Uit één van de ledenlijsten van de Kamper NSB blijkt dat er 33 gemeente-ambtenaren lid waren van de partij. Daarvan hadden zes ambtenaren een ''hogere'' en invloedrijke functie. Eén van deze zes was de directeur van gemeentewerken, August Eduard Roest van Limburg.
August Eduard Roest van Limburg (Rotterdam 1890-1975 Kampen)
August Eduard Roest van Limburg was de oudste van drie zonen van een legerofficier. Later maakte zijn vader de overstap naar de functie van hoofdcommissaris van politie, eerst in Rotterdam en vervolgens in Amsterdam. Eduard August werd opgeleid aan de KMA in Breda. Vanaf 1920 tot zijn ontslag in 1945 was Roest van Limburg werkzaam als directeur van gemeentewerken in Kampen. In Kampen trouwde hij in 1923 met Gabriele Altona, een gescheiden vrouw met Duitse voorouders. Zij bracht een dochter uit haar eerste huwelijk mee, samen kreeg het stel ook een dochter. Het salaris van Roest van Limburg bedroeg in de jaren 1940 f 6.200, -. Het gezin was remonstrants, woonde aan de Vloeddijk en bezat een buiten bij Epe.
waarnemend burgemeester van Kampen, van 6 november 1942 tot 14 september 1943
August Eduard Roest van Limburg behoort tot de drie ambtenaren, die al jaren in dienst van de gemeente Kampen waren, toen zij toetraden tot de NSB. Toen NSB-burgemeester Sandberg eind oktober 1942 naar het Oostfront vertrok, werd Roest van Limburg waarnemend burgemeester van Kampen. Zijn salaris als hoofd van de afdeling gemeentewerken werd gewoon doorbetaald. Daar bovenop kreeg hij een toelage van 50% van het minimumloon van Sandberg. Ook Sandberg kreeg tijdens zijn periode van afwezigheid (30/10/1942 tot 1/10/1943) zijn loon doorbetaald. Het is de gemeente Kampen (= de Kamper burgers) die voor deze riante onkostenvergoedingen opdraaide.
Tijdens het waarnemend burgemeesterschap van Roest van Limburg werden de regenten van het weeshuis vervangen door NSBers.
Onder Roest van Limburg werd het Kamper politiekorps gereorganiseerd. Er kwamen nieuwe rangen en een andere invulling van banen. Agenten moesten extra opleidingen volgen en er kwam personeel bij. Zo moest er voorzien worden in een klerk die het Duits foutloos beheerste. Ook deze kosten drukten op de financiën van de gemeente Kampen.
Roest van Limburg was ook brandweercommandant. Tijdens zijn waarnemend burgemeesterschap zorgde hij voor de aanschaf van twee automobielen voor de brandweer.
Als waarnemend burgemeester werkte Roest van Limburg mee aan het breken van de april-meistaking in 1943.
Onder verantwoordelijkheid van Roest van Limburg werden de joodse inwoners van Kampen door de politie van huis gehaald en overgedragen aan commandant Gemmeker van kamp Westerbork.
Onder leiding van Roest van Limburg werden er razzia's georganiseerd, werden namen van verzetsmensen doorgegeven aan de SD en hun huizen gevorderd.
na terugkeer Sandberg
Toen NSB-burgemeester Sandberg in september 1944 verkondigde wel 2000 gravers voor de Wehrmacht te kunnen leveren, ging dit ook Roest van Limburg veel te ver. Dit aantal stond in geen verhouding tot het aantal ingezetenen van de stad (ruim 32.000).
