwillig naar Duitsland kunnen zijn gegaan. Als Albert dan na enkele dagen wel naar huis mag, dan komt vrijwel direct de ouderling op bezoek. Die vraagt hem bij welke kerk hij nu eigenlijk hoorde, er had in 1944 een kerkscheuring plaatsgevonden in Kpn. Volgens Albert was de stemming in Kpn vooral dat de Kampenaren zo geleden hadden en interesse voor zijn verhaal was er nauwelijks.
Albert van Dijk kon weer aan het werk bij zijn voorm. werkgever, de RIJP en trouwde vrij snel. Hij koos er voor om zich met zijn gezin in Wieringermeer te vestigen. Pas na zij pensionering kwam hij terug naar Kpn. Zijn hele leven lang, hij overleed op hoge leeftijd in 2021, heeft hij last gehad van oorlogstrauma's. Zo erg, dat zelfs zijn oudste kinderen als oorlogsslachtoffers erkent zijn. Meer lezen over Albert van Dijk kan in de Kpr Almanak 2007.
Ijsselkade 62: het woonhuis van ds. Bavinck
De familie Bavinck woonde in de oorlog op nr 62, met op nr 63 NSB-burgemeester Sandberg, voor hen lagen de schepen van de Du waterpolitie aan de kade en in de Van Heutszkazerne Duitse millitairen. Het oude Concordia, twee huizen verder stroomopwaarts, was bij de Du millltairen in gebruik als millitair tehuis (ontspanningsruimte). Ook kreeg de familie Bavinck een tijdje een hoge SS-officier ingekwartierd.
Op wo. 25 febr 1942 moest ds. Bavinck zich melden bij het Huis van Bewaring in Arnhem, een beruchte Sicherheitsdienstlocatie. Bavinck had in de kerk gebeden voor de koningin en voor '' de verlossing van den druk waaronder ons volk gebukt gaat''. Daarover was geklikt. Thuis in Kpn verkeerde zijn gezin wekenlang in onzekerheid over zijn lot: naar Duitsland of doodgeschoten? Het kwam hem op 9 maanden in kamp Amersfoort te staan (febr.-okt 1942), waar Mannus Koers toen ook verbleef. In okt 1942 kwam ds Bavinck weer thuis uit kamp Amersfoort: kaal geschoren en broodmager. Zijn 9-jarige zoon herkende hem niet eens meer.
Hoe kon iemand in een paar maanden tijd zo veranderen? Dat vertelt Mannus Koers ons. Mannus Koers was in 1942 met een groep marechaussee in kamp Amersfoort terechtgekomen, wegens het zingen van ''vaderlandse liederen'' tijdens een mars. Hij schrijft het volgende over zijn kennismaking met kamp Amersfoort, het is midden in de nacht:
''Een Duitse soldaat bracht mij naar een houten barak en opende de deur .............. bij een zwak licht in de barak zag ik een groot aantal gevangenen op hun kribben liggen, tot twee of drie hoog. Ik zag al die kale hoofden en uitgeteerde gezichten, waarin holle ogen mij weemoedig aanstaarden. Een gevoel van ontzetting maakte zich van mij meester. Dit kon niet bestaan! Eén van de gevangenen, de Stube-älteste, bracht mij naar een lege krib, vrijwel in het midden van de barak. Uitkleden was zinloos, want er was geen deken. Pas de volgende ochtend bij daglicht zag ik hoe allersmerigst de matras was.
Veel gevangenen liepen voortdurend heen-weer naar het toilet, sommigen moesten daarbij door hun medegevangenen worden ondersteund. Later werd duidelijk dat veel gevangenen blaasontsteking hadden. De wc werd de gehele nacht doorgetrokken. Ik deed die nacht geen oog dicht. Ik dacht in het voorportaal van de hel te zijn beland.
Ik en mijn mede-marechaussee werden naar de zgn ''Bekleidungskammer'' gebracht. We moesten ons helemaal uitkleden en kregen verkleurde, gescheurde en gerafelde vodden als hemd en onderbroek. Vervolgens werden een oud Nederlands legeruniform en een paar klompen uitgereikt. Na afloop ruilden wij van klompen, zodat we een ongeveer passende maat hadden.Verder was het uniform voorzien van een rode driehoek, wat betekende dat wij voor politieke misdaden gevangen zaten (de zwart handelaren hadden een zwarte driehoek en de Jehova's een paarse, de Joden droegen hun gele Jodenster).
Na ''gekleed'' te zijn werden we naar de kapper gebracht die ons kaal scheerde. We ondergingen dit als een grote vernedering. Volgens de Duitsers was het een hygiënische maatregel tegen de luizen, wat ook klopte, maar het had ook een nadelige psychologische uitwerking.
