Familiereünie en parties in Australië
Fremantle is de voorstad en haven van Perth en maakt een rustige, provinciale indruk. Er is weinig hoogbouw en de straten staan keurig haaks op elkaar. Er is niet veel verkeer en ook geen overmatige drukte op straat. Na zoveel dagen op zee wil iedereen tenminste even de wal op om de benen te strekken, wat inkopen te doen en weer iets te proeven van het leven aan de vaste wal. De “Aussies” zijn gemoedelijke, ongecompliceerde mensen. Een nieuw continent van immigranten met een nog maar korte geschiedenis. Met zijn 16 miljoen inwoners is het een dun bevolkt land en West- Australië spant wat dat betreft de kroon. Het grootste deel van de bevolking woont in de grote steden Sydney, Melbourne, Adelaide en Brisbane aan de zuid- en oostkust van Victoria en New South-Wales.
De Hollandse zeevaarders uit de 17e eeuw vonden de westkust van Nieuw-Holland niet interessant. Er waren weinig geschikte landingsplaatsen. Het gebied was heel schaars bevolkt en scheen geen goede perspectieven te bieden voor de handel. Het werd meer een baken voor de schepen van de VOC, die vanaf Kaapstad naar Oost-Indië voeren. Na het in zicht komen van de kust van Nieuw- Holland werd op een noordelijke koers de eilanden bereikt, die later Nederlands-Indië zouden vormen. Daar was toen meer te verdienen dan in Australië.
Onze volgende bestemming is Melbourne. Enkele jaren na de oorlog waren, net als zoveel andere Nederlanders, twee oudere neven van mij naar Australië geëmigreerd om daar een nieuwe toekomst op te bouwen. Hans en Dick waren een tiental jaren ouder dan ik en als klein jongetje was ik erg op ze gesteld en keek met veel respect op naar m´n oudere neven. Hans was van het kordate praktische type en Dick de intellectuele wereldhervormer met een artiestenbaardje. Ik erfde hun jongensboeken toen ze uit Nederland naar Australië vertrokken. De meeste natuurlijk van Dick. Hans was getrouwd met Lydia en Dick met Ans. Ze woonden allen in de buurt van Melbourne en ik verheugde mij om hen na zoveel jaren weer te kunnen ontmoeten. Vanuit Fremantle stuurde ik hun een telegram met onze verwachte datum van aankomst in Melbourne.
Drie dagen na vertrek uit Fremantle liep de Straat Malakka de haven van Melbourne binnen en ik herkende bij het afmeren direct de zwaaiende Hans op de kade. Het leeftijdsverschil was nu niet meer zo opvallend, maar hij was nog wel mijn grote neef. We schudden elkaar enthousiast de hand en onder het genot van een paar pilsjes in mijn hut praatten we het vacuüm van 12 jaar dicht. Hij stond erop dat ik, gedurende de tijd dat de Straat Malakka in Melbourne was, bij hem thuis zou verblijven. Chris v. Z, de 4e stuurman, mocht ook mee.
Hans, die later fortuin zou maken met het bouwen van caravans, werkte toentertijd voor een Australische miljonair en de Rolls Royce, die hij van zijn baas had geleend, stond op de kade geparkeerd. Na toestemming te hebben gekregen van de kapitein, vertrokken we in stijl en onder het kritisch oog van de wharvies, die op de kade klaar stonden om aan de slag te gaan. Twee dagen bracht ik bij mijn neef en nicht door en één avond bij neef Dick en zijn vrouw Ans. Hans en Lydie doorspekte de Nederlandse taal met veel Engelse woorden en uitdrukkingen. Ze hadden zelfs al een Australisch accent. Bij Dick was dat niet het geval. Zijn Nederlands was accentloos. Hans leek meer tevreden dan Dick met zijn nieuwe leven in Australië en nam de tijd om ons de omgeving te laten zien. Jaren later kon ik in Nederland aan tante Jo, de moeder van Hans en Dick, verslag uitbrengen van de familieontmoeting in Australië. Zij zou haar zoons nooit meer terugzien.
