Kustreis met de Themis en met de Eumaeus naar Indonesië
Op 21 augustus 1964 was mijn verlof ten einde en klom ik aan boord van de Themis van de KNSM, die langs de Levantkade in Amsterdam lag afgemeerd. Hoewel het ging om een korte kustreis van nauwelijks een week naar Hamburg en Bremen en weer terug naar Amsterdam, was de Themis voor mij belangrijk, omdat ik met dit schip voor de eerste keer uit een Nederlandse haven zou vertrekken en dat gaf aan deze reis een bijzondere kleur.
m.s. Themis
De Themis was ruim 3000 BRT, behoorde tot de vloot van KNSM schepen en was mijn eerste ervaring bij deze rederij. Via het Noordzeekanaal en de sluizen van IJmuiden zochten we de deining van de Noordzee op. Tijdens de vaart op het Noordzeekanaal stond ik op de brug om naar het landschap te kijken dat ver beneden aan beide zijden van het kanaal voorbij schoof. Groene weilanden met grazende koeien en schapen, vele meters beneden de dijk langs het kanaal, overkoepeld door een bewolkte regenlucht met zo nu en dan een zonnetje. Verbazingwekkend vlak is Nederland, je kunt kijken tot aan de horizon en zo lijkt ons land ruimer en weidser. Lijkt, want we blijven een dreumes tussen de goliaths van de wereld.
Buitengaats staat een stevige noordwestelijke wind en een behoorlijke deining. Ik voel me wat katterig na zoveel maanden aan de wal. Na een paar uur en een flinke maaltijd, heb ik mijn zeebenen weer terug en voel me beter. Aan stuurboord schuiven de duinen van Terschelling langzaam voorbij. Ik maak verbinding met Scheveningenradio en Norddeichradio voor telegrammen en ETA´s. Het is even wennen aan de installaties in het nieuwe radiostation. Voor de kustreis heb ik alleen de middengolf nodig. De bemanning bestaat volledig uit Nederlanders. Ook dat is nieuw voor mij na de Chinezen en Maleiers bij de KPM en KJCPL. De reis is te kort om je collega´s te leren kennen. Hamburg en Bremen liggen naast de deur. Ik krijg nauwelijks de tijd om daar een kijkje te nemen en voor ik het mij goed realiseer, liggen we alweer langs de kade in Amsterdam. Een kustreis is een hallo en tot ziens.
Ik krijg een dag de tijd om op adem te komen en vlieg daarna vanaf Schiphol naar Liverpool om aan te monsteren op de Eumaeus van de Mij. Oceaan voor een reis van drie maanden naar Indonesië. De Mij. Oceaan is de Nederlandse tak van de Blue Funnel Line van Alfred Holt in Liverpool en de m.s. Eumaeus een mooi gelijnd vrachtschip van bijna 8000 BRT met passagiersaccomodatie.
m.s. Eumaeus
Onze bestemming is Indonesië, waar nog steeds onze oude vriend Soekarno de scepter zwaait. De economische toestand is daar nu zodanig verslechterd, dat Soekarno een nieuwe buitenlandse zondebok nodig heeft om zijn positie te kunnen handhaven. Niets nieuws onder de zon. Na Nederland is nu Engeland en de Maleise Federatie aan de beurt. “Crush Malaysia” is de oorlogskreet in Indonesië en een gewapend conflict lijkt weer eens onvermijdelijk. De politieke relaties met Maleisië en Engeland zijn verbroken en alles wat Engels is, is taboe in Indonesië. Omdat Nederland in 1963 zonder slag of stoot Nieuw-Guinea aan Indonesië heeft uitgeleverd, is de haatcampagne van Soekarno tegen de “Blanda Busuk” tot rust gekomen en heeft een nieuw doelwit gevonden in Engeland en Maleisië.
