Vrij na school
Mede door de Amerikaanse Marshallplan-hulp begon Nederland zich langzaam van de oorlogsschade te herstellen. Op school werd ´s morgens melk uitgedeeld om weer wat calcium in onze botten te pompen. Het schooltuin project werd weer ingesteld en dat was een leuke afwisseling binnen de dagelijkse schoolactiviteiten, vooral voor ons stadskinderen interessant omdat we zo in aanraking kwamen met de grond en het verbouwen van diverse planten en groenten, die je na verloop van tijd zelf kon oogsten.
´s Winters was er altijd sneeuw, vooral in januari en februari. Soms werd er ijsvrij gegeven en dan draaiden we rondjes op onze Friese doorlopers of houten Noren op de vijvers en grachten van de stad. Tijdens de weekeinden reden we lange tochten over de bevroren meren en rivieren. Oude kranten onder je trui beschermden je tegen de vrieskoude wind en bij de “koek-en-zopie” op het ijs kon je een kop snert met rookworst of warme chocolademelk met gevulde koeken kopen. Wanneer de dooi inzette en het ijs begon te smelten, kon je een nat pak riskeren door schotsen te springen. Ouders en leraren mochten dat natuurlijk niet weten. Ieder jaar verdronken op die manier wel enkele kinderen en het verbod was begrijpelijk. Maar alles wat verboden was, kreeg onmiddellijk een enorme aantrekkingskracht en het uitproberen of het ijs nog wel hield en het springen van de ene schots op de andere waren mooie gelegenheden om aan jezelf en je vriendjes je moed te tonen. Meestal liep alles goed af, maar een nat pak en een flinke verkoudheid was wel het minste dat je kon verwachten.
´s Zomers was je op de fiets aangewezen en soms reed ik met mijn ouders en mijn vriendje Jan naar Abcoude, waar mijn vader een roeiboot huurde om over het Gijn te roeien en ergens bij de oever aan te leggen. Terwijl mijn vader langzaam voortroeide tussen de gele en witte waterlelies en plompenbladen en het fakkelriet aan beide oevers, lag ik plat op mijn buik op de voorplecht met een vangnet in mijn hand in het water turend om een vis te kunnen verschalken. Voorntjes en stekelbaarsjes zwommen tussen de waterplanten. Op een keer kreeg ik zelfs een kleine snoek te pakken die stil tussen de waterplanten op z´n prooi wachtte. M´n vader viste met een lange bamboehengel. De gevangen vis ging in de bun in het midden van de boot en werd aan het eind van de dag weer in het riviertje losgelaten. ´s Middags werd de picknickmand uitgepakt en aten we tussen het hoge gras en de boterbloemen onze boterhammen op.
Langs de rivier lagen hier en daar boerderijen en liepen koeien en schapen in de wei. Tussen het riet nestelden waterhoentjes en eenden en altijd plukten we onderweg fakkels, die we later thuis in lange vazen maandenlang bewaarden.
Op zulke dagen waren Jantje en ik onafgebroken in de weer met vissen, fakkels plukken, zwemmen en eieren zoeken. In de holle knotwilgen langs het riviertje nestelden allerlei soorten vogels. Op een dag zagen we een piepklein veelkleurig vogeltje uit de holte van een knotwilg in- en uitvliegen, hetgeen ons jachtinstinct deed ontwaken. We beslopen de boom en met onze zakdoeken sloten we alle ontsnappingsroutes af. We sloegen met een stok op de stam en plotseling had ik het vogeltje in mijn hand. Na wat verweer bleef het stil zitten en ik voelde zijn razend snel bonzend hartje in mijn hand. Ik kreeg meteen spijt van wat we aan het doen waren, opende vlug mijn hand en piepend vloog het terug naar de vrijheid.