Spaans intermezzo
Ik had veel te lang verlof en kreeg last van “Ants in my pants”. Ik zag Carlos geregeld en voerde een paar telefoongesprekken met Patricia in Madrid. Ik besloot een kijkje in Spanje te gaan nemen, kocht een vliegticket en met een vlucht van Iberia arriveerde ik half mei 1964 op Barajas, de luchthaven van Madrid. Ik sprak nauwelijks een paar woorden Spaans en wist weinig of niets van het land, behalve dan de gemeenplaatsen dat Franco een dictator en fascist was, dat de Geuzen 80 jaar oorlog tegen Philips de Tweede hadden gevoerd, dat Piet Hein de zilvervloot had gerwonnen en dat Willem van Oranje altijd de Koning van Hispanje had geëerd, iets wat ik nog eens grondig moest uitzoeken. Het rook naar landverraad. Weinig kon ik toen vermoeden, hoe belangrijk Spanje en de Spaanse cultuur voor mij zouden worden in de toekomst.
Ik werd hartelijk ontvangen door moeder en dochter M. en mocht mijn intrek nemen in hun flat in de Calle Juan de Dios, een nauw straatje dat uitkwam op de Plaza de España, het plein dat je als het hart van Madrid kunt beschouwen. Ik was in een nieuwe wereld terecht gekomen.
Het was enigszins paradoxaal dat mijn reiservaring was beperkt tot buiten Europa. Ik had mogen proeven van het Verre Oosten, Afrika, Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland, maar Europa was daar niet aan te pas gekomen en nu bevond ik mij plotseling in een Zuid-Europees land, waar je je nauwelijks grotere tegenstellingen kunt indenken in leefgewoonten, tradities, religie en staatsinrichting ten opzichte van een Noord-Europees land zoals Nederland.
Ik was er direct door geboeid en daar kwam nog bij dat ik Patricia steeds aardiger en liever begon te vinden. Patricia en haar moeder waren ook vreemdelingen in Spanje, maar zij spraken dezelfde taal, deelden dezelfde religie en tot op zekere hoogte dezelfde gewoontes en vielen ook qua uiterlijk niet op. Als een spons begon ik de nieuwe indrukken in mij op te nemen, in eerste instantie als de typische toerist, met flamenco gitaarconcerten, zarzuelas, corridas, bezoeken aan het Prado museum en het nachtleven rondom de Plaza Mayor met z´n tasca´s (kroegen) en tapas. Snel begon ik alles steeds leuker en interessanter te vinden (hoe kon het ook anders), al verhinderde het gemis aan kennis van de taal een totale onderdompeling in deze nieuwe ervaring. Maar Patricia fungeerde als tolk en zo nu en dan kwam ik goed uit de weg met Engels of Frans, alhoewel de Madrilenen maar nauwelijks vreemde talen spraken. Alleen aan het Frans werd in het hoger onderwijs wat meer aandacht besteed.
Omdat ik per vliegtuig naar Madrid was gekomen, was ik aangewezen op het gebruik van de metro. Het was een praktisch systeem om je snel en goedkoop in Madrid te verplaatsen. Snel, maar niet erg comfortabel en niet vrij van allerlei geurtjes. Een Amerikaan hoorde ik spreken van “the armpit of Madrid”. De wagons snelden rammelend en zwaaiend door de ingewanden van de stad, afgestampt met armoedig geklede mensen op weg van of naar hun werk. Spanje was een arm land in die tijd en door het fascistische regime buiten het Marshallplan gehouden. Maar een arm land is ook altijd een land met veel rijke mensen.
Met Patricia als gids begon ik de sfeer van de stad te proeven. Ik hoorde dat in Madrid alleen al meer bars en restaurants waren dan in heel Europa samen en ik nam dat onmiddellijk voor waar aan. Overal was het druk; op straat, in de cafe´s, in de restaurants en dat tot diep in de nacht. Alleen tijdens de siësta werd het wat rustiger.