Binnen dit politieke steekspel blijven zaken natuurlijk zaken en worden loopholes gevonden om toch maar geld te blijven verdienen. Zo werkt ons systeem nu eenmaal. Zijn de Engelse schepen niet meer welkom in Indonesië, dan mogen de zich zo netjes gedragende Nederlanders weer terug komen. En zo krijg ik het voorrecht om deel uit te maken van de bemanning van één van de eerste schepen onder Nederlandse vlag, die onze oude kolonie gaan bezoeken na de Nieuw-Guinea kwestie. De reis trekt me aan, omdat het me de gelegenheid geeft het beeld dat ik heb van de landen in het Verre Oosten, inclusief Nieuw-Guinea, te completeren met een land als Indonesië, waar Nederland eeuwenlang heel nauwe banden mee heeft gehad. Ik ben nieuwsgierig en zie de reis als een buitenkansje onder zoveel andere mogelijke bestemmingen.
Van Liverpool is mij maar weinig bijgebleven. Het havendistrict bood een trieste aanblik in het regenachtige herfstweer en de straten maakten een droevige en verwaarloosde indruk. Veel voordeuren waren in hardblauwe en donkerrode kleuren geverfd, die het geheel een nog smakelozer aanzicht gaven. Waarschijnlijk ziet het er ‘s zomers gezelliger uit, maar ik moest het doen met de indruk van dat moment. Het leek me geen stad waar ik graag zou willen wonen.
Na het laden in Liverpool vertrekt de Eumaeus naar Amsterdam voor een kort oponthoud om daarna op 14 september te vertrekken met bestemming Indonesië. Ik had nog net even tijd voor het begroeten en meteen weer afscheid nemen van mijn familie en Patricia. Patricia en ik hadden besloten om na mijn terugkeer uit Indonesië in januari 1965 in het huwelijk te treden.
De route naar Indonesië liep via de Middellandse Zee, het Suez kanaal, de Rode Zee en de Indische Oceaan, een afstand van bijna 10.000 zeemijlen (18.000 kilometer). Heen en terug zou de reis ruim drie maanden in beslag nemen.
Het was mijn eerste lange zeereis vanuit Nederland en ook de route was nieuw voor mij, althans tot aan de Indische Oceaan. Hoewel ik enkele jaren geleden heel kort met de Stanvac Sunda in Sungei Gerong op Sumatra was geweest, was Indonesië een nog onbekende bestemming en ik was erg benieuwd naar wat ik daar zou aantreffen. Hoe zou de houding zijn van de Indonesiers ten opzichte van een Nederlands schip met een Nederlandse bemanning zo kort na het jarenlang slepende conflict om Nieuw Guinea? Nog niet zo lang geleden aan boord van de Kaloekoe van de KPM op de route tussen Singapore en Nieuw-Guinea werden uit veiligheidsoverwegingen angstvallig de Indonesische territoriale wateren vermeden. Het lag niet in de verwachting dat de oorlogspsychose in Indonesië zich drastisch had gewijzigd, gezien het feit dat de haat campagne nu was gericht op Engeland en Maleisië. Een antwoord op die vragen zouden we spoedig genoeg krijgen.
De sfeer aan boord van de Eumaeus was uitstekend en enigszins te vergelijken met die aan boord van de KJCPL en KPM schepen. Een Nederlandse hofmeester was verantwoordelijk voor de maaltijden en de drankvoorziening en hij stelde er een eer in om zich zo goed mogelijk van zijn taak te kwijten. Goed eten is van het grootste belang voor een goede sfeer aan boord van een schip. De bemanning was volledig Nederlands. Een voormalig radio-officier deed dienst als purser.
In Amsterdam hadden we een kist met oude speelfilms meegekregen en geregeld zorgde de elektriciën ervoor, dat we ´s avonds in de salon de capriolen van Stan Laurel en Oliver Hardy konden bewonderen en de schietpartijen van Roy Rogers en Zorro konden aanmoedigen. Het was ons om het even. De films waren een welkome afwisseling van de routine aan boord. De tweede wtk woonde in Duitsland, waar hij samen met z´n Duitse vrouw in een koor zong . Hij had een goede zangstem en kreeg ons zowaar allemaal zover, dat we zijn zeemansliedjes in alle talen en uit volle borst meezongen.
