Nederlands Nieuw-Guinea
De jaren 1960 en 1961 waren beslissend voor de toekomst van Nederlands Nieuw-Guinea en men kan stellen dat de Papoeabevolking in die jaren het slachtoffer is geworden van een schaamteloze politieke koehandel. Wie of wat uiteindelijk verantwoordelijkheid treft voor deze situatie, is niet eenvoudig vast te stellen. Zeker is dat de Papoeabevolking als een speelbal is gebruikt tussen de grote mogendheden en alle kansen op een vrije keus voor onafhankelijkheid op korte of langere termijn verloor.
Indonesië had onder Soekarno in 1949 haar onafhankelijkheid verkregen na het Nederlandse koloniale tijdperk. Nieuw-Guinea viel buiten de onafhankelijkheidsverklaring, ondanks het feit dat het koloniale bestuur onder Batavia ressorteerde. Over de status van Nieuw-Guinea zou op een later tijdstip gesproken worden en voorlopig bleef Nederland hier de scepter zwaaien.
De Papoeas zijn de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea. Alleen al in West Nieuw-Guinea worden meer dan 300 talen en 200 dialecten gesproken. De eerste berichten over het bestaan van Nieuw-Guinea in de westerse wereld dateren uit 1545 toen Ortiz de Retez het land in bezit nam voor de Spaanse Kroon en het de naam Nieuw-Guinea gaf vanwege de gelijkenis van de lokale bevolking met de volken van de Guineakust in West-Afrika. In 1828 namen de Nederlanders bezit van Nieuw-Guinea ten westen van de 141e lengtegraad en stichtten handelsposten in het gebied, terwijl ongeveer 60 jaar later de Britten Zuidoost Nieuw-Guinea voor zich opeisten en de Duitsers Noordoost Nieuw-Guinea. In 1936 werden ‘s werelds grootste koper- en goudreserves ontdekt in Ertsberg nabij Tunika. Deze vondst zou een belangrijke rol spelen tijdens het latere politieke touwtrekken om het bezit van Nieuw-Guinea.
In de Tweede Wereldoorlog bezetten de Japanners in 1942 de noordkust van het eiland om in 1944 door de geallieerden te worden verdreven. MacArthur had destijds zijn hoofdkwartier in Hollandia, van waaruit hij de aanval op de Filippijnen voorbereidde. Na de capitulatie van Japan verkreeg Indonesië in 1949 haar onafhankelijkheid onder Soekarno en Mohammed Hatta. Nederlands Nieuw-Guinea bleef onder Nederlands bestuur en kreeg het recht tot zelfbestuur onder Artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties en Nederland begon voorbereidingen te treffen voor de onafhankelijkheid.
Op 18 november 1961 werd de onafhankelijkheid door Nederland erkend en verkreeg Nieuw-Guinea een voorlopige regering, een vlag en een volkslied. De daarbij behorende plechtigheden werden bijgewoond door autoriteiten van Australië, Engeland, Frankrijk, Nieuw-Zeeland, leden van de South Pacific Commission en uiteraard Nederland. De afwezigheid van de Verenigde Staten was opvallend.
Maar nu begon een politiek spel, dat de druk op Nederlandse regering tot een kookpunt bracht.
Vooral de pressie vanuit de Verenigde Staten onder Kennedy op de Nederlandse regering werd steeds intensiever, vooral uit vrees van de Amerikanen dat Indonesië in de Sovjet-Russische invloedssfeer zou geraken, indien Soekarno zijn zin niet zou krijgen ten aanzien van Nieuw-Guinea. Gelijktijdig ondernamen de Indonesiërs diverse militaire acties, onder meer infiltratiepogingen aan de zuidkust van Nieuw-Guinea, die door de Nederlandse strijdkrachten werden afgeslagen.
Nederland bezweek ten slotte onder de toenemende druk van de V.S. en droeg in mei 1963 in een schijn-overeenkomst de administratie van Nieuw-Guinea over aan Indonesie, met de Indonesische belofte voor een “Act of Free Choice” in de toekomst.
In 1966 werd Nieuw-Guinea officieel door Indonesië ingelijfd. Na de blanke kolonisatie periode werd de Papoeabevolking nu uitgeleverd aan het bruine explotatiesysteem. Na de inlijving heeft Indonesië een waar schrikbewind onder de Papoeabevolking gevoerd, waarbij tienduizenden slachtoffers zijn gevallen.
In 1971 verkreeg de Amerikaanse Freeport-MacMohan Company een 30-jarige concessie voor exclusieve mijnexploitatie in Nieuw-Guinea. De Grasberg en Ertsberg zijn de grootste goud- en kopermijnen ter wereld. Mochten er nog twijfels bestaan over de achtergronden van de Nieuw-Guinea kwestie, dan zijn die hiermee wel verdwenen.
Ik was in 1960 en 1961 als jongeman ter plaatse en getuige van diverse gebeurtenissen. Een en ander had natuurlijk zijn gevolgen voor mijn toenmalige naïeve en romantische “Weltanschauung”. Ik werd met mijn neus op de feiten van de internationale real-politik gedrukt en begon daarbij mijn politieke onschuld te verliezen. Maar ik betreur nog steeds het onrecht aangedaan aan de Papoeabevolking door de onbeschaamde koehandel van de grote mogendheden. Of Nederland destijds nog andere opties had om tot een eervollere en bevredigender uitkomst van het conflict te komen ten aanzien van de Papoeabevolking, kan ik niet beoordelen. Misschien was de enige optie een oorlog met Indonesië en dat was misschien te veel van het “goede”. Maar het gevoel van schaamte is gebleven.