Toevallige en minder toevallige omstandigheden
Ik ben twee jaar weg geweest en ik zie mijn stad, mijn land en de mensen met andere ogen. Wat of wie is er veranderd? Ik ga naar Amsterdam en kijk naar de geveltjes op de Keizersgracht, het Spui en in de Jordaan. Die waren me nooit opgevallen toen ik in Amsterdam woonde en daar naar school ging. Ik zoek een paar oude vrienden op. Kik en Jaap. We zijn twee jaar ouder geworden en dat is niet veel. Maar ieder heeft nu zijn eigen leven. We drinken een glas, deden een plas en lieten alles zoals het was.
Bij toeval ontmoet ik Jan H.(Jantje), een vroeger speelkameraadje uit dezelfde buurt waar ik woonde in Amsterdam-Oost. Hij was mijn boezemvriend, toen we tussen de 6 en 12 jaar oud waren. Onafscheidelijk zelfs. Alles deden we samen; boetseren, tekenen, spelen en fietsen. We drinken een glas bier samen in een bekende kroeg in Amsterdam.
“Je bent verruwd”, zegt Jan terwijl hij mij onderzoekend aankijkt. Ik haal mijn schouders op. “Misschien”, zeg ik. “Ik ben veel poëtischer geworden”, zegt Jan. “Dat is niet aan je te zien”, zeg ik weer. “Zie je nou wel dat je verhard bent”, zegt Jan. “Is dat aan me te zien?”, zeg ik terug. “Nou en of”, zegt Jan. En zo gaan we een poosje door.
Ineens denk ik dat we toch niet zoveel veranderd zijn. Ondanks onze onvoorwaardelijke vriendschap van toen, lagen we altijd in concurrentie met elkaar. Wie kon het hardst lopen, wie was de slimste, wie kon iets beter dan de ander. Hoe staat het met de vrouwen willen we van elkaar weten. “Ik ben verloofd, al twee jaar”, zegt Jan. “Ik ben verliefd”, zeg ik, “maar dat gebeurt me geregeld en daar maak ik me een beetje zorgen over”. “Je liegt, vuile rotzak, het kan je geen donder schelen”, zegt Jan. En zo dollen we nog wat door. “Hou je goed en tot ziens”. Een handdruk en we zijn weg.
Enkele maanden later komt Jan om het leven, als hij slipt met zijn scooter en door een etalageruit vliegt in de Reguliersbreestraat in Amsterdam. Hij was pas 22.
Ik ben met verlof en heb veel te weinig te doen. In Utrecht ken ik niet al te veel mensen en het duurt even voor ik mijn “draai” heb gevonden.
“De Trechter” op de Oude Gracht is een café, waar tot ´s avonds laat veel jonge mensen een pilsje pakken. Utrecht is een studentenstad en de sfeer is meestal gezellig. Het is winter en van de terrasjes kan geen gebruik worden gemaakt. Alle gezelligheid is binnenshuis. In De Trechter ontmoet ik wat oude kennissen uit Loosdrecht en Utrecht zelf. Jaap K. is een expert op jazzgebied, Connel O. een slimme wildeman, die zich bezig houdt met de autohandel en Christa R., een vroeger vriendinnetje. Voor Christa had ik altijd een zwak. Christa was een heel leuk en spontaan meisje met kort donker haar en heel grote bruine ogen, die ze heel wijd kon openen als ze iets zag of hoorde dat haar verbaasde of verwonderde. Ze kon heel aandachtig luisteren en zei alleen maar iets op het juiste moment en altijd steekhoudend. In Loosdrecht waren we al bevriend, maar verder dan vriendschap was het nooit gekomen. Bovendien was zij niet het losse type, dat zo maar met iedereen meeging. Ze hield van gezelligheid, de sfeer van de jazzkelders en was vriendin van haar vrienden en vriendinnen. Christa was echt. Ze woonde bij haar moeder en kende haar vader niet. We waren blij elkaar weer te ontmoeten en tijdens mijn verlof trokken we vaak samen op. In Utrecht behoorde ze tot het groepje vrienden en kennissen waar ik veel contact mee had.