Met redelijk goed weer passeren we de Golf van Biskaje en enkele dagen later varen we door de Straat van Gibraltar de Middellandse Zee in. Op het smalste gedeelte is de afstand tussen Afrika en Europa slechts 9 mijl en het drukke verkeer is zodanig geregeld, dat het in- en uitvarende verkeer van elkaar gescheiden wordt gehouden om aanvaringen te voorkomen. Het blijft oppassen voor de kruisende veerboten tussen Marokko en Spanje en de radar staat voortdurend bij gedurende het passeren van de Straat. De nazomer in Zuid-Europa brengt ons zonnig weer tot aan Port Saïd.
In Port Saïd worden de konvooien georganiseerd voor het passeren van het Suez kanaal. Aan de andere kant in Suez gebeurt hetzelfde voor schepen die vanuit de Rode Zee toegang zoeken naar de Middellandse Zee. Halverwege de route, bij de Bittermeren, passeren de twee konvooien elkaar. Het kanaal is 87 mijl lang en voert ons dwars door de woestijn. In de film Lawrence of Arabia met Peter O´Toole is er een prachtige scène, waarin Lawrence na een uitputtende voettocht door de woestijn plotseling de blauwe pijp van een schip boven de duinen van de woestijn ziet verschijnen. Het is het moment waarop hij het Suez kanaal bereikt. De naam van het schip is niet te zien, maar de bovenbouw, brug en de blauwe pijp zijn die van de Eumaeus.
In Port Saïd komt een exotisch volkje aan boord. Kappers stellen hun winkeltje aan dek op, tapijten worden uitgestald op dek voor de verkoop, goochelaars laten kuikentjes en speelkaarten verschijnen en verdwijnen en pornografische foto´s worden heimelijk aangeboden. Hobeli-bobeli heet dat hier. Wel een leuke naam overigens. Het hele gezelschap ziet er voor Europese ogen louche en onbetrouwbaar uit. Het is niet eerlijk, maar ze voldoen helaas niet aan de westerse gedrags- en schoonheidsnormen. Omgekeerd zal dat ook wel zo zijn. Twee culturen die moeite hebben met elkaar om te gaan.
Een “nee” wordt nooit geaccepteerd. Ze blijven aandringen, ook als je al meerdere malen hebt laten blijken geen zaken te willen doen. Met felle ogen en gebaren moet het verkooppraatje je tot koop dwingen. Het gaat om de knikkers. Als je uiteindelijk toch voet bij stuk houdt, word je voor de verloren tijd beloond met een dodelijke blik en een binnensmondse verwensing. De glimlach is verdwenen. Het niet aflatende gesjacher is irriterend en je krijgt zelfs de indruk dat ze elkaar ook niet zo erg mogen. Je wilt niet zomaar een onrechtvaardig oordeel uitbrengen over mensen die je eigenlijk niet kent. Maar de eerste indruk is gewoon niet goed, en de tweede en derde nog minder.
Je hoort verhalen over corruptie, decadentie en ongelooflijke wreedheden. Alles schijnt te draaien om de macht en de knikkers. Dat is bij ons natuurlijk ook het geval maar hopelijk niet alleen.
Misschien word je zo, als je nooit vrijheid hebt gekend en je levensovertuiging wordt beheerst door een strenge, niets vergevende religie en je bestaan voortdurend bedreigd wordt door ziekte, armoede en exploitatie. Als dat eeuwenlang duurt, gaat het misschien in je genen zitten.
Er zijn ook Europese schrijvers en ontdekkingsreizigers geweest, die gefascineerd waren door de Arabische wereld en de mystieke schoonheid van de woestijn. Herodotus reisde als een verslaggever door Egypte en beschreef de gewoonten en tradities heel objectief maar niet altijd kritiekloos.
Ik had heel graag de piramiden willen bezoeken, maar helaas was daar niet voldoende tijd voor en ik zou jaren moeten wachten om mijn nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.
