Opleiding tot Radio-Officier ter koopvaardij
Voor honderd gulden in de maand vond ik mijn eerste werk bij het Cargadoor´s bedrijf Van Es & Van Ommeren op de De Ruyterkade in Amsterdam. Maandenlang tikte ik daar iedere dag tientallen connossementen en specificaties uit voor verscheping van materiaal voor de olieindustrie naar exotische bestemmingen, zoals Maracaibo, Pladju, Sorong in Nederlands Nieuw-Guinea en andere landen in de wereld.
Mijn afdeling lag op de derde verdieping, vanwaar je een panoramisch uitzicht had over het IJ bij het Centraalstation aan de ene kant en aan de andere kant over de rails van de spoorbaan naar de St. Nikolaaskerk en het Damrak. Vanachter mijn schrijfmachine kon ik de aankomende en vertrekkende schepen in de haven goed in de gaten houden en als voedsel voor mijn fantasie gebruiken. Ik was de jongste op de afdeling van zes of zeven collega´s en het was er best gezellig. De grote bazen werkten op de eerste en tweede verdieping en dat gaf ons de gelegenheid om zo nu en dan het werk te onderbreken voor hersengymnastiek en andere spelletjes met koffie of bier. Als we iemand de krakende houten trap op hoorde komen van beneden, riep de afdelingschef luid: “Connossementen inleveren” en gingen we weer braaf aan het werk. Na een paar maanden kreeg ik 10 gulden opslag en ik rekende uit, dat als ik ieder jaar tien gulden meer zou krijgen, ik over tien jaar 200 gulden in de maand zou kunnen verdienen.
Een van mijn collega´s, Kuipers genaamd, was een voormalig tweede stuurman van de Hollandsche Stoomvaart Maatschappij – HSM. Hij had de koopvaardij de rug toegekeerd op aandringen van zijn echtgenote. Hoe hij daar aan had kunnen toegeven en nu z´n dagen achter een schrijfmachine doorbracht, was voor mij toen onbegrijpelijk. Zijn verhalen over de vaart en zijn bezoeken aan Engeland en Ierland misten hun uitwerking niet.
Hij vertelde me dat er een maatschappij bestond die de radiodienst aan boord van koopvaardijschepen beheerde en radio-officieren opleidde voor dienst aan boord van de Nederlandse koopvaardijvloot. Hij voegde er aan toe dat het als radio-officier goed varen was, omdat hij in havens over veel vrije tijd kon beschikken. Het klonk me als muziek in de oren en kort daarna hield ik mijn werk bij Van Es & Van Ommeren voor gezien en liet me inschrijven bij de Opleidingsschool van Radio-Holland op de Keizersgracht 688 in Amsterdam.
De opleiding zou ruim 2 jaar duren en de leerstof bestond hoofdzakelijk uit radiotechniek, radar, scheepskennis, voorschriften en het seinen en opnemen van het morsealfabet. Dagelijks werd er geoefend met de seinsleutel om de vereiste seinsnelheid voor het eindexamen van 16 woorden per minuut te bereiken. Na twee jaar zou ik slagen voor het eindexamen in Den Haag en worden beëdigd als radio-officier ter Nederlandse koopvaardij. Hierop volgde nog een praktijkcursus om niet helemaal onvoorbereid en groen aan boord van je eerste schip te verschijnen. Dit alles vond plaats in de periode 1957-1959.
Mijn vrije tijd besteedde ik aan atletiekbeoefening en wedstrijden bij AV´23, zeilen met m´n vrienden Jaap en Gerard en het uitgaan met vrienden en vriendinnetjes. Om dat allemaal zo te organiseren dat je studie niet in het gedrang kwam, was niet altijd eenvoudig. Alles wilde je tegelijk doen, bijna alles wat je deed was nieuw en leverde verse ervaringen en gevoelens op.
Er was weinig luxe in die tijd. Van het weinige zakgeld moest je zien rond te komen. De fiets was je vervoermiddel. Boterhammen nam je van huis mee naar school en een kop koffie of een pilsje en een partijtje biljart in een café kon je je maar nauwelijks veroorloven.
