Tengiris, haaien en doejongs
We liggen opnieuw voor anker bij een paar kleine eilandjes in de Radja Ampat archipel. Aan het eind van de middag hebben de badjo´s hun taak beëindigd en in de ruimen liggen honderden zakken kopra opgestapeld. Tegen deze tijd en bij het begin van de avond begint het wat koeler te worden en het plan wordt geopperd om een vistocht te ondernemen vóór het helemaal donker is.
De motorsloep ligt nog langszij, de motor is snel gestart en in de kortste keren zijn we op weg naar de koraalriffen die rond de eilandjes liggen en te herkennen zijn aan een lichtere kleuring blauw dan de omringende diepere delen van de zee. We zijn met z´n vieren. Twee stuurlieden, waaronder Willem, onze Maleise bootsman en ikzelf. We gaan proberen een barracuda te vangen.
Het water rondom de eilanden is zó helder, dat de zandige bodem tot op tientallen meters diepte duidelijk is te zien. We vieren een lange lijn uit met een stalen voorloper voorzien van een dreghaak. Om de dreghaak zijn slierten van een afgedankt wit overhemd gedrapeerd die de aandacht moeten trekken van de roofvissen die zich bij de riffen ophouden, althans zo redeneren we onder elkaar. We varen zo dicht mogelijk langs de koraalriffen, die zich donker aftekenen tegen de lichter gekleurde zandbodem.
We hebben succes; de eerste barracuda, hier tengiri genoemd, wordt al snel aan boord getrokken. We krijgen nu de smaak te pakken en willen meer. Even later is de tweede aan de haak geslagen, die veel groter blijkt te zijn dan de eerste en het kost ons veel moeite de spartelende vis naar de sloep te trekken. We hebben de motor gestopt en we liggen zo goed als stil in het water. Terwijl we de wild zigzaggende vis naar de boot trekken, zien we dat hij wordt aangevallen door een haai die zich vastbijt in zijn prooi. Het kan niet waar zijn. Vangen we nu in één klap twee vissen of zijn we ze allebei kwijt? Niemand van ons heeft zoiets eerder meegemaakt. Met vereende krachten trekken we aan de lijn om die twee dichter bij de sloep te krijgen. De haai laat zijn prooi niet los en als we de twee wild bewegende vissen wat dichter bij de boot kunnen observeren, ziet de haai eruit als een behoorlijk exemplaar van tenminste twee meter. Misschien kan de haai zijn prooi niet los laten als hij eenmaal vastgebeten heeft, door de vele rijen driehoekige tanden in zijn bek. Het lijkt allemaal een beetje teveel van het goede en we kijken elkaar aan of het niet beter zou zijn de lijn te kappen en onze vangst te laten schieten. Maar vooral onze Maleise bootsman wil daar niets van weten. Hij wil de buit niet laten ontsnappen. Hij heeft een knuppel en een groot hakmes waarmee hij begint te zwaaien. De kop van de tengiri en de kop van de haai hangen nu over het boord van de sloep en de bootsman beukt als een bezetene in op de kop van de haai. Uiteindelijk ligt de vangst in de kuip en hakt de bootsman de staart van de haai af en dat betekent het einde van de strijd.
Later, bij het opensnijden van de haai aan boord van de Kaloekoe, komen er vijf ongeboren haaitjes van elk ongeveer 15 cm lang tevoorschijn, elk verbonden met een soort dooierzak. Ik houd ze nog een paar dagen in leven in een emmer met zeewater, maar ze gaan ten slotte toch dood en uiteindelijk houd ik een soort katergevoel over aan dit visavontuur.
De volgende dag varen we met de motorsloep naar één van de paradijselijke eilandjes. In minder dan een half uur lopen we over het strand om het eiland heen. Op het witte strand vinden we schelpen van een ongekend formaat. Sommige hebben een doorsnee van bijna een meter en we treffen zelfs een dode doejong (zeekoe) aan, waarvan we niet wisten dat die in deze wateren voorkwamen.
Het is een schitterend, ongerept natuurgebied, zo goed als onbewoond en alsnog onbekend voor de buitenwereld.