Gevangen in Indonesië
Op vier februari 1965 vertrok ik op de Eumaeus uit de haven van Amsterdam voor een nieuwe reis met bestemming Singapore en Indonesië. De bemanning bleek dezelfde te zijn als die van de vorige reis met uitzondering van de gezagvoerder. Ik was geen vrijgezel meer en keek dus met weinig enthousiasme uit naar een scheiding van drie maanden van mijn pas verworven echtgenote.
In alle opzichten was de reis tot aan Singapore een herhaling van de vorige. In Singapore was weinig verandering te bespeuren in de conflictsituatie met Indonesië, mogelijk hielden de media zich nog intensiever bezig met de bedreigingen van Indonesië dan voorheen. Ik besteedde enkele Singapore dollars voor wat kleine aankopen en het eten van een steak tartaar in het Raffles Hotel, waar ik nog enkele obers herkende uit mijn tijd op de Kaloekoe van de KPM.
In zekere zin was het vreemd om je aan boord van een schip te bevinden dat tussen twee landen voer, die op het punt stonden elkaar de oorlog te verklaren. Maar onze taak bestond uit het schip veilig van punt A naar B te varen. Andere overwegingen gingen onze verantwoordelijkheden te buiten.
Na aankomst in Tandjong Priok (Djakarta) werd al snel duidelijk, dat de situatie opnieuw verslechterd was. De inflatie was meer dan verdubbeld. Was voorheen een slof sigaretten het equivalent van een maandsalaris van een havenarbeider, nu was dit nog maar een of twee pakjes. Overal waren nog meer militairen op de been en in de stad spuwden krijsende luidsprekers voortdurend propaganda tegen Maleisië uit. De hetze leek op een kookpunt te zijn aangeland.
De volgende bestemming was Soerabaja en daar deed zich een situatie voor die ik niet snel zou vergeten.
In de namiddag verliet ik samen met één van de stuurlieden het schip om de benen wat te strekken en eventueel een nasi maaltijd in een restaurant te gebruiken. De controlepost bij de havenuitgang werd bewaakt door een tiental zwaar bewapende militairen. Ik overhandigde mijn paspoort en landingspasje aan een van de militairen. Onmiddellijk begon zich een hysterische toestand te ontwikkelen. Tussen de bladzijden van het paspoort bevond zich een papieren Singapore dollar (waarde toen Fl. 1.25), kennelijk achtergebleven na het bezoek aan Singapore enige dagen daarvoor. Ik werd omringd door tientallen militairen met getrokken revolvers en stenguns, terwijl de papieren dollar van hand tot hand ging en met de hakken van de laarzen op de grond werd gestampt met kreten als: “Crush Malaysia” en “Blanda Busuk”. Het voorspelde weinig goeds.
De diplomatieke banden tussen Nederland en Indonesië waren dan wel zojuist hersteld, maar of dit ook was doorgedrongen tot deze troep hysterische soldaten, was te betwijfelen. Ik was een spion van Maleisië en bovendien een Blanda Busuk, vertegenwoordiger van een volk dat hun land eeuwenlang had geplunderd en misbruikt.
Ik werd hardhandig geboeid en opgesloten in een cel, waar ik direct in een mengsel van Maleis, Pidgin Engels en Nederlands werd ondervraagd door vier militairen. Geslagen werd er niet, maar wel gedreigd met revolvers en stenguns. Daar zat ik, opgesloten in een cel in Soerabaja verdacht van spionage voor de Maleise Federatie. Na de eerste verwarring begon de ernst van de situatie tot mij door te dringen. Het was natuurlijk een domme omstandigheid, die dollar in mijn paspoort. Ik had er zelf ook geen verklaring voor hoe die daar terecht was gekomen. Het feit op zichzelf was te onbenullig. Onbenullig waar dan ook, maar niet in dit paranoïde land.
Na enige uren kreeg ik bezoek van de purser van de Eumaeus in mijn cel. Hij was een dikke korte man met een rood opgeblazen gezicht. Een soort spreekbuis van de kapitein, waarmee hij veel tijd aan de borrel doorbracht.
