De lagere school
In 1946 ging ik naar de lagere school. De Lorentzschool lag in de Watergraafsmeer naast de Van derWaalsschool in de Copernicusstraat. Dit was tamelijk ver van mijn huis in de Celebesstraat. De afstand van mijn huis naar school heb ik nooit precies nagemeten, maar ik schat het op ongeveer 4 km. Flink doorstappend deed je daar driekwartier tot vijftig minuten over. Er waren diverse scholen dichterbij, maar mijn ouders hadden hun keus laten vallen op deze. Tussen de middag ging ik naar huis om te eten en ik moest dus viermaal per dag de afstand van en naar school afleggen. Daar was nogal wat tijd mee gemoeid en ik besloot het tempo wat op te voeren.
Zes jaar lang rende ik iedere dag naar school, m´n schriften onder mijn bloes en broekriem gestoken, terwijl zich in mijn hoofd allerlei avonturen afspeelden. Ik verbeeldde dat ik een vogel was, laag scherend over de grond of als Roy Rogers, een van de toenmalige filmhelden, galopperend achter de bandieten aan. Het werd een dagelijkse routine waar ik enorm plezier in had en het lukte me binnen een kwartier op school te zijn.
Dat rennen van mij viel natuurlijk op en vooral aan de schooljongens op het plein van de lagere school in de Celebesstraat waar ik iedere dag onvermijdelijk langs moest. Het waren altijd dezelfde drie jongens die me probeerden te pakken. Ik was echter goed getraind en erg behendig geworden in het ontwijken van het drietal, maar ik zat er wel over in en het dagelijks terugkerende probleem zat me behoorlijk dwars. Op een dag ging het mis en ik kwam tijdens een ontwijkingsmanoeuvre te vallen. De drie sprongen boven op me en ik kreeg klappen. Ze hielden me stevig vast, zodat ik me nauwelijks kon bewegen. Het was een zomerse dag en een van hen haalde een brandglas tevoorschijn waarmee hij een gat in mijn dijbeen probeerde te branden. De schroeilucht kwam in mijn neusgaten. Ik werd tenslotte bevrijd door een leraar en ik ging er als een haas vandoor, vernederd, verontwaardigd en in mijn eer aangetast.
Nooit eerder had ik met mijn ouders gesproken over dit dagelijks terugkerende probleem, maar nu kwam ik er alleen niet meer uit. Na het mijn vader te hebben verteld, dacht hij even na en zei toen: “De aanval is de beste verdediging. Je moet je angst overwinnen. Pak ze aan als je durft. Mijn zegen heb je”.
Ik durfde eigenlijk niet en was bang. Maar ik moest een keus maken. Omlopen en die school ontwijken of mijn vrees overwinnen en er tegen aan. De volgende ochtend begon ik vol twijfels, maar met een stok in mijn hand, aan mijn ren naar school. Ik had een beslissing genomen en kon niet weten hoe het af zou lopen.
Daar stonden ze met z´n drieën, klaar om me op te jagen. Ik rende recht op ze af en ramde zo hard als ik kon op ze los. En...., het werkte, mijn vader had gelijk, ze vlogen uit elkaar en daarna heb ik nooit meer last van ze gehad.
Ik was, denk ik, 8 of 9 jaar oud en het voorval had een enorme betekenis voor me. M´n onzekerheid was verdwenen. Ik durfde mijn angsten te lijf te gaan. Ik wist wel dat niet alle soortgelijke problemen op die manier opgelost konden worden. Je moest voorzichtig zijn en alles goed afwegen, maar je moest nooit laf zijn en onvermijdelijke problemen uit de weg gaan. Ik was de Rubicon overgestoken.
Veel later, tijdens mijn eerste jaar op de HBS, bleek dat vele hardlopen niet voor niets te zijn geweest. Ik was niet bij te houden tijdens de hardloopwedstrijden van school, die werden georganiseerd door onze gymnastiekleraar Meneer Borrius en hij raadde mij aan lid te worden van een atletiekvereniging. Het werd AV´23 op de Kruislaan in Amsterdam-Oost.