Langs de kust van Nieuw-Guinea 3
Onze 1ste stuurman was een stevig gebouwde Surinamer; een gezellige, goedlachse man. Hij speelde prachtig piano en was natuurlijk een opvallende verschijning in Nieuw-Guinea en aan boord van een KPM-schip. Ik kende geen andere Surinamer in die periode in dienst van deze rederij. Ik herinner hem als een uiterst correct en aangenaam persoon van een niveau, dat niet altijd door z´n blanke collega´s werd geëvenaard.
Op een avond, bij het betreden van de Nederlandse club in Hollandia, zag ik stuurman B. een polka van Chopin op de piano van de club spelen en hoorde het commentaar van een paar Nederlanders bij de ingang. “Hoor die Papoea eens piano spelen”. Met een zekere trots kon ik zeggen: “Dat is onze 1ste stuurman”. B. werd later in Singapore overgeplaatst naar een ander schip van de KPM.
Jaren later raakte ik bevriend met een Utrechtenaar, wiens zuster getrouwd bleek te zijn met een broer van B. en hoorde het droevige verhaal, dat B. als kapitein een KJCPL schip verloor op het Australische Great Barrier Reef en na zijn ontslag bij de KJCPL nog enkele jaren als gezagvoerder op schepen van rederijen in het Verre Oosten dienst deed. Maar zijn carrière was gebroken na de stranding op het rif bij Australië.
Ik raakte nu goed ingeburgerd aan boord en begon mijn vak steeds beter onder de knie te krijgen, hetgeen natuurlijk positief werkte op mijn zelfvertrouwen. De kapitein was getrouwd en woonde met zijn vrouw in Singapore. Zij maakte deze reis aan boord mee. De KPM beschikte voor het gehuwde personeel over een flatgebouw in die stad. De tweede stuurman was ook een aardige en sympathieke figuur. Ook hij was getrouwd en woonde met zijn Indisch-Nederlandse echtgenote in de KPM-flat in Singapore. De derde stuurman was vrijgezel zoals ik en kwam van een van de Zuid-Hollandse of Zeeuwse eilanden. Hij leek een beetje uit de klei getrokken. Hij vertelde me, dat alle jongens die van buiten zijn dorp het weekeind naar de locale discotheek kwamen om met de plaatselijke meiden te dansen, door hem en zijn vrienden in elkaar werden geslagen. Als hij dit vertelde, keek hij behoorlijk dreigend uit zijn ogen en het idee om ooit tijdens mijn verlof in zijn dorp (ik meen op het eiland Tholen) te gaan dansen, zette ik maar gauw van mij af. Hij was verder een aardige vent, ongeveer van mijn leeftijd, en samen hebben we menig potje bier gedronken, maar verder hadden we niet veel gemeen.
De hoofd-wtk was een al wat oudere man (voor ons jongeren was iedereen boven de 40 al behoorlijk oud) en ook hij woonde in de KPM-flat in Singapore. De 2e WTK was een ongecompliceerd mens, goedlachs, altijd klaar voor een pilsje en een praatje en ik kon goed met hem overweg.
De 3e wtk, ook een jonkie zoals ikzelf, was de zoon van een dominee (gereformeerd?) en praatte ook zo. Hij was spierwit en dat was enigszins vreemd in de tropen. Hij leefde tussen de machinekamer, de messroom en zijn hut. Ik zag hem bijna nooit de wal opgaan. Ik kreeg de indruk, dat het varen eigenlijk niets voor hem was en dat hij verlangde naar een “normaal” leven in Nederland. Later tijdens de reis langs de zuidkust zouden bij hem in Merauke de stoppen doorslaan. Hierover later meer.
Tijdens de lange tijd die ik aan boord van de Kaloekoe doorbracht, werden diverse officieren afgelost door anderen, waarvan er één, W. R. als derde stuurman, een onafscheidelijke stapmaat van mij zou worden.
De Kaloekoe was beslist niet een van de mooiste schepen om te zien wat haar lijnen betrof, maar ik merkte hoe je gehecht kon raken aan zo´n schip en met hoeveel plezier je weer aan boord stapte na een tijdelijke afwezigheid. Het was je huis en daar tikte het klokje zoals nergens en je mede bemanningsleden maakten deel uit van je familie.