Toen ik afscheid nam van de koopvaardij was ik 26 jaar. Ik had een vrouw, een huis, een zeilboot, een nieuwe baan en wat spaargeld.
Zes jaar lang had ik gevaren, iets wat niet voor iedere jonge vent was weggelegd. Bovendien had ik het geluk mijn loopbaan te mogen beginnen op schepen van de KPM en KJCPL in het Verre Oosten, waardoor ik Singapore en Hongkong na vier jaren als thuishaven was gaan beschouwen.
Het beroep van radio-officier aan boord was interessant en in zekere zin uniek. Je was de stem en de oren van het schip. Het radiostation was de hut van een soort medicijnman die met geheimzinnige apparaten en een gecodificeerde taal contacten onderhield met de buitenwereld, wanneer het schip als een nietig stipje op de oceaan op weg was naar een verre bestemming. Het was een nieuw beroep aan boord, voortgekomen uit moderne technische ontwikkelingen in een tijdperk, dat zich aandiende als wonderbaarlijk in wetenschappelijke en technische vooruitgang.
Aan de traditionele navigatiemiddelen, zoals het kompas, sextant, chronometer en log werden steeds meer technische vondsten toegevoegd, die zowel het veiliger navigeren als de commerciële resultaten in de scheepvaart in grote mate hebben beïnvloed en vervolmaakt. Radar, echolood, gyrokompas, richtingzoeker, radiotelegrafie en -telefonie zijn slechts enkele concrete voorbeelden, die hiertoe hebben bijgedragen en de functie van radio-officier was van groot praktisch belang aan boord van een schip.
In de periode dat ik in die functie bij de Nederlandse koopvaardij mocht varen, was er sprake van een gezonde vraag naar scheepsruimte en een bestaande en groeiende vloot van prachtig ontworpen en mooi gelijnde vracht- en passagiersschepen, alsmede een ogenschijnlijk goed geconsolideerde situatie van de Nederlandse scheepvaart. De ontwerpen voor de toekomstige containerschepen en mammoettankers lagen nog op de tekentafel.
Politieke, technische en sociaal-economische ontwikkelingen in de wereld waren door de toenemende globalisering in een dermate grote stroomversnelling terechtgekomen, dat nog maar weinig zaken als geconsolideerd en onveranderlijk beschouwd konden worden. De structuur en conjunctuur van de scheepvaart in de wereld en dus ook in Nederland kwamen aan grote veranderingen bloot te staan. De meeste van deze ingrijpende veranderingen vonden plaats na mijn afscheid van de koopvaardij.
Het beroep van radio-officier is zelfs sinds kort verdwenen, overbodig gemaakt door de laatste technische ontwikkelingen. Ook de traditionele plaatsbepaling op zee, met de ingenieuze methodes van sextant en observatie van de hemellichamen, gis- en waar bestek is bijna tot een fossiel gaan behoren door de ontwikkeling van de satelliet systemen (GPS). Het zij zo.
Ik had dus in zekere zin geluk een beroep te hebben gekozen op een moment, dat het nog toekomstmogelijkheden leek te bieden en van beroep te hebben veranderd, toen er tekenen aan de wand begonnen te verschijnen die een minder rooskleurige toekomst aankondigden. Ik was mij daar toen niet echt van bewust, maar de feiten hebben zich later onmiskenbaar aangediend.
Ik kijk met enorme voldoening terug op de tijd doorgebracht bij de Nederlandse koopvaardij, vooral op de periode in het Verre Oosten. Voor een jonge vent is het een unieke gelegenheid om zijn kennis van de wereld uit te breiden en zijn nieuwsgierigheid naar het andere buiten zijn eigen landsgrenzen te bevredigen. Het is een schat aan kennis die je op jonge leeftijd wordt gegund en die een stempel blijft drukken op je verdere leven en je persoonlijke ontwikkelingen later, hoever die ook verwijderd mogen zijn van het zeemansleven.
Een radio-officier bekleedde een soort uitzonderings-positie aan boord. In havens beschikte hij vaak over meer vrije tijd dan de meeste andere officieren en kreeg daardoor meer gelegenheid om de bezochte landen en steden wat beter te leren kennen. Ikzelf heb dankbaar van dit privilege gebruik gemaakt.
De kameraadschap aan boord heb ik als hartverwarmend en positief ervaren. Er bestaat een solidariteit en empathie onder zeevarenden, die duidelijk verschilt met het leven aan de wal.
Ik heb voornamelijk gevaren met Chinese of Maleise bemanningen en Nederlandse officieren.
Mijn herinneringen worden bepaald door een zorgeloze en kameraadschappelijke tijd. Zorgeloos, omdat het leven aan boord over het algemeen ongecompliceerd was. De was werd voor je gedaan, je bed opgemaakt en op vaste tijden stonden de maaltijden gereed. Door een druk op een knop in je hut verscheen een steward om een order aan te nemen. Dat had voor mij tot gevolg, dat ik als hulp in de huishouding voor de rest van mijn leven nutteloos was geworden. Ook dat zij zo.
Voor de zee en voor hen die er op varen, heb ik een verbondenheid en respect overgehouden. Vele jaren na mijn koopvaardijperiode zeilde ik enige jaren met mijn 12 meter ketch JOL 2 op de Middellandse Zee en mocht zo nu en dan het geweld en de kracht van Thalassa ondergaan. Dat maakt je weer bescheiden en nederig en een veilige haven is je grootste geluk.
Het water is een rode draad door mijn leven gebleven. Het verbaast me niet dat het leven in de zee is ontstaan en dat wijzelf in hoofdzaak uit water bestaan. De laatste twintig jaar vóór mijn pensionering was ik betrokken bij het ontwerp, de bouw en de exploitatie van waterparken in Spanje.
Ook dat heeft me veel voldoening opgeleverd. Maar een zeeman wordt nooit meer een echte walslurp.
Behouden vaart!
Mijas Costa, september 2009
Met dank aan mijn vriend en ex-collega Arie van de Ruit voor zijn suggesties, correcties en de totstandkoming van deze website