Schip gemist
Ik had in Singapore diverse aankopen gedaan voor mensen die ik de voorgaande reis had ontmoet. Daarbij hoorde een set werphengels, die ik op verzoek van een Nederlandse planter in het binnenland van Kaimana had aangeschaft. Vroeg in de morgen, tijdens het afmeren van ons schip langs de steiger in Kaimana, zag ik de landrover van mijn kennis al aan komen rijden. Via de gangway klom hij aan boord en samen bekeken we de spulletjes, die ik voor hem had gekocht. Hij was erg in zijn sas en nodigde mij uit met hem mee te rijden naar z´n plantage in het binnenland.
Ik had daar wel oren naar, maar wist niet of we genoeg tijd zouden krijgen voor de heen- en terugrit en enkele uren verblijf op de plantage. We hadden niet veel lading te lossen en dus kon het wel eens snel geklaard zijn. Ik sprak met de eerste stuurman, die zei: “Als je ervoor zorgt dat je om zes uur terug bent, dan zit je goed”.
Even later waren we op weg, hobbelend en slingerend over een pad dat nauwelijks de naam van weg verdiende. De voortrazende landrover liet een dichte stofwolk in zijn kielzog achter. Op sommige plaatsen leken we door een tunnel te rijden, zo dicht was de begroeiing aan weerskanten van het pad. Na ruim een uur arriveerden we op het erf van de plantage. Het woonhuis van mijn kennis bestond uit hout en bamboe en stond op een palenconstructie. Een brede veranda liep rondom het huis en het dak van palmbladeren zorgde voor een verkoelende schaduw. Honden, varkens en pluimvee scharrelden vrij rond in en om het huis. Mijn gastheer stelde me voor aan zijn Indisch-Nederlandse echtgenote, die meteen aan de slag ging met het maken van hapjes in de primitieve keuken. Een aantal Papoea’s liep bedrijvig heen en weer en ik zag nog meer palmhutten niet ver van het woonhuis. Een enorme koelkast stond op het terras naast een uit bamboe bestaande bar, waar mijn kennis erg trots op bleek te zijn. We streken neer op een paar ligstoelen, die naast de bar op de veranda waren geplaatst. Het was nog geen elf uur in de ochtend, maar de verzengende zon had al voor een temperatuur van ongeveer 37 graden Celsius gezorgd, ondanks de beschutting van het dak boven de veranda.
Onder het genot van enkele glazen koel bier spraken we over allerlei zaken, die vooral mijn gastheer bezig hielden. Hij had nog wel vertrouwen dat Nieuw-Guinea haar onafhankelijkheid zou verkrijgen en dat Nederland een rol zou blijven spelen in de toekomst van het land. Een eventuele terugkeer naar Nederland kon hij zich niet voorstellen, daarvoor was hij al te lang geworteld in de tropen. De Verenigde Naties zouden niet zonder meer toelaten, dat het land in handen van de Indonesiërs zou vallen. De toekomst zou anders leren, maar zover waren we toen nog niet. Pratend, drinkend en etend brachten we zo de dag door, tot het tijd werd voor de rit terug naar Kaimana. Na een uur rijden werd ik door mijn kennis afgezet in de hoofdstraat (er was maar één straat) van Kaimana voor het huis van de agent van de NIGIMIJ ter plaatse, die ik tijdens de eerste reis had leren kennen. Het was omstreeks vijf uur in de middag en hij zat aan een glas bier op zijn terras. Toe hij mij zag uitstappen, stond hij op en de verbazing straalde van zijn gezicht. “Wat doe jij hier?”, vroeg hij verbaasd. Ik verbaasde mij over zijn verbazing. “Ik ga terug aan boord. Ik ben de dag bij X. op z´n plantage geweest”, antwoordde ik. “Je schip is een half uur geleden vertrokken. Ik kom zojuist van de steiger".