Bij Suez verliet de Eumaeus het kanaal om via de Rode Zee en de Golf van Aden aan de oversteek van de Indische Oceaan te beginnen naar Singapore, een afstand van meer dan 4000 zeemijlen. Na 12 dagen kwamen we behouden aan in de stad, die ik gedurende lange tijd als thuishaven had beschouwd. De lokale radiozenders en de pers besteedden veel aandacht aan de dreigende houding van Indonesië en men was uiterst bezorgd over de mogelijkheid van militaire acties. De sfeer in de stad was echter net zo rustig en kalm als vroeger.
Vanuit Singapore werd de reis voortgezet naar Tandjong Priok, de voorhaven van Jakarta op een afstand van ruim 500 zeemijlen van Singapore. Na Singapore was Indonesië een andere wereld. Het land was terecht gekomen in een enorme economische crisis. De inflatie was schrikbarend. Men sprak van 800 procent per maand! Een slof sigaretten had de waarde van een maandsalaris van een havenarbeider, corruptie was alom en op alle niveaus aanwezig. Voor de gewone bevolking was dit een overlevingseconomie. Het Soekarno regime leefde op grote voet door het verkwanselen van de bodemschatten aan Amerikanen en Russen, die ieder probeerden Indonesië binnen hun invloedssfeer te brengen. Handig speelde Soekarno beide grootmachten tegen elkaar uit. Om de bevolking onder controle en op temperatuur te houden, werden nieuwe buitenlandse vijanden gecreëerd in de vorm van Maleisië en Engeland. Soekarno was de levende bevestiging van de uitspraak: De bevrijder van vandaag is de onderdrukker van morgen.
Het leger was overal aanwezig. Tot de tanden gewapende militairen marcheerden uitdagend in groten getale rond in de steden en in de havens. Iedereen en alles was corrupt. De armoede in de kampong van Tandjong Priok was schrijnender dan ik ooit in andere ontwikkelingslanden was tegengekomen. Overal werd gebedeld en dat in een land dat over een enorme rijkdom aan bodemschatten beschikte. Alles duidde op chaos en wanbeheer.
Jakarta is een miljoenenstad en enkele kostbare miljoenenprojecten waren en werden door de Amerikanen en Russen gefinancierd. Een enorm voetbalstadion, waar Soekarno zijn ophitsende propaganda toespraken hield, was gefinancierd door de USA en de moderne verkeersweg tussen het stadion en de hoofdstad door de Sovjet Unie. Uiteindelijk zou deze politieke touwtrekkerij in het voordeel van de Amerikanen beslist worden en dat had weer tot gevolg dat tienduizenden Indonesische communisten min of meer uitgeroeid zouden worden. De jacht was geopend op alles wat rood was.
Misschien is het ontstaan van een nieuwe natie, die het juk afschudt van zijn buitenlandse koloniale beheerder, onverbrekelijk verbonden aan een chaotische fase, voordat het land opnieuw een normale rol kan gaan spelen in de wereld. Ik moest echter wel denken aan het lot van Nieuw-Guinea en zijn bevolking, die tegen hun wensen in nu waren ingelijfd bij Indonesië.
Aan boord was het nodig om deuren en patrijspoorten goed gesloten te houden. Ik betrapte een Indonesiër die met een hengel door de patrijspoorten schoenen, kledingstukken of wat dan ook aan de haak probeerde te slaan. In een taxi was de zonnebril van de tweede stuurman door een bruine hand door het open raampje van zijn neus gegraaid. Bij een ander werd een horloge van de pols gerukt. Een gevoel van onveiligheid maakte zich van iedereen meester en de aanwezigheid van zoveel militairen maakte dit gevoel alleen maar sterker.
Na zonsondergang werd een avondklok ingesteld, vanwege mogelijke luchtaanvallen vanuit Maleisië. Belachelijk voor een goed geïnformeerde toeschouwer, maar de Indonesische propagandamachine had zijn werk grondig gedaan en een oorlogspsychose gecreëerd in het leger en onder de bevolking.