Daarna volgde een exercitieles van een ''Blockälteste'', die ons Duitse commando's bijbracht. Dit ritueel ondergingen alle gevangenen na binnenkomst.
Na het exerceren moesten wij met 16 man een grote zware wals trekken om een met sintels bezaaid exercitieveld plat te walsen. We moesten daarbij steeds vlugger lopen. Behalve het gekrijs van de commando's, spoorde de dreigend opgeheven zweep van de bewaker ons aan. Na enkele dagen waren wij zichtbaar fysiek en psychologisch helemaal op. In feite was dit bedoeld om ons uit te putten en weer te vernederen. Het doel was om ons klein te krijgen.
Na deze ''scholing', werden we ingedeeld bij ''Arbeitscommando's''. Het werk varieerde van zware, minder zware en lichte werkzaamheden. Ik werd ingedeeld bij het commando dat aan de ''Schiessbahn'' moest werken, dat was zwaar werk. Wat ik toen nog niet wist was dat deze ''Schiessbahn'' een fusilladeplaats was.
Bovendien kreeg ik vrijwel niet te eten. 's Ochtends een hompje brood voor de gehele dag en 's avonds ½ tot ¾ liter ''Kohlsuppe''. Vast voedsel was er niet.
Bij mijn gevangenneming was ik pas 22 jaar oud en woog ik 80 kg., toen ik 2 mnd later vertrok nog 45 kg..''
In 1944 vertrok ds. Bavinck met zijn gezin naar Voorburg, waar zij de hongerwinter met al zijn verschrikkingen meemaakten.
Via Ijsselkade 57 naar Ijsselkade 54, adressen van NSB-politiecomm. Johan Boesveld na de oorlog:
Aan burgm. Sandberg werd aangeraden om opperluitenant bij de politie Boesveld tot politiecommisaris in Kpn te benoemen. Boesveld werkte op dat moment bij het Politie-opleidingen Bataljon te Schalkhaar. De opleiding in Schalkhaar hersenspoelde de politiemensen tot nationaal-socialisten. Boesveld was een harde en geslepen man en waarschijnlijk een psychopaat. Hij had geen enkel vertrouwen in zijn personeel, maar als politieman was hij erg goed. Van 1 jan.1943 – 7 aug. 1944 was Boesveld werkzaam voor de politie in Kpn. In die periode woonde hij aan de Ijsselkade op nr 21, nadat de Duitse waterpolitie was verhuisd naar nr 36. Na de bevrijding van Kpn is er heel veel gestolen van NSB-ers, die toen geïnterneerd zaten in o.a. de Van Heutskazerne. Er is toen ook geprobeerd om in het huis van Boesveld te komen.
Boesveld zelf kreeg aanvankelijk de doodstraf, wat werd omgezet in levenslang. Dat levenslang duurde tot 26/2/1955, toen Boesveld uit detentie werd ontslagen. De financiële steun (bijstand) aan (mevr?) Boesveld ten laste van de gemeente Kpn, houdt op deze datum op. Boesveld komt daarna terug naar Kpn en .....vestigde zich weer aan de Ijsselkade. Nu op nr 54, in een ander pand van de gemeente.
De gemeente Kpn had de panden Ijsselkade 53/54 aangekocht om te slopen i.v.m een nieuw te bouwen stadsbrug ter hoogte van de Marktgang, die zou aansluiten op een brede uitvalsweg richting de Flevopolder (nu Meeuwenplein en Flevoweg). De panden werden niet onderhouden. Boesveld met zijn vrouw woonden boven en een ander NSB-echtpaar beneden. Zij deelden een lekkende wc op de binnenplaats. Als Boesveld naar de wc moest, dan moest dat via het huis van de onderbuurman. De echtparen konden niet met elkaar overweg.
Toen de plannen voor sloop niet doorgingen, werden de twee huizen, met daarin de NSB-ers, verkocht aan de firma Helleman aan de Oudestraat. Zo werd Fré Helleman de huisbaas van Boesveld en zijn vrouw. De huur werd iedere maand keurig betaald. Het enige wat Fré weet, is dat Boesveld in zijn onderhoud voorzag door het maken van leren voetballen, die sportwinkel Sporeha van hem afnam. Dit verhaal over de leren voetballen wordt tijdens de stadswandeling door Albert Mooiweer bevestigd. Hij leerde Boesveld kennen toen hij 16 jr was. Toen woonde het echtpaar Boesveld enkele huizen verder op, in Ijsselkade nr. 57. Boesveld zelf was voortdurend in de weer met het maken van leren voetballen.