Liften was heel gebruikelijk en gemakkelijk. Ik liftte geregeld naar Utrecht naar mijn studievriend Harry of naar de Loosdrechtse plassen tijdens de weekeinden. Zelden stond ik langer dan een half uur bij de Utrechtse Brug over de Amstel, waar tientallen medestudenten met hun duim omhoog stonden te wachten op een lift. Als er een auto stopte, rende je er naar toe, vertelde de bestuurder je bestemming en in negen van de tien keren was je op weg.
's Avonds in Utrecht hingen we rond in de jazzkelders rondom de Oude Gracht waar we in het schemerdonker en in een met sigarettenrook gevulde atmosfeer luisterden naar Rita Reys, Louis van Dijk of Pim Jacobs.
Twee wat oudere vrienden en hardlopers van AV´23 hadden een Grote BM in een jachthaven aan het Nieuwe Diep bij Amsterdam. Op vrijdagmiddag of zaterdagmorgen ontmoetten we elkaar bij de boot met etenswaren voor het weekeinde en zeilden via het Amsterdam-Rijnkanaal en Nieuwersluis naar de Loosdrechtse Plassen. Als er weinig wind was, vroegen we een sleep aan een van de voorbijvarende rijnaken en meestal was de schipper wel bereid om een lijn aan te nemen. Als het goed zeilweer was, bleef een van ons aan het roer en de anderen sprongen aan land om daarna als training over de weilanden langs het kanaal te rennen en springend over sloten de boot weer te treffen op een afgesproken plek. Hierbij werden we gevolgd door blaffende honden en de niet begrijpende blikken van de dorpsbewoners. Op de plek aangekomen, sprongen we in het water om de modder van ons af te wassen, naar de boot te zwemmen en de reis verder aan boord voort te zetten.
Op een primus maakten we ´s avonds een maaltijd klaar en ´s nachts sliepen we op de houten vlonders van de boot, alleen beschermd door het dekzeil over de giek. Zondagmiddag zeilden we weer terug naar Amsterdam, waar we soms diep in de nacht aankwamen. Veel gestudeerd werd er natuurlijk niet tijdens zo´n weekend.
Een andere goede vriend die sporen in mijn geheugen heeft achtergelaten, was Jan Hagenaar. Jan was Nederlands kampioen middengewicht boksen en had zelfs een keer in Parijs in de ring gestaan voor de Europese titel. ´s Winters werkte Jan aan z´n conditie op de sintelbaan van AV´23 aan de Kruislaan in Amsterdam-Oost. Ik trainde daar drie of viermaal per week als hardloper. We raakten snel bevriend en begonnen veel samen te trainen. Jan was een jaar of negen ouder dan ik en beschikte over heel wat meer levenswijsheid. Hij was niet niet alleen een goede vriend, maar bovenal een interessant mens. Zijn neus was gebroken en zijn oren waren behoorlijk beschadigd door het boksen. Toch beweerde hij dat je tijdens een boksmatch maar weinig harde klappen opliep.
Hij was altijd goedlachs, optimistisch en leergierig. Hij was, samen met een broer, opgegroeid in een van de meest problematische wijken in Amsterdam, de Oudezijds Voorburgwal, de Rosse Buurt van Amsterdam. Als jongen moest hij dagelijks naar zijn school lopen langs de hoeren die op de gracht flaneerden. Naast zijn bokscarrière, die hem een zekere bekendheid had gegeven in de bokswereld en daarbuiten, studeerde hij voor leraar en haalde met flair zijn diploma´s. Hij was het die me in contact bracht met een van zijn favoriete schrijvers, Eduard Douwes Dekker, Multatuli en diens vrijdenkende ideeën en geschriften. Urenlang konden we daar gepassioneerd over discussiëren. Ik bewonderde Jan als mens en als sportman. Bovendien kon ik mij geen vreedzamer persoon voorstellen, iets wat voor een bokser paradoxaal leek.
Op een ijskoude, heldere winteravond in januari 1958 met een temperatuur van meer dan 15 graden onder nul, trainden we samen op enkele landweggetjes langs het Nieuwe Diep bij Amsterdam. De wegen waren met sneeuw bedekt en hard bevroren. Het was helder weer met een volle maan, die de omgeving een magisch en spookachtig aanzien gaf. Geen mens waagde zich buiten en onze adem vormde kleine wolkjes tijdens de ren. Ik merkte ineens dat ik geen gevoel meer had in mijn oren. Ze waren ongemerkt bevroren geraakt. Met losse sneeuw wreef Jan m´n oren tot de bloedsomloop weer was hersteld. De volgende dag leken mijn oren tweemaal zo groot als normaal en stonden wijd uit mijn hoofd. Ik schrok van mijn eigen spiegelbeeld. Na enkele dagen was alles weer normaal.