Zo´n mededeling moet je laten inzinken, voor de volle betekenis goed tot je doordringt. Het kon toch niet waar zijn. Het was vijf uur en we zouden pas om zes uur vertrekken. Hoe kon zoiets gebeuren? Had men niet gemerkt, dat ik nog niet aan boord was? Een zinkend gevoel maakte zich van mij meester. De agent liep met me mee naar de lege steiger. Een lege steiger en een eenzame stille baai. “Weg!” Mijn schip weg, mijn huis weg. Ik voelde me klein en nietig. Daar stond ik aan het andere eind van de wereld, ontheemd en in de steek gelaten. De Kaloekoe was op weg naar Merauke, anderhalve dag varen, over land onbereikbaar. “Kop op, ik rijd je naar het marinekamp”, bood de agent aan. Daar bleek de commandant welwillend en begripvol. “We sturen een telegram, dan weten ze dat je hier zit”, zei hij. “Er is niemand in het radiostation, ik ben de radio-officier”, antwoordde ik. “Ja, dan ziet het er somber uit”, was zijn repliek en dat was ik helemaal met hem eens. Ik had maar één ding in mijn hoofd. “Hoe kom ik terug aan boord?”. Ik zwamde nog wat over snelle patrouilleboten en helikopters, maar dat was “wishful thinking”, onmogelijk en “out of the question”. “Ga maar een pilsje pakken in de mess. Morgen zien we wel verder”.
Voordat ik aan die raad gevolg gaf, liep ik naar het strand en zittend in het nog warme zand met mijn armen om m´n knieën geslagen, keek ik uit over de verlaten baai voor mij. De avond begon nu snel te vallen en zoals altijd was dit een schitterend kleurrijk schouwspel, maar deze keer had ik daar geen oog voor. “Dit muisje gaat nog een staartje hebben”, zei ik tegen mezelf en ik dacht aan de mogelijkheid van ontslag en een vroegtijdige terugkeer naar Nederland. Ik stond op en liep naar de mess en na een paar pilsjes met enkele sympatiserende mariniers begon het leven er weer wat rooskleuriger uit te zien. Na nog enkele pilsjes werd zelfs de mogelijkheid geopperd, dat ik misschien nog wel bij de marine terecht zou kunnen.
Het was nu ongeveer negen uur in de avond en pikdonker geworden. En daar was ineens dat verlossende geluid, waar ik onbewust op had gehoopt. De stoomfluit van de Kaloekoe klonk als muziek over de baai en in mijn oren. We renden naar buiten en daar lag de Kaloekoe met alle lichten aan stoom af te blazen op een paar honderd meter van het strand. Ik kreeg nog snel een zak post in mijn handen gedrukt en daarna peddelde een Papoea in een prauw mij over het donkere water naar de lichten van de Kaloekoe. Via een touwladder klom ik met enige moeite over de railing aan boord. “Er zwaait wat voor je”, zei Willem de 3e stuurman, die bij de railing stond. Ik liep met m´n postzak naar de brug. “Denk maar niet, dat je het met die postzak goedmaakt”, zei de “Ouwe”. “Kom morgen maar naar mijn hut, dan hoor je het wel. Ik ben verd........ tweemaal uit Kaimana vertrokken”. Het leek me verstandig om te zwijgen en nederig het veld te ruimen. Op weg naar m´n hut kwam ik de eerste stuurman tegen. “Hoe merkten jullie het?”, vroeg ik. “Willem kreeg in de gaten dat je niet aan boord was”, was het antwoord.
Ze hadden me niet in de steek gelaten. Dat gaf me een warm en dankbaar gevoel. Ondanks alles waren ze terug gekomen om me uit de nesten te halen. Zo waren ze aan boord van dit schip en daarom sliep ik weer in mijn eigen kooi, thuis.
De volgende morgen stond ik in alle vroegte in de hut van onze kapitein. Hij keek me streng aan en vroeg: “Je bent zeker wel geschrokken?”. “Geschrokken? Ik was volledig van de kaart”, zei ik nederig. “Ik ben twee keer uit Kaimana vertrokken”, zei de kapitein.” Hoe moet ik dat verantwoorden? Ik weet wel dat we eerder vertrokken zijn dan verwacht, maar daar had je rekening mee moeten houden. Een volgende keer laten we je zitten waar je zit”.
Daar bleef het bij, dat was het staartje van de muis. “Bedankt voor het terugkomen, kapitein”, zei ik. Hij wuifde me weg en ik maakte dat ik wegkwam, een nieuwe ervaring rijker.