In Soerabaja bleef op een nacht één van de toplichten aan een mast van de Eumaeus branden. Na wat geschreeuw en gekrijs vanaf een militaire post op de kade werd met een machinegeweer de lamp uitgeschoten. In Soerabaja werden twee Mercedes-Benz auto´s door militairen uit het ruim gestolen. Zij bezetten het schip met stenguns in de aanslag, takelden de twee wagens uit het ruim naar een op de kade staande vrachtwagen en onder begeleiding van twee militaire jeeps reed de vrachtwagen de kade af en de haven uit.
Zelden heb ik militairen zo zwaar bewapend en arrogant zien flaneren. Handgranaten, messen, bajonetten, stenguns en alles wat maar enigszins op een wapen leek, werden aan gordels gehangen om er als pauwen zo trots en uitdagend mee rond te pronken. We leefden voortdurend in een sfeer van intimidatie.
Ik had wel het een en ander verwacht, maar dit ging al mijn verwachtingen te boven. Het was duidelijk: laden en lossen, je gedeisd houden en weg wezen. Alleen het feit dat de meesten van ons nog zo jong en naïef waren, zorgde ervoor dat we ons niet echt bewust waren van het werkelijke gevaar van de situatie. Dit was mijn eerste reis naar Indonesië en ik zou hierna nog een reis naar dit land maken. Daarbij zou mij iets in Soerabaja overkomen wat een diepe indruk op mij zou nalaten en mij tevens zou doen besluiten een punt achter mijn zeemansloopbaan te zetten.
Gelukkig waren er ook nog enige lichtpuntjes tijdens ons verblijf in Indonesië. Het is natuurlijk een prachtig land met een ongekende tropische schoonheid. Een eilandenrijk met zonovergoten stranden, een overdadige plantengroei en een fascinerende dierenwereld. De evenaar snijdt Sumatra doormidden. Een zonsondergang in de tropen maakt je stil en nederig. Een korte periode van kleur en verstilling in de natuur, voordat de tjitjaks zich de hele nacht laten horen. De trillende hitte van de dag maakt plaats voor een verkoelende avond en nacht. De ellende om je heen lijkt te zijn verdwenen. Even wordt alles zoals het bedoeld is te zijn. De wereld kan ons alles geven wat we nodig hebben. Maar alles is niet genoeg, we willen meer dan alles. “Don´t push your luck”, maar dat doen we wel . We have pushed our luck too far. We krijgen het lid op de neus. Eeuwenlang het lid op je neus krijgen, zou ons toch tenminste tot nadenken moeten stemmen, maar dat lijkt niet onze bestemming te zijn.
In Soerabaja worden we uitgenodigd door de directie van de Bintang bierbrouwerij, nu geëxploiteerd door een Zwitsers consortium na de onteigening van de vroegere Nederlandse eigenaars. We krijgen een heerlijke rijsttafel opgediend met uiteraard vers Bintang bier. Er speelt een gamelan orkest en een schaduwspel met wajang poppen wordt opgevoerd. Één van de poppen krijg ik na de voorstelling cadeau. Voor Patricia koop ik wat Djokja zilver. Heel fijn werk gemaakt door kunstige zilversmeden. Ik vind zelfs heel mooi houtsnijwerk van Bali van de beste kwaliteit. Met onze harde Amerikaanse dollars lijkt alles spotgoedkoop. Ik zie een enorm kunstig gemaakt wandtapijt, eigenlijk meer een geborduurd schilderij. Het is te groot om mee te nemen. Jammer. Schoonheid is niet goed te definiëren. Is het meetbaar? Is het niet meer dan een opinie? Wat of wie bepaalt het?
We bezoeken een dierentuin in Soerabaja. Een nijlpaard laat een enorme boer. Hij heeft zijn bek wijd open gesperd om de pinda's op te vangen, die we in groten getale naar binnen gooien. Een onderaards gerommel kondigt aan dat binnen iets gaande is. En dan komt het. Krakatau is ontwaakt. Zelfs de apen zijn er even stil van.
