Een luchtgevecht
Het was oorlog. Voor een kleuter van 4 jaar de meest normale zaak ter wereld. Je was immers in 1939 geboren en er waren pas 4 jaren verlopen. Je zat er dus midden in en wist niet anders. Voor Tante Jo, wier hand de jouwe veilig vasthield, was dat niet zo. Zij had de tijd van vrede en vrijheid nog meegemaakt.
Toch wist je, hoe klein je ook was, dat er iets bijzonders gaande was. Een kleuter moet je in dat opzicht niet onderschatten. Altijd was er een soort spanning om je heen en dat kon je voelen. Er gebeurden dingen die ongewoon waren.
Terwijl je speelde, gaf je je oren en ogen goed de kost. De signalen van onrust en gevaar ontgingen je niet. De woorden: Duitsers, Rot Moffen, Engelsen, Amerikanen en NSB'ers hadden geen betekenis voor je, maar je hoorde ze wel en je wist dat ze deel uitmaakten van de wereld der volwassenen die altijd om je heen aanwezig waren.
Nu liep je veilig aan de hand van Tante Jo. Tante Jo had een bloemenwinkel in de Pretoriusstraat in Amsterdam-Oost. Wanneer je van de straat naar binnen kwam, was je plotseling in een weelderige tuin met planten en bloemen die in potten en vazen langs de wanden en op de houten vloer stonden. Het rook er naar vochtige aarde en altijd was er de kleur en de doordringende bedwelmende geur van allerlei soorten bloemen.
Tante Jo was je liefste Tante en vandaag liep je met haar op straat naar een vergeten bestemming. We sloegen een hoek om en liepen langs de verlaten synagoge op de Polderweg. De Polderweg lag langs de spoorweg en een groot stuk onbebouwde grond. Soms werd voor korte tijd op dat open veld een kermis of een circustent opgezet, om daarna weer plaats te maken voor voetballende jongens.
Het was een warme zomerse dag en toch waren er maar weinig mensen op straat. Plotseling verdween de rust en je zag mensen de pas versnellen en sommigen renden in verschillende richtingen uiteen. “Vlug Peet, kom mee”, riep Tante Jo. Je werd meegetrokken door haar hand naar een portiek van de verlaten synagoge. Hier stonden al meer mensen . Vanuit het portiek kan je heel goed het kale veld tot aan de spoorlijn overzien. Daarboven was de blauwe lucht met een paar witte schaapjeswolken. Iedereen keek naar boven, naar die blauwe lucht en de witte wolken boven de spoorbaan.
En daar waren ze, twee vliegtuigen die dan weer in en dan weer uit de wolken doken en in scherpe lange bochten om elkaar heen vlogen als bijen en wespen om een grote witte bloem. “Kijk, kijk, daar vallen kogels”, hoorde je roepen. Op het veld voor ons zag je hier en daar wat stofwolkjes opstijgen.
Ineens was alles voorbij. In de lucht was niets meer te zien en de mensen liepen weer gewoon op straat.
Maar ik had de angst en opwinding van de grote mensen om mij heen gevoeld en dat zou ik niet meer vergeten.