“Hoe haal je het in je hoofd om met een Singapore dollar de wal op te gaan in Indonesië”, begon hij onze conversatie. "Je denkt toch niet dat ik willens en wetens met een dollar de wal op ga? Die dollar is ongewild in mijn paspoort achtergebleven na ons bezoek aan Singapore. Ik ben misschien wel dom, maar niet idioot. Waar hebben we het over. Een dollar is Fl. 1.25", was mijn antwoord.
“De ouwe heeft er goed de pest in”, zei de purser. “Dat kan ik mij voorstellen, zonder radio-officier mag er niet gevaren worden”, zei ik. “Leg hem maar uit hoe de vork in de steel zit en dan moet hij maar uitzoeken hoe of wat. Ik zit hier vast en ben van jullie afhankelijk. Ik zeg het je eerlijk, hier ben ik mijn leven niet zeker en ik hoop dat jullie me niet in de steek laten.”
De purser verdween om verslag aan de ouwe uit te brengen en ik bleef alleen achter in mijn cel. Zo nu en dan kwam een groepje soldaten naar me kijken. Een Hollandse aap in zijn kooi. Ze lachten en lieten me met handbewegingen weten hoe m´n keel zou worden doorgesneden. Enkele uren later werd de cel geopend en werd ik tussen een zestal soldaten naar een binnenplaats gemarcheerd en tegen een muur geplaatst. Dit is het, dacht ik, een paar weken getrouwd en m´n vrouw weduwe. Mijn bewakers speelden wat uitdagend met hun wapens, maar geschoten werd er niet.
Wat me uiteindelijk uit mijn benarde positie verloste, was de corruptie. De kapitein vertelde me later dat mijn bevrijding twee honderd dollar uit de scheepskas had gekost. Een fortuin in Indonesië. Ik wist dus meteen hoeveel ik waard was en moest ook nog blij zijn met het positieve aspect van de corruptie. Het kan verkeren.
Na de nacht in de cel te hebben doorgebracht werden ´s morgen vroeg de boeien afgenomen en werd ik tussen een groepje militairen naar de Eumaeus gemarcheerd en bij de gangway afgeleverd. Sparks was thuis, de spanning viel van me af en ik kon weer opgelucht ademhalen. Ik bedankte de kapitein voor zijn interventie.
Tijdens de reis terug naar Nederland bleef deze affaire een steeds terugkerend onderwerp van gesprek. Samen met anderen was ik van mening, dat wij als bemanning onvoldoende garanties hadden in een rechteloos land, zoals Indonesië in die periode. Anderen vonden dat ons beroep altijd al meer risico´s dan normaal met zich meebracht en als dat je niet beviel, je maar iets anders zou moeten gaan doen.
Hoe het ook zij, ik liep rond met plannen om in Nederland de gang van zaken in Indonesië aan de grote klok te hangen. Hoe dat zou moeten gebeuren, wist ik nog niet, maar ik zou het er niet bij laten. Daar schrok de ouwe van en in een privé gesprek in zijn hut vroeg hij mij af te zien van welke actie dan ook. Ik mocht blij zijn er zo goed vanaf te zijn gekomen en hij voorzag alleen maar complicaties met de Blue Funnel Lijn, als er te veel in de rommel geroerd zou worden. Ik begreep zijn argumenten wel, maar vond dat ik er nog eens goed over na moest denken. De rest van de reis terug naar Nederland kwam de purser geregeld op bezoek om uit te vinden wat ik zou gaan doen.
Ik deed uiteindelijk niets. Ik wist dat, ondanks het aan de kaak stellen van misstanden, het een gevecht tegen de bierkaai zou worden en dat economische en politieke overwegingen de doorslag zouden geven. Zover was ik nu wel gevorderd in mijn “Weltanschauung”, waar zo langzamerhand een gezonde dosis cynisme aan was toegevoegd. Anderen met meer invloed dan ik moesten de wereld maar veranderen. Ik was nu getrouwd en het gebeuren in Indonesië had mijn beslissing om afscheid te nemen van de koopvaardij weer iets dichterbij gebracht.
De terugreis naar Europa verliep voorspoedig en tenslotte werd de reis beëindigd in Bremen, waar ik afmonsterde van de Eumaeus op 20 mei 1965. Met de trein reisde ik terug naar Nederland en op het station van Utrecht werd ik opgewacht door Patricia en kregen we eindelijk tijd voor elkaar na ons huwelijk in januari.