Kleine paarden worden gehuurd voor een excursie in de bergen. We volgen onze gids langs de afgrond op een heel smal pad. Je moet op het paard vertrouwen en niet te veel aan de leidsels trekken. Schoonheid is om de hoek van de straat. Houd je ogen goed open en je ziet het. Hoe beter je kijkt, hoe meer je het gaat zien.
Van Soerabaja naar Balikpapan in Kalimantan, zo heet Borneo nu. Het regime heeft alle namen die aan Nederland kunnen herinneren, vervangen door nieuwe naambordjes. De geschiedenis moet uitgewist worden. Nederland is hier nooit geweest. We waren ook niet uitgenodigd toen we hier arriveerden. We zijn aan tafel aangeschoven, hebben ons te goed gedaan en toen het tijd werd om op te staan, zijn we maar gebleven. Zo ging dat toen. Verontschuldigingen? Nou ja, als jullie daar zo op aandringen, vooruit dan maar. Maar de geschiedenis wis je daar niet mee uit.
Dat is aan alles te zien, behalve aan de naambordjes.
We verlaten Indonesië om in Singapore olie te bunkeren en de terugreis naar Nederland te ondernemen. De rust van Singapore is een verademing na de Indonesische chaos. We gaan op weg naar huis. We krijgen haast en als het weer en de omstandigheden mee zitten, kunnen we voor 31 december terug zijn. Oud en Nieuw vieren met familie en vrienden. Als dat zou kunnen.
Maar zover is het nog niet, eerst nog naar Djibouti en Aden en vandaar naar Djedda in Saudi Arabië.
In Djibouti laden we kamelen die in Djedda afgeleverd moeten worden. Het traject is maar kort en de dieren staan aan dek met de halsters aan elkaar verbonden. Djedda ligt halverwege de Rode Zee en is zo mogelijk nog exotischer dan Djibouti. De kamelen worden uitgeladen en staan in groepjes op de kade. Een lange witte Cadillac rijdt langzaam de kade op. Een machtig uitziende Arabier in een witte boernoes en hoofdtooi, afgezet met gouden koorden stapt uit de wagen, eerbiedig geholpen door een chauffeur in uniform. Daarna volgen een aantal gesluierde vrouwen en kinderen. De emir loopt plechtig over de kade met een zweep in de hand, op afstand gevolgd door zijn harem en nageslacht. Hij inspecteert de kamelen en loopt daarna weer terug naar de Cadillac en één voor één stapt zijn gevolg weer in. In een stofwolk verdwijnen ze uit het gezicht.
Uit nieuwsgierigheid loop ik de stad in. Er is geen hoogbouw en alles ziet er godverlaten uit. Bruingrijs is de overheersende kleur van de zanderige straten. Hier en daar staat een eenzame palmboom. Ik ontwaar geen enkele straatverlichting. Als spoken verschijnen aan het eind van een straat een aantal gesluierde vrouwen. Als ze mij zien, fladderen ze als verschrikte vogels uiteen en de straat is weer leeg. Geen levend wezen laat zich zien. Een schrikwekkende leegte onder een niets ontziende zon. Mekka en Medina zijn niet ver verwijderd van Djedda en ik zou die steden graag hebben bezocht, maar dat is niet eenvoudig voor een westerling, zo niet verboden. Er is bovendien geen tijd voor.
Via het Suez kanaal wordt de reis voortgezet. Het ziet er naar uit dat we de 31ste december kunnen halen en de machinekamer doet zijn uiterste best om de maximale snelheid uit het schip te halen. Het is winter in Europa en het stormt in de Aegeische Zee bij Kreta. Op de 500 Kc/s ontvang ik heel vaag een noodsignaal. Er is veel verkeer op deze frequentie en ik vraag om radiostilte en inderdaad wordt het wat stiller op de noodfrequentie. Ik blijf geruime tijd scherp uitluisteren, maar hoor verder niets meer. Ik vermeld het wel in het journaal en meld het aan de brug.
