Slagkruiser Kaloekoe, 2149 BRT
Een week na de nieuwjaarsviering vertrok de Kaloekoe voor een nieuwe reis naar de verre kusten van Nieuw-Guinea. Er waren wat aflossingen geweest en als nieuwe 3e stuurman kwam Willem R. aan boord. Met Willem zou ik goed bevriend raken en nog menig avontuur beleven. Ook de kapitein was vertrokken voor verlof naar Nederland en voor hem in de plaats kwam een nieuwe gezagvoerder, afkomstig uit Groningen, die zich als een geschikte vent en een echte zeilenthousiast zou ontpoppen.
Willem R. zat flink in de put toen hij aan boord kwam. Zijn verloofde in Nederland had zojuist de verkering uitgemaakt en hij kon daar niet over uit. Vooral het feit dat ze hem had laten lopen voor een jongen uit Pakistan, ging zijn bevattingsvermogen te boven. “Die lui graaien het eten met hun handen van het bord”. “Hoe haalt ze het in haar hoofd”, bleef Willem maar herhalen. Ik probeerde hem wat op te beuren door te zeggen dat de helft van de wereldbevolking uit vrouwen bestond en dat er vast wel een van z´n gading bij zou zijn en dat alles best weer in orde zou komen.
“Denk je dat ik dat niet weet?”, zei Willem verontwaardigd, “maar ik wilde deze hebben”. Later zou hij weer flink van zijn herwonnen vrijgezellenstaat gaan genieten, maar voorlopig was hij in een mineurstemming.
Na enkele dagen op zee en bij de nadering van Noord-Borneo en de zuidelijke eilanden van de Filippijnen werden alle officieren naar de brug gesommeerd voor een belangrijke mededeling van de kapitein.
De politieke verstandhouding tussen Nederland en Indonesië was gaandeweg slechter geworden. President Soekarno maakte handig gebruik van de Nieuw-Guinea kwestie om de binnenlandse economische en sociale problemen te verdoezelen en de bevolking op te ruien tegen de Nederlandse koloniale uitbuiter, de Blanda Busuk. De spanningen waren nu zodanig opgelopen, dat zelfs een oorlog tussen beide landen niet onmogelijk leek. Één van de K-boten van de KPM was op de Nieuw-Guineakust beschoten door een Indonesisch patrouillevaartuig en infiltraties van Indonesische commando´s vonden nu regelmatig plaats aan de zuidkust en hadden reeds de eerste slachtoffers geëist.
Van hoger hand was nu besloten, dat alle officieren van de drie K-boten op de Nieuw-Guineadienst, waaronder dus ook de Kaloekoe, van een revolver zouden worden voorzien, zodat we ons zouden kunnen verdedigen bij een eventuele aanval op ons schip.
We keken elkaar vragend aan bij deze mededeling. Was dit een grap of was het menens? Één van ons vroeg of er ook van ons verwacht werd, als de overmacht te groot zou blijken, net als Van Speijk de lont in het kruitvat te werpen en voor vlag en vaderland de lucht in te vliegen.
Meer dan iets anders was het een komische bijeenkomst, omdat niemand ook maar enige fiducie had, dat een paar revolvers een eventuele aanval zouden kunnen afweren. Bovendien was niet iedereen in militaire dienst geweest en moesten er van nu af aan schietoefeningen gehouden worden om met de wapens vertrouwd te raken.
En dus stonden we bijna dagelijks op de brug om onze revolvers leeg te schieten op de langsdrijvende blikjes en lege flessen die door de bootsman van de voorpiek in zee werden gesmeten. Als er raak werd geschoten, wat maar weinig gebeurde, klonken er indianenkreten van triomf en we vermaakten ons net als figuranten in een Wild West film. Gelukkig deden zich in werkelijkheid nooit omstandigheden voor, die het nodig maakten van onze wapens gebruik te maken. Het bleef dus bij een grappige anekdote tijdens de reis.