Het was verder een periode waarin je jezelf en anderen een plaats begon te geven. Een aftasten van je mogelijkheden en omstandigheden. Alles was nieuw en het meeste wat je deed was voor het eerst. Je miste elke ervaring op ieder terrein. Maar als een spons nam je alles in je op en dat hielp om je kritisch vermogen te ontwikkelen en je te kunnen meten met anderen.
Ik viel van de ene verliefdheid in de andere. Ik was behoorlijk onbeholpen en het bleef allemaal bij handje vasthouden, zoenen en betasten en het was moeilijk om met al die heftige gevoelens om te gaan. Ik was nogal discreet. Al die macho verhalen van sommige van mijn vrienden klonken mij niet als erg loyaal ten opzichte van de meiden waarop die betrekking hadden. Het ging niemand wat aan wat je met elkaar deed. Zoiets hield je voor je jezelf.
Sommige herinneringen blijven in het geheugen onuitwisbaar bewaard. Het is alsof de gebeurtenissen in flarden worden opgeslagen. Dit wel en dat niet. Hoe en waarom die selectie plaats vindt is raadselachtig. Is er een mechanisme dat de zaken rangschikt naar gelang de grotere of kleinere indruk die het in je geheugen achterlaat? Hoe is het mogelijk dat je je mensen herinnert die je nooit hebt gekend? Een voorbeeld hiervan heeft mij m´n hele leven geïntrigeerd.
In Loosdrecht, dichtbij de jachthaven Ottenhome, stond een groepje van vijf of zes onbekende meisjes met een leidster. Ik liep samen met mijn vriend Jan langs dit groepje op weg naar onze boot. Een van de meisjes trok heel sterk mijn aandacht en we keken elkaar aan. Na vijftig jaar zie ik haar nog zo voor me, haar gelaatstrekken, haar donkere ogen, het lange donkere haar. We bleven elkaar maar aankijken. Geen van beiden scheen in staat iets anders te doen. Het was heel vreemd. Ik liep langzaam naar de ingang van de jachthaven en ten slotte verloren we elkaar uit het oog.
Ik kende haar niet en heb haar nooit meer gezien daarna. En toch heeft dit voorval heeft mij nooit losgelaten. Is het mogelijk dat zij zich dit ook nog herinnert? En wat zou er gebeurd zijn als ik haar had aangesproken in plaats van door te lopen? Ik had de mogelijkheid en de vrijheid om tegen haar te zeggen: “Kom mee, ik moet met je praten”. Maar ik liep door. Het is moeilijk aan te nemen dat het toeval op zichzelf staat. Altijd is er een aanvullende factor nodig zodat het toeval kan plaats vinden. Actie of geen actie. Gemiste en gegrepen kansen. Romantische bespiegelingen? Dat kan best, ze was heel mooi en de moeite waard.
Zo ging langzaam maar zeker de tijd voorbij met studeren, sport, muziek, films, vrienden en hele en halve verliefdheden.
Ik kreeg ten slotte een vaste vriendin en voor ik het mij goed realiseerde, waren we verloofd en toen ik een strijkplank en strijkbout ontwaarde onder de cadeaus, kwam ik tot mijn zinnen en ging op de rem staan. X. was 28 en ik was 19 jaar oud. Ik was gewoon nog veel te jong en was bovendien niet echt verliefd. Daar had ik natuurlijk eerder aan moeten denken, maar dat was niet gebeurd. Zij was heel wat meer bedreven in de liefde dan ikzelf en geregeld bezochten we een hotelletje in Amsterdam om ons flink uit te leven. Het was seks zonder erom heen te draaien en ik verloor al snel mijn schroom en begon vol enthousiasme mee te werken en initiatieven te ontplooien. Ze was een leuke vlotte meid en erg populair bij m´n vrienden en ouders. Iedereen zag ons als een toekomstig echtpaar, maar onze verhouding was gedoemd te mislukken. Als vrienden gingen we uiteindelijk uit elkaar en voor mij was het een bevrijding uit een geforceerde situatie. Ik had mijn vrijheid nog nodig zoals de lucht om te kunnen ademen.