internering
Na de bevrijding van Kampen, op 17 april 1945, werd Roest van Limburg geinterneerd in de Van Heutzkazerne. In 1946 werd hij overgeplaatst naar het Centraal Bewarings- en Verblijfkamp ''Wezep''. Daar kreeg hij te horen dat hij ontslagen was. Tijdens zijn verhoren toonde Roest van Limburg spijt. In 1947 werd tegen hem 8 jaar gevangenistraf geeist, het werd -waarschijnlijk- zes jaar. Deze bracht hij door in de Rijksinrichting Veenhuizen. Bijkomende straffen waren dat Roest van Limburg nooit meer een openbaar ambt mocht bekleden en ontzetting uit het kiesrecht.
geen pensioen
In 1952, waarschijnlijk was Roest van Limburg weer vrij man, diende hij een aanvraag in om recht te krijgen op zijn uitgestelde pensioen. Aan politie-agent Pieter Kapenga de taak een rapport op te stellen over Roest van Limburg. Daarin deed Kapenga nog eens verslag van de foute keuzes van Roest van Limburg. Daar tegenover stond dat Roest van Limburg een bekwame directeur van gemeentewerken was geweest en gezien was onder zijn personeel. De man was een humaan mens, die probeerde zijn personeel te behoeden voor krijgsgevangenschap, de Arbeitseinsatz en graafwerk voor de Wehrmacht.
Volgens Pieter Kapenga was het foute gedrag van Roest van Limburg vooral te wijten aan zijn vrouw, die een fervente nazi was.
Uit een toegevoegd verhaal van wethouder Dirk van Dijk blijkt dat Roest van Limburg zijn straf als verdiend had aanvaard.
Het verzoek om recht op zijn uitgestelde pensioen werd afgewezen, vanwege de houding van zijn vrouw tijdens de bezetting.
Gabriele Altona (Rotterdam 1886-1970 ?)
Over Gabriele Altona, echtgenote van August Eduard Roest van Limburg, wordt vooral gezwegen. Dokter Kolff zei over Gabriele dat ''zij door haar intrigerende, stokende en insinuerende houding de motor is geweest van menige ellende die over Kampen is gekomen'' en dat zij in het Stadsziekenhuis voor de Duitsers spioneerde. Naar Kolffs mening moest zij doodgeschoten worden.
Dat gebeurde niet, zij kwam al vrij snel vrij. Nadat ook haar man was vrijgesteld, bestookte zij burgemeester Oldenhof en politiecommissaris Van der Drift met briefjes, waarin zij een bedrag van f 43,95 vergoeding eiste voor het opknappen van een schrijfmachine. Deze schrijfmachine was in bruikleen bij de politie geweest, daar afgeragd, maar inmiddels aan haar man teruggegeven. Deze eis werd voor kennisgeving aangenomen.
Gabriele Altona was de jongste van drie kinderen in het gezin van de Rotterdamse koopman Reinder Jurjen Altona en Gabriële Marie Sophie Dahl. Moeder Gabriële was een Duitse van Noorse komaf (Bergen), zij overleed in 1941 in Kampen. Dochter Gabriele trouwde in 1908 met baron Edmund Hugo Speth von Schülzburg. Het echtpaar kreeg een dochter, Gabriële Clara (Yella), en scheidde in 1921. In 1923 trouwde Gabriele barones Von Speth-Schülzburg- Altona met August Eduard Roest van Limburg, hij was 33 jaar en zij 37 jaar oud. Samen kregen zij een dochter: Theodora Jacoba.
August Eduard Roest van Limburg kwam er na de oorlog, gezien zijn staat van dienst, nogal genadig van af. Het verbod op het uitvoeren van een openbaar ambt was op zijn leeftijd (geboren in 1890) vooral een symbolische straf. Na het uitzitten van zijn straf, vestigde hij zich weer in Kampen.