Omdat Patricia en ik elkaar alsmaar aardiger begonnen te vinden, kreeg mijn bezoek aan Madrid een steeds romantischer karakter. De lente die er aan kwam, had daar waarschijnlijk ook wat mee te maken. Ik had enkele maanden verlof voor de boeg en genoeg geld op zak om van het leven te kunnen genieten. Ook had ik geen hotelkosten, omdat ik bij de familie M. mocht logeren. Zorgen leken niet te bestaan.
De moeder van Patricia had een zo goed als nieuwe Opel Kadett en daarmee maakten we onze uitstapjes buiten Madrid. We bezochten de buitenverblijven van de Spaanse koningen in Arranjuez en aten langs de rivier "Fresones con Nata "(aardbeien met slagroom) en reden de bergen in bij Madrid, naar Cercedilla en Navacerrada. Langs de Manzanares rivier, die de stad in twee delen splijt, ligt een groot park, de Casa de Campo. In het midden van het park is een grote vijver omringd met terrasjes waar je wijn en tapa´s kunt nuttigen. De auto lieten we staan op een parkeerstrook.
Op een middag, na een wandeling en wat drankjes op een van de terrasjes bij de vijver, bleek de auto te zijn verdwenen. Vaag hadden we wel een paar louche figuren in de omgeving opgemerkt, maar daar verder geen acht op geslagen. De auto was gestolen en dat was natuurlijk heel vervelend voor de moeder van Patricia. Ik zat er ook over in, omdat ik mij in zekere zin mede verantwoordelijk voelde door het gebruik van de auto. Terwijl de zaken verder met de verzekering werden afgehandeld, stelde ik voor naar Nederland te gaan en mijn Hillman van stal te halen. Ik zou weer snel terug kunnen zijn in Madrid.
De daad bij het woord voegend, vloog ik de volgende dag terug naar Nederland, kocht een tent en wat kampeerbenodigdheden, reviseerde de Hillman voor de lange rit naar Spanje en nam opnieuw afscheid van mijn moeder en Ton. “Zou je niet wat rustiger aan doen?”, vroeg mijn moeder, “Je bent net terug van twee jaar weggeweest en nu ben je binnen een paar weken al weer twee keer naar Spanje”. Maar dat soort overwegingen kwamen niet bij mij op in die tijd.
Enkele dagen later arriveerde ik weer heelhuids in Madrid met als enige incidenten onderweg dat ik in Zuid Frankrijk een herdershond dood reed, die onverwachts de weg overstak. Ik kon er niets aan doen, maar ik voelde me wel rot en verder raakte ik bij het passeren van de Franse douane bij het verlaten van België mijn enige lichtgewicht kostuum kwijt, dat ik in Hongkong op maat had laten maken. Ik had verzuimd de achterklep na de douaneinspectie goed te sluiten en tijdens de rit wipte de doos uit de wagen. Kilometers verder kwam ik er pas achter en had even goed de pest in. Hopelijk heeft een Fransman er nog jaren plezier van gehad.
Eenmaal terug in Madrid stelde de moeder van Patricia voor om naar het zuiden van Spanje te rijden en een bezoek aan Gibraltar te brengen, waar ze onder andere een pistool wilde kopen om de van haar vervreemde echtgenoot Carlos uit de weg te ruimen. Ze was natuurlijk behoorlijk ontstemd, dat Carlos haar had ingeruild voor een struise Hollandse blondine en dat hun huwelijk op de klippen was gelopen. Carlos was kennelijk gefascineerd geraakt door het blonde vrouwelijk schoon in Nederland als contrast met de wat donkere types in Zuid Amerika. Bij mij was waarschijnlijk iets dergelijks gaande, maar dan in omgekeerde zin. Het nieuwe en exotische had een magnetische kracht en ik had geen enkele reden om daar niet aan toe te geven. Het verschil was dat ik een 25-jarige vrijgezel was en Carlos een goeie vijftiger en getrouwd.