Tijdens één van mijn nachtelijke bezoeken aan De Trechter kwam ik aan een tafeltje te zitten naast een man van middelbare leeftijd die duidelijk een buitenlander was. Een Clark Gable type met een snorretje in een Zuideuropese of Zuidamerikaanse uitvoering. Het was toen niet gebruikelijk om buitenlanders in De Trechter aan te treffen en nog minder bezoekers van middelbare leeftijd. Hij zat daar rustig een whisky-soda te consumeren en de omgeving te observeren. We kwamen in gesprek en we stelden ons voor. Carlos M. kwam uit Colombia en woonde sinds kort met zijn familie in Utrecht. Hij vertelde me dat hij als advocaat jaren lang voor de Shell in Colombia had gewerkt en nu Zuidamerikaanse literatuur aan de Universiteit van Utrecht doceerde en tevens verbonden was als cultureel attaché van de Colombiaanse ambassade in Den Haag. Hij sprak redelijk Engels en in die taal voerden wij ons gesprek.
Wat zocht een man als Carlos in een kroeg als De Trechter? Hij vertelde me dat hij, noch zijn familie ooit eerder in Europa waren geweest en dat deze nieuwe omgeving, zo anders dan de Colombiaanse, een soort cultuurschok in hem had teweeggebracht en dat hij nu bezig was zijn nieuwe habitat te verkennen. Dat leek me heel aannemelijk. Maar het werd me ook duidelijk, dat hij gefascineerd was door al die mooie blonde Hollandse meiden die in en uit liepen. Ook dat leek me heel begrijpelijk.
Voor de avond voorbij was, had Carlos hem behoorlijk om en zijn Engels begon onverstaanbaar te worden. Ik raadde hem aan een taxi te bellen, zodat hij veilig thuis kon komen. De telefoon in De Trechter was voortdurend bezet en uiteindelijk bood ik aan hem naar huis te rijden.
Carlos bleek met zijn familie in een flat te wonen in een buitenwijk van Utrecht. Ik leverde hem voor zijn huis af en na op de bel te hebben gedrukt, werd de deur geopend door een jong meisje met gitzwart haar en donkere ogen. Carlos stelde mij voor aan zijn dochter Patricia en stond erop, dat ik hem mijn adres en telefoonnummer gaf en bedankte mij hartelijk voor het thuisbrengen.
Weinig kon ik toen vermoeden dat Carlos enkele jaren later mijn schoonvader zou worden en Patricia mijn vrouw. Opnieuw een bewijs hoe een toevallige samenloop van omstandigheden iemands levensloop ingrijpend kan beïnvloeden.
Enkele dagen later ontving ik een uitnodiging tot het bijwonen van een inauguratie lezing van Carlos in een van de aula´s van de Utrechtse universiteit. Mijn kennis van de Spaanse taal was erg beperkt, maar ik verstond voldoende om te begrijpen dat de inhoud betrekking had op de Zuid-Amerikaanse literatuur en schrijvers en dichters zoals Ruben Dario en Borges. Ik maakte daar ook kennis met de echtgenote van Carlos en de broer van Patricia, Ernesto. Vanaf dat moment werd ik een geregelde gast bij de familie Martín.
Het was winter in Nederland en dat betekende veel regen, wind en zo nu en dan sneeuw en koude voeten. Ik was nu ruim twee maanden met verlof en ik begon naar een nieuwe bestemming uit te zien. Ik besloot een praatje te gaan maken op het hoofdkantoor van Radio-Holland N.V. op de Keizersgracht in Amsterdam. Ik liet daar weten dat ik best in aanmerking wilde komen voor een nieuwe term van twee jaar bij de KJCPL in het Verre Oosten. Met die voorkeur zou rekening worden gehouden, werd mij gezegd. Het zou nog tot half april duren, voordat ik bevestiging kreeg dat mijn verzoek was ingewilligd en dat ik geplaatst zou worden op het m.s. Straat Malakka van de KJCPL. Het schip zou eind april in Durban, Zuid-Afrika aankomen en daar zou ik moeten aanmonsteren.
Na uitgeleid te zijn door familie en vrienden, vertrok ik op 22 april 1962 met een DC9 van de Suid Afrikaanse Lugdiens (SAL) van Schiphol naar Johannesburg met als enige tussenlanding Brazzaville in het Franse Congo. Een lokale vlucht bracht me van Johannesburg (Joburg voor de Afrikaners) naar Durban, waar ik werd opgewacht door een plaatselijke medewerker van de KJCPL. Hij vertelde me dat de Straat Malakka enige vertraging had en pas op 25 april in Durban zou aankomen. Ik kreeg dus een paar dagen de tijd om te acclimatiseren en te genieten van de zomerse temperaturen en de prachtige zandstranden van Durban.