Anna Wagner, de vrouw van Boesveld, overleed in 1971. Zij wordt door Fré omschreven als buitengewoon aardig, maar erg eenzaam. Over Boesveld zelf valt niets te vinden.
Oudestraat 160 woonhuis en manufacturenzaak familie Eshuis (nu pannenkoekenhuis Holland):
Arend Eshuis en Anna Stutvoet waren in 1921 getrouwd. Er kwamen 5 dochters en een zoon. Tijdens de oorlog regelde het echtpaar Eshuis zeker 15 onderduikadressen voor joodse Nederlanders. Ook zelf hadden zij ondergedoken Joden in huis. Op 30 oktober 1943 valt de politie binnen en neemt de drie ondergedoken mensen mee. Arend Eshuis is zelf niet thuis. De 2 Joodse onderduikers, Sophie Anna Dreesde en Emanuel Andriesse, komen via Westerbork in Auschwitz-Birkemau terecht en komen daar om, 42 en 30 jaar oud. De derde onderduiker, Adrianus Cornelis Mendel, was niet Joods. Hij is waarschijnlijk vrijgelaten. Een jaar later wordt hij opgepakt bij de razzia in Putten. Samen met 658 andere Puttenaren komt hij in kamp Amersfoort terecht. Vandaar gaat het naar Neuengammen, waar de groep verdeeld wordt over enkele buitenkampen. Adrianus komt terecht in kamp Aurich-Engerhafe en sterft daar op 36 jarige leeftijd. Een vierde Joodse onderduiker wordt ongemoeid gelaten, omdat men denkt dat hij de zoon van het echtpaar Eshuis is. Hij wordt nog dezelfde dag door de ondergrondse elders ondergebracht.
Op 23 nov 1943 wordt weer een onderduikadres in Kpn opgerold. Daarbij valt de naam van Arend Eshuis als ''bemiddelaar voor Joden''. Arend wordt dan wel opgepakt en overgebracht naar het Huis van Bewaring in Arnhem, vandaar in jan '44 naar kamp Amersfoort (van Mannus Koers weten we inmiddels hoe ''de ontvangst'' daar was) en in okt '44 naar Zwolle voor graafwerkzaamheden. Eshuis weet te ontsnappen en duikt tot aan de bevrijding van Kpn onder ................... in zijn eigen huis.
Vloeddijk 84, huisschilder van Eekeren en 4 Joodse onderduikers
Mozes Pach (A'dam 1897) zat met zijn vrouw Maria Pach – Bromet (A'dam 1902), zwager Louis Bromet en diens dochter Kitty Bromet ondergedoken in Kampen bij de familie Van Eekeren, Vloeddijk 84. Op 23 november 1943 zijn zij door de politie op genoemd adres gearresteerd en op 24 november 1943 overgebracht naar het Huis van Bewaring in Arnhem. Van daaruit zijn ze alle vier op 2 december 1943 overgebracht naar Kamp Westerbork en uiteindelijk zijn Mozes, Maria, Louis en Kitty op 25 januari 1944 gedeporteerd naar Auschwitz – Birkenau, waar zij werden vermoord. Dit is het onderduikadres waar de naam van Arend Eshuis viel als ''bemiddelaar voor Joden''.
Burgwalstraat 19/hoek Boven Nieuwsstraat : Padvinderij→Nederlandse Unie/Geleidehuis Rode Kruis →Jeugdstorm?
Van oudsher huis 't Melkmeisje met -vroeger- een pothuis langs de Boven Nieuwstraat. In de jaren voor de oorlog was dit pand het ontmoetingshonk van de lokale padvinderij. Op 29 aug 1940 werd de padvinderij opgeheven, want van oorsprong een Engelse organisatie.
In haar korte bestaan (juli 1940- najaar 1941) was hier het onderkomen van de Kpr afd van de Nederlandse Unie. Opgericht door drie vooraanstaande Nederlandse bestuurders, om te voorzien in een alternatief voor de NSB.
Ook de Begeleidingsdienst van het Rode Kruis in Kpn had haar onderkomen in dit pand. In een stad zonder straatverlichting en met de ramen van de huizen zorgvuldig verduisterd, is het aardedonker. In het donker kon je letterlijk geen hand voor ogen zien, je hoorde iemand aankomen. Onder deze omstandigheden raakte nogal eens iemand te water. Vandaar dat het Rode Kruis voorzag in een begeleidingsdienst, die vrouwen, meisjes en bejaarden in het donker escorteerde.
Het blijft onduidelijk of de Jeugdstorm in de eerste periode ook gebruik maakte van Burgwalstraat 19.
De volgende oorlogswandeling is op za. 25 oktober, 14.00 uur en gaat over ''Joods leven in Kampen'', in de 19e en 20e eeuw.
© cultuurZIEN 2025