Interessant zou zijn om uit te zoeken wie politie-agent Kapenga de opdracht gaf om een rapport over Roest van Limburg op te stellen en wat de uitkomst daarvan moest zijn. Het was Pieter Kapenga, die weigerde medewerking te verlenen aan het ophalen van de Kamper Joden, wat hem op een verblijf in Dachau kwam te staan. Erg onafhankelijk kan zijn oordeel niet geweest zijn. Toch blijft het oordeel over Roest van Limburg mild en wordt de schuld van zijn foute handelen opnieuw in de schoenen van Roests vrouw geschoven. Gabriele was dan misschien een nare vrouw (volgens dr Kolff), maar haar man had een eigen verantwoordelijkheid en hij was de waarnemend burgemeester.
Dat dochter Thea later liever de achternaam van haar man gebruikte, lijkt mede ingegeven door het besmette verleden van haar vader, dan alleen uit een feministisch standpunt, dat wars was van symboolpolitiek (zoals in haar levensbeschrijving wordt gesuggereerd).
Na-oorlogse onderlinge familieverhoudingen
De onderlinge verhoudingen in de familie Roest van Limburg-Altona moeten behoorlijk ingewikkeld zijn geweest. De jongere broer van August Eduard en diens zoon zaten in het verzet. De oudere broer van Gabriele stierf in een krijgsgevangenkamp in Nederlands Indië:
Willem en Theo Roest van Limburg, leden van het verzet
Willem Christoph was de één jaar jongere broer van August Eduard. Ook hij ging naar de KMA in Breda. Hij bereikte de rang van luitenant-kolonel en gaf enkele jaren les aan de KMA. In 1918 trouwde hij met jonkvrouw Caroline Johanna Henriette van Styrum. Na de KMA maakte hij de overstap naar de Nederlandse Bank, waar hij o.a. controleur-generaal was. Hij trad op 14 mei 1940 op als chauffeur van de gepantserde auto van de Nederlandse Bank, waarmee koningin Wilhelmina van Paleis Noordeinde naar Hoek van Holland werd gebracht. Met een daar gereed liggende torpedobootjager voer zij naar Engeland. Vrijwel de zelfde actie had hij twee dagen eerder met het prinselijk gezin uitgevoerd. Willem zat tijdens de oorlog in het verzet. Hij was ondercommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Amsterdam. Zijn oudste zoon Theo was ook actief in het verzet. Willem Christoph Roest van Limburg kwam op 24 september 1954 in Haarlem onder verdachte omstandigheden om het leven.
▼
Theodorus Marinus Roest van Limburg, vernoemd naar zijn opa de politiecommissaris, was het oudste kind van Willem Christoph en jkv Caroline Johanna Henriette van Styrum (1894-1981). Theo werd geboren in Ginneken en Bavel, waar zijn ouders woonden tijdens het docentschap van zijn vader aan de KMA. Tijdens de oorlog woonde Theo in Amsterdam en was in opleiding tot machinist bij de NS. Hij was koerier voor het verzet en voerde regelmatig opdrachten uit voor zijn vader. Tijdens het uitvoeren van zo'n opdracht kwam hij in januari 1945 om. Vader Willem vertelt daarover: ''Mijn enige zoon Theo vertrok in de nacht van 3 op 4 januari 1945 rond 04.00 uur naar de Bommelerwaard. Hij had van mij de opdracht om zich in verbinding te stellen met Prins Bernard en Generaal Kruls, die ik allebei goed ken. De opdracht ging over de door de Nederlandse Bank te betalen salarissen en lonen van de stakende spoorwegbeambten. Ik wist dat hij naar Zuilichem ging. Na de bevrijding ben ik bij de familie Van Veen in Zuilichem geweest, waar Theo zat ondergedoken''.
Theodoor Altona (1879-1945), oorlogsslachtoffer Nederlands Indië
De oudere broer van Gabriele was aspirant-houtvester in Nederlands Indië. Waarschijnlijk zat hij vanaf 22 april 1942 als Nederlandse ambtenaar op Java vast in een gevangenkamp. Hij overleed op 10 mei 1945 in Tjimahi, een krijgsgevangenkamp ten noordwesten van Bandoeng op Java.
© cultuurZIEN 2025