Na Melbourne was Sydney onze volgende bestemming. Sydney heeft één van de mooiste havens ter wereld en het binnenlopen is altijd spectaculair. Het is tevens de grootste stad van Australië en dat betekent, dat meer dan 20 procent van de totale bevolking in Sydney woont. Het uitgaanscentrum ligt rondom King´s Cross. Het verkrijgen van alcohol na zes uur ´s avonds was toen heel moeilijk. In de pubs mocht na deze tijd geen alcohol meer verkocht worden en dat werd als een ramp ervaren door de dorstige Australiërs. Ook was de toegang tot de pubs voor vrouwen verboden. Het verbod gaf aanleiding tot vermakelijke situaties. Een half uur vóór de dead-line van zes uur werd in de meeste pubs een bel of een gong geluid. De bel voor de laatste ronde en daarna geen drank meer. Maar zo gemakkelijk kwam je niet van de drinkers af. Ze bestelden snel tientallen glazen bier tegelijk, die werden opgeslagen op de planken die langs de muren van de pub waren aangebracht. Zo konden ze nog uren drinkend in hun stamkroeg doorbrengen, terwijl de vrouwen buiten met de kinderwagens stonden te wachten tot het manlief beliefde afscheid van zijn “mateys” te nemen en naar buiten te komen. Daar kon hij dan de begroeting van zijn vrouw in ontvangst nemen.
Sommige pubs leken meer op benzinestations. De barkeeper liep door de pub met een soort benzineslang, waarmee hij de glazen van de mannen vulde met bier. De grootste bestelling was een “Schooner”, daarna afdalend naar “Jug” en “Pint”. Wie daarna nog dorst had, kon alleen nog terecht in gerenommeerde hotels voor “Wine and Dine”, hetgeen de combinatie van een maaltijd met een fles wijn inhield. Zoals bij ieder verbod oefent de overtreding hiervan een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit en de Australiërs waren natuurlijk heel behendig in het omzeilen van de obstakels.
Het verbod was een bonus voor de KJCPL schepen, die lijndiensten met Australië onderhielden. De overheid had natuurlijk geen bevoegdheid over wat er wel of niet aan boord van een schip werd gedronken en dit leidde tot een grote populariteit van de RIL schepen onder de vrouwelijke bevolking, die ook wel van een drankje hield. Zodra een schip langs de kade lag, werd een telefoon bij de gangway geïnstalleerd en kwamen de verzoeken binnen voor “parties” aan boord. In de regel kwamen die verzoeken van verpleegsters uit de plaatselijke ziekenhuizen of onderwijzeressen van scholen. Als de aanvragen te lang uitbleven, namen we zelf het initiatief en belden de plaatselijke ziekenhuizen op. Op die manier ging er bijna geen haven voorbij zonder een party aan boord. Het is dan ook niet te verwonderen, dat zoveel KJCPL officieren getrouwd raakten met Australische vrouwen. Uiteraard moesten de kapiteins toestemming geven voor deze bijna traditionele feestjes en dat was over het algemeen nooit een probleem en als ze jong genoeg waren, deden zij daar zelf graag aan mee. De messroom was meestal de meest geschikte plaats voor een dansje, drankjes en conversatie.
Met kapitein M. bleek het niet zo eenvoudig. Ik was door mijn collega´s aan boord gevraagd om hem om toestemming te vragen en dat deed ik dus. Hij deed zelf niet mee en ging liever de wal op.
