Het leven aan boord en een paar overpeinzingen
Het radiostation en mijn slaaphut waren gelegen op het brugdek achter de brug met kaartenkamer en juist achter de funnel en de skylights van machinekamer. Aan weerszijden van de skylights hingen de reddingssloepen in de davits. Een paar luchtkokers stonden direct voor de skylights. Bij weinig of geen wind werd het soms ondraaglijk warm aan boord. Temperaturen van boven de 40 graden Celsius waren niet ongewoon. Airconditioning was een ongekende luxe en voor verkoeling zorgde alleen een aantal ventilatoren, die onder dergelijke omstandigheden zonder ophouden functioneerden. Soms bleef de afkoeling ´s nachts uit en werd het moeilijk om de slaap te kunnen vatten. Op gezette tijden namen we zouttabletten in om zoutverlies door transpiratie te compenseren. Talkpoeder werd op de huid aangebracht om prickley heat, een tropische huidirritatie en uitslag tegen te gaan. Een langwerpig rond kussen, “koeling” genaamd, plaatste je voor het slapen gaan als een soort wig tussen je dijen om overmatige transpiratie te voorkomen. De Engelsen hadden het woord “koeling” vervangen voor “Dutch wife”, als blijk van “waardering” voor de Hollandse vrouwen.
De Chinese wasbaas gebruikte het brugdek ook om de was op te hangen en te laten drogen en ik moest vaak een slalom uitvoeren om mijn hut en het radiostation te kunnen bereiken.
Vaccinaties moesten ons beschermen tegen alle mogelijke tropische ziektes, zoals cholera, gele koorts, tyfus, enz.
Op vaste tijden werd door de officieren in de messroom gegeten en het menu bestond over het algemeen uit onbestemde combinaties uit de Nederlandse, Engelse en Indisch-Chinese keuken. Zondag was altijd nasi goreng- of rijsttafeldag en dat was vrij algemeen op de gehele Nederlandse koopvaardijvloot.
Het wachtlopen voor dek- en machinedienst was gebaseerd op het vier op/vier af systeem. In het scheepjargon werd er gesproken van “platvoetwacht, hondenwacht enz”. De radiodienst voor een H8 schip zoals de Kaloekoe had wachttijden van twee uur op twee uur af met een totaal van acht wachturen per etmaal. Bij langere oversteken van oost naar west of omgekeerd werd op gezette tijden de klok een half uur bijgesteld om de middagzon omstreeks 12 uur ´s middags te houden tijdens de voortgang van het schip. Tijdens de wachtperioden werd er voortdurend uitgeluisterd op de 500 Kc/s, de internationale nood- en oproepfrequentie op de middengolf en tweemaal per uur werd gedurende drie minuten een absolute radiostilte op die frequentie betracht, om zelfs heel zwakke signalen te kunnen horen. Het nemen van tijdseinen behoorde ook tot de taken van de radio-officier. Dit diende voor het correct aflezen van de scheepschronometer, onmisbaar voor het bepalen van de positie op zee. Ook het nemen van radiopeilingen als hulpmiddel bij de navigatie behoorde tot die taken.
Via de radiotelegrafie en -telefonie stond het schip permanent in verbinding met de buitenwereld, zowel met andere schepen als met de kuststations aan de wal. Je zou kunnen stellen, dat door het invoeren en in de praktijk gebruiken van deze nieuwe technologie tezamen met de radar niet alleen de veiligheid van de internationale scheepvaart was verhoogd, maar ook voor altijd de horizon voor de navigatie naar buiten was verlegd.
In havens was het niet toegestaan van de zendinstallaties gebruik te maken, hoewel op de kust van Nieuw-Guinea hiermee vaak de hand werd gelicht.
Het varen langs de kust en de eilanden van Nieuw-Guinea was nooit eentonig, hoewel dat op het eerste gezicht misschien zo leek te zijn. Altijd weer de dichte groengrijze oerwoudvegetatie en de blauwgrijze bergketens op de achtergrond. Maar je wist dat er meer was wat je niet zag en dat verscholen lag achter die façade van ogenschijnlijke rust. Het was een tropisch wonderland, een oergebied waar de moderne mens en samenleving nog maar nauwelijks vat op had gekregen en sporen had nagelaten. En die sporen waren slechts kleine wonden en littekens van de “Beschaving” op de vacht van een slapend oerbeest, dat ieder moment zou kunnen ontwaken en zijn belagers in één slag zo zou kunnen wegvagen, alsof het een paar lastige vliegen betrof.
Als ik ´s avonds na mijn wacht en in alle rust vanaf mijn favoriete uitkijkpost boven de brug dat langzaam voorbijtrekkende beeld van de stille kust voor me zag, leek de politieke touwtrekkerij tussen Nederland en Indonesië bijna ridicuul. Waren er dan geen alternatieven om de Papoea bevolking binnen hun eigen waarden en tradities te laten voortbestaan op hun eiland uit de oertijd? Maar nee, dat was niet meer mogelijk en misschien zelfs niet gewenst. De stoomwals van de evolutie zou over hen heengaan in een onvermijdelijke macabere dans, waarin alle betrokkenen gedwongen waren om mee te doen. De Papoea´s wisten nog niet wat hen te wachten stond. Wij westerlingen hadden de sprong in de tijd al eerder meegemaakt. De wereld was aan het krimpen.
Maar je zou willen hopen, dat ze een eerlijke kans zouden krijgen, maar daar zag het niet naar uit. Aan hun haren zouden ze door anderen die nieuwe wereld worden ingetrokken en daarmee hun vrijheid verliezen.