De miskraam van Loekie
Loekie was een teefje van onbepaald ras, bruin met hier en daar een witte vlek. Niemand aan boord wist wanneer en hoe ze aan boord was gekomen. Ze behoorde als het ware bij de inventaris. Ook had ze geen vaste baas; ze was immers al langer aan boord dan wie dan ook, alhoewel ze meestal voor de deur van de hut van de kapitein lag te slapen. Ze was een allemansvriend en alleen van Papoea´s moest ze niets weten, daar blafte ze tegen. Misschien vond ze dat haar kop gevaar liep.
Loekie was in verwachting, althans dat werd algemeen aangenomen vanwege haar gestaag dikker wordende pens. Haar zwangerschap was een steeds wederkerend onderwerp van gesprek in de mess.
Waar en wanneer zou “het” gebeurd kunnen zijn? Loekie ging nooit de wal op en andere honden aan boord waren door niemand opgemerkt. Alleen een wallabee had enkele dagen los aan dek rondgesprongen, maar die had, voor zover we wisten, geen enkele belangstelling voor Loekie getoond. Er werd zelfs over een mogelijke “onbevlekte ontvangenis” gesproken. Onze nieuwsgierigheid werd dus niet bevredigd, we kwamen er niet achter met wie en waar Loekie een slippertje had gemaakt. Wel vonden we haar een stiekemerd, die niet meer te vertrouwen was.
De Kaloekoe lag al enkele dagen te lossen en te laden langs de steiger in Merauke en de dag voor vertrek besloot ik nog even naar het postkantoortje bij de haven te gaan voor het posten van enkele brieven en het kopen van zegels voor mijn verzameling.
Loekie zat op het dek naast de gangway en hield in de gaten wat er aan de wal gebeurde. Ik streek haar even over de kop voor ik de gangway naar de wal afliep. Ze stond op en liep achter me aan. Dat was vreemd, zoiets deed ze nooit.
Merauke als stadje stelde weinig voor; een stel gammele huizen en kantoren en een paar ongeplaveide straten en daar hield het ongeveer mee op. Verkeer was er nauwelijks; een paar fietsende Papoea´s en af en toe een landrover. Kortom een “one horse town”, zoals Amerikanen in de “Mid-West” zouden zeggen.
Loekie wachtte geduldig buiten het postkantoortje tot ik klaar was en op de terugweg naar het schip waggelde ze trouw achter mij aan. Ze stak de weg over en daar was plotseling een landrover van de plaatselijke politie en Loekie werd overreden. Ik zag haar onder het linker voorwiel komen en stil onder de wagen blijven liggen. Ik was er zeker van dat ze dood was. Voorzichtig trok ik haar vanonder de wagen vandaan. In een plas bloed lagen een paar ongeboren hondjes. Die waren dood en Loekie had ze dus verloren door het ongeluk.
In mijn armen droeg ik haar terug naar het schip, terwijl ik haar zachtjes hoorde klagen. Ikzelf was ook behoorlijk aangedaan en had enorm te doen met het arme dier.
Aan boord kwam er een stroom van verwijten over mij heen van de vrouw van de kapitein, die de reis meemaakte. “Hoe haal je het in vredesnaam in je hoofd met dat arme dier de wal op te gaan. Dat beest heeft geen idee wat verkeer is, enz., enz.”. Ik liet het maar gelaten over me heen gaan. Ik vond het zelf al erg genoeg.
De dokter die Loekie onderzocht, gaf haar weinig kans om te overleven. Maar Loekie gaf niet op en bleef in leven. Tot onze verbazing en opluchting was ze na korte tijd weer op de been en scharrelde rond alsof er niets gebeurd was. Maar nu sliep ze voor mijn deur. Dat was vreemd, maar misschien liet ze blijken mij het gebeuren liet langer kwalijk te nemen. Dat was in ieder geval de conclusie die ik graag wilde trekken.