Hij merkte op: “Als de kat van huis is, vieren de muizen feest” en kwam verder met een serie instructies van wat wel en niet zou mogen. Vooral geen privé afspraakjes in de hutten tijdens of na de party. De moraal moest onder alle omstandigheden behouden blijven. Hij was een koele kikker en ik begon zo langzamerhand een hekel aan de man te krijgen, iets wat gedeeld werd door de meeste van mijn collega´s. Uiteindelijk gaf hij schoorvoetend toestemming met een hele serie voorwaarden, waarbij ik me steeds ongemakkelijker ging voelen. Ik dacht zelfs maar van alles af te zien. Hoe kon ik aan mijn collega´s uitleggen, dat de party een soort padvinders- of zondagschool meeting zou moeten worden. “Ik houd jou verantwoordelijk”, voegde hij er ten slotte aan toe. Ik had natuurlijk geen zin om als politieagent te functioneren en zo bracht ik dat ook over aan mijn collega´s. M. was net getrouwd met een Zuid-Afrikaanse en we werden het eens dat haar keus op hem was gevallen, omdat hij witter dan wit was. Een bleekscheet zouden ze in Amsterdam zeggen.
De party werd een groot succes. Er werd gedanst, gedronken en gezwetst in de versierde salon van de messroom en de Australische dames hadden “great fun". "Can we come again tomorrow?” Maar daar moest een ander maar toestemming voor vragen.
Chris v.Z. kon iedereen vermaken als hij gek ging doen. Hij had twee valse voortanden als prothese en zo nu en dan liet hij die over zijn onderlip hangen en vertolkte een show met een “toothbrush” tot grote hilariteit van de toeschouwers.
Zo´n party aan boord was in wezen een vrij onschuldige gebeurtenis, maar een mooie gelegenheid om na een lange oversteek weer even gezellig met de meisjes te dollen en de routine aan boord te doorbreken. Over zo´n party kon nog dagen worden nagekaart.
In de Australische havens speelde de vakbond (Sindicate) van havenarbeiders een vooraanstaande rol. Voordat de “wharvies” de hand aan de lading gingen leggen, vond er een strenge arbeidsinspectie van het schip plaats. Een olievlek op dek kon voldoende zijn voor een staking of vertraging bij het laden en lossen. Het taaltje dat deze categorie van Australiërs kon uitslaan, loog er ook niet om. Om het andere woord werd het f-woord gebruikt. Dat leidde tot komische combinaties. Een transistorradio werd bijv. een “transfuckingsistor”.
De kolonisatie van Australië in de 18e en 19e eeuw bestond voor een groot deel uit “convicts and ex-convicts” uit de gevangenissen en achterbuurten van Engeland. Botany Bay was een strafkolonie voor deze mensen en daar werd de basis voor het latere Australië gelegd. Kapitein Bligh van de Bounty eindigde zijn carrière als gouverneur van New South Wales.
Het is begrijpelijk dat Australiërs wat gevoelig kunnen zijn over hun bescheiden begin en je moet dus als buitenlander niet proberen grappig te zijn en met je been trekkend door een hoofdstraat van Sydney te lopen, alsof je een ketting met een kogel achter je aansleept. Je verdient dan onmiddellijk een pak slaag. Iets wat zich kennelijk enige malen heeft voorgedaan.
Onze volgende bestemming was Brisbane, een stuk noordelijker gelegen en befaamd om het mildere klimaat en de brede zandstranden. Surfer´s Paradise was één van die prachtige plaatsen, waar de sportieve Australiërs naar toe trekken om te kunnen surfen en plezier te maken.
Het laden en lossen nam meestal veel tijd in beslag, omdat de vakbonden strikte regels hanteerden en de wharvies om 5 of 6 uur ´s middags het bijltje erbij neergooiden en de pub introkken. De bemanning kreeg daardoor meer tijd dan normaal om de wal op te gaan, inkopen te doen en uitstapjes te maken.
De reis naar Townsville herinner ik mij goed door de lading steenkolen en erts die daar aan boord kwam. Het gruis en kolenstof drong door tot in alle hoeken en gaten van het schip. Alles was bedekt met een dun laagje stof en dagenlang rook de Straat Malakka naar een kolenmijn. Gelukkig werd deze lading in Sydney weer snel afgeleverd. Townsville als haven of stad heeft weinig sporen in mijn herinneringen nagelaten.
Na terugkeer in Sydney werd het vaarschema voor Nieuw-Zeeland bekend en konden de voorbereidingen worden gemaakt voor de oversteek naar Auckland.