De gehele route door de Middellandse Zee blijft stormachtig en we pikken “paaltjes” gedurende het hele traject tot aan de Straat van Gibraltar. Storm op de Middellandse Zee moet beslist niet onderschat worden. Het is geen meer. De golven zijn wat korter dan op de oceaan, maar kunnen een hoogte van zeven tot acht meter bereiken. Na Gibraltar wordt het even wat rustiger, maar daarna gooit een depressie boven de Golf van Biskaje roet in het eten en begint de dans opnieuw.
Kerstmis wordt aan boord gevierd. Een soort metalen kerstboom, in de machinekamer gemaakt, staat in de salon en de kok is geïnspireerd bezig geweest om een gezellig kerstdiner op tafel te zetten. De opstaande randen van de tafels voorkomen dat borden en schotels op de grond vliegen en we zetten ons schrap tegen de slingeringen van het schip.
Zo dicht bij huis dient een vreemde ziekte zich aan aan boord. Bijna niemand ontkomt aan de “Kanaalkoorts”. De laatste paar dagen voor aankomst begint de vertrouwde routine wat af te brokkelen. We staan met één been aan boord en met de andere alweer aan de wal. De hereniging met familie, vrienden, verloofden en echtgenotes komt dichterbij. Ik krijg het druk met telegrammen en telefoongesprekken. De reis van bijna drie maanden zit er bijna op en de koffers zijn al half gepakt.
Gaan we het halen om op tijd in IJmuiden te zijn? De machine draait op volle toeren en slingerend en stampend baant de Eumaeus zich een weg door de onstuimige zee, die ons nog scheidt van het vertrouwde Noordzeekanaal. Het gaat lukken! Ik geef onze ETA (verwachte tijd van aankomst) door aan Scheveningenradio en om vijf uur ´s morgens op 31 december 1964 liggen we klaar voor de loodsboot van IJmuiden. De hele nacht hebben we de flitsende bakens en vuurtorens langs de kust van Zeeland en Zuid-Holland kunnen volgen.
Dan komt de teleurstelling. De loodsdienst is tot nader order gestaakt vanwege de stormachtige omstandigheden. Dat moet even verwerkt worden. Het is bijna niet te geloven, dat we het op het nippertje niet gered hebben na 18.000 km hard aanpoten. Oudejaarsavond is verpest en niet alleen voor ons, maar ook voor hen die op ons wachten.
Aan het eind van de middag wordt de loodsdienst hervat en zien we de loodsboot naderen te midden van het grijze golvengeweld. Wat later liggen we in de sluis van IJmuiden. Er wordt geroepen van de wal. Sommige familieleden zijn met de auto naar IJmuiden gereden om als eersten hun jongens te kunnen begroeten. Om middernacht varen we halverwege het Noordzeekanaal. Ik sta op de brug en zie boven Amsterdam duizenden vuurpijlen de lucht in gaan. “Misschien is dit wel mooier dan thuis langzaam dronken worden”, zegt de tweede stuurman die naast me staat. “Laten we het daar maar op houden”, zeg ik zonder veel overtuiging. “Gelukkig Nieuwjaar!”
Om drie uur ´s morgens op 1 januari 1965 ligt de Eumaeus tenslotte afgemeerd langs de kade en kan ik Patricia in mijn armen sluiten. Ook mijn moeder en Ton zijn er en Carlos met zoon Ernesto en zijn Nederlandse vriendinnetje Brenda. Het wordt toch nog een gezellige en geïmproviseerde Nieuwjaarsmorgen. De vertraging was natuurlijk niet het eind van de wereld, maar wel een grote teleurstelling, vooral voor een zeeman.
Het was nu 1965 en op 19 januari zouden Patricia en ik ons lot aan elkaar verbinden in het oude vluchtkerkje, tevens museum, “Ons Lieve Heer op Solder” in Amsterdam.