Verlof in Nederland
Net voor Kerstmis 1961 landde ik op Schiphol, waar ik werd verwelkomd door mijn moeder en haar nieuwe echtgenoot Ton. Hij werd vergezeld door zijn zoon en dochter met resp. echtgenote en echtgenoot. Het was koud, het regende en dat, tezamen met mijn nieuwe familie, vroeg even tijd om te wennen.
Ton bleek een aardige vent met een schildersbedrijf in Utrecht. Hij woonde boven de zaak en daar kreeg ik de beschikking over een kamer. Enkele dagen later kocht ik m´n allereerste auto, een Opel Rekord cabriolet. Ik had een rijbewijs maar geen enkele rijervaring, behalve twee of drie rijlessen in Singapore. Iedere avond, wanneer de grootste verkeersdrukte voorbij was, startte ik de motor en reed met horten en stoten Utrecht uit naar de nieuwe hoofdweg richting Amsterdam. Bij de rotonde over de Amstel in Amsterdam maakte ik rechtsomkeert en reed voorzichtig terug naar huis. Ik was zo gespannen als een veer, terwijl ik probeerde gelijktijdig met de versnelling, rem en gaspedaal om te gaan en met het stuur de wagen op de weg te houden. Ondanks de kou, de regen en de wind stond het zweet in m´n handen. Maar het ging steeds beter (de betekenis van de verkeersborden kwamen later wel aan de beurt) en een paar dagen later waagde ik me in het stadsverkeer en bezocht mijn vader in Heemstede, waar hij werd verpleegd in een verzorgingstehuis.
Mijn vader kon niet meer lopen en verplaatste zich in een invalidenwagen. Samen reden we naar Zandvoort en dronken een pilsje in een eenzaam en bijna verlaten strandpaviljoen. Het was allemaal erg droevig; zijn spraak werd door z´n ziekte bemoeilijkt en het kostte hem moeite een vloeiend gesprek te voeren. Hij wordt goed verzorgd in het tehuis, maar hij is alleen, ziek, gescheiden en zijn enige zoon is altijd weg. Mijn brieven heeft hij allemaal bewaard. “Ik had meer moeten schrijven”, denk ik. Hij laat me de brieven zien tezamen met wat foto´s. “Wat ben ik blij je te zien, jongen”, zegt hij. “Ik jou ook, pap”, zeg ik terug. Hij is net zo jong geweest als ik nu. Hij speelde voetbal in het eerste elftal van Zeeburgia. Hij werd zelfs geselecteerd voor het Nederlandse jeugdelftal. Linksbuiten speelde hij, net als ik later. Linksbenig allebei. Toen hij 27 was en net getrouwd, werd hij ziek. MS, Multiple Sclerose. “Het is een sluipmoordenaar”, zei hij vaak. Hij accepteerde zijn ziekte nooit. Langzaam takelde hij af, fysiek en mentaal. Daarna de oorlog en de ontberingen. Een huwelijk dat op de klippen liep. Hij had geen geluk.
Hij had wel een zoon, maar die was altijd met zichzelf bezig, en dat begreep hij best. “Je hebt een goeie kop, doe er wat mee”, zei hij toen ik was geslaagd voor mijn toelatingsexamen van de HBS. Hij sprak wat Frans, wat ik als jongetje heel bijzonder vond en nu en dan nam hij me mee naar een opera. Bij het befaamde duet in “De Parelvissers” van Bizet sprongen hem de tranen in de ogen. De muziek ontroerde hem en hij wilde dat met zijn zoon delen.
Hij was geboren in Amsterdam in 1909, zoon van Pieter Cornelis Visser en Adriana Spanjerdt. Toen ik hem bezocht in Heemstede was hij 53 jaar oud en een gebroken mens zonder toekomst. Hij zou nog blijven leven tot 11 juni 1969. Hij haalde de zestig niet. Ik woonde en werkte toen in Madrid en kwam enkele dagen vóór zijn overlijden naar Nederland. Ik weet niet zeker of hij mij nog heeft herkend. Mijn brieven hield hij in zijn hand geklemd.