En dus gingen we op weg. Ik reed, Patricia zat naast mij en haar moeder achterin de auto, waar ze ons goed in de gaten kon houden, zoals ze ook zei. Patricia sprak goed Nederlands met hier en daar wat vergissingen bij de lidwoorden. Daarmee werd ze nog charmanter en liever in mijn ogen.
Via Arranjuez kwamen we in Toledo terecht. Hier zag ik mijn eerste schilderijen van El Greco. Een Griekse schilder uit Kreta, die in de 16e eeuw via Rome in Spanje was neergestreken en die in Toledo zijn genialiteit mocht uitleven onder het toeziend oog van de Inquisitie. Ik zag er o.a. El Entierro del Conde de Orgaz (Begrafenis van de Graaf van Orgaz) en Vista de Toledo (gezicht op Toledo). De kleuren en stijl van zijn werk zijn direct te herkennen. Gestileerde figuren als opstijgende vlammen, meestal gebaseerd op religieuze en mystieke belevingen.
In Granada woonden we een flamenco uitvoering bij in het Albecín, en lieten ons daar ook de toekomst voorspellen door een oude zigeunervrouw. Geluk, veel kinderen en veel geld. Geen vuiltje aan de lucht. Ook Carlos zou weer bij Leonor terug komen. Ik stelde direct aan Leonor voor van de koop van het pistool in Gibraltar af te zien om Carlos de gelegenheid te geven de voorspelling uit te laten komen. Maar nee, het pistool moest er komen. Misschien kon het ook nog handig zijn in andere situaties en daarbij keek ze mij niet onvriendelijk, maar wel veelbetekenend aan.
Het Alhambra in Granada is misschien het mooiste Moorse bouwwerk ter wereld, een voorbeeld van sensuele verfijning uit de glorieperiode van de Arabische overheersing in het Iberische schiereiland. Ruim 700 jaar hield de Islam stand tegen de Christenen, maar in 1492, hetzelfde jaar dat Amerika door Columbus werd ontdekt, werden zowel Joden als Moren het land uitgezet om plaats te maken voor het enige ware geloof, het Christendom. Na 700 jaar verdwijnt een bevolkingsgroep natuurlijk niet zonder sporen achter te laten. Die sporen zijn overal en in bijna alles nog te herkennen. In plaatsnamen, familienamen, taal, tradities en kunstuitingen. Vooral in Andalusië is dit opvallend.
Tijdens onze rit naar het zuiden werd het steeds warmer en stoffiger. In de kleine dorpjes die wij passeerden, leek de tijd te hebben stilgestaan. Tussen twee en vier uur ´s middags valt er een doodse stilte tijdens de siësta. De trillende witte hitte maakt alle activiteiten bijna onmogelijk, zo niet overbodig.
Het voedsel is gezond, eenvoudig en smakelijk. Pan Cateto (boerenbrood) met tomaat en olijfolie. Jamon serrano (berg ham), Queso Manchego (kaas) met wijn , lentejas (linzen), garbanzos. Allemaal natuurlijke en gezonde voedingsmiddelen die bijna dagelijks op het menu voorkomen.
De mensen. Ze zijn gastvrij en praten graag. De communicatie komt gemakkelijk op gang en heeft meestal een lichte toon. Grappen worden voortdurend gemaakt en gewaardeerd. De Spanjaard heeft een acuut gevoel van humor. Vaak wordt aan een buitenlander gevraagd: “Spanje is het beste land ter wereld, verdad?" Dat horen ze graag bevestigd. Ze zijn er zelf niet zo zeker van, na een desastreuze periode van decadentie, een burgeroorlog, een zekere verarming en de isolatie van de rest van Europa. Europa eindigt bij de Pyreneeën, beweren de Fransen, die zich superieur wanen.
Misschien is het waar. Mogelijk is Spanje één van de meest leefbare landen in Europa, ondanks de ingewoekerde corruptie, zo typisch voor de landen om de Middellandse Zee. Een vriend of kennis in de politiek of in het bedrijfsleven is goud waard. Een vriend of kennis help je toch eerder dan iemand die je niet kent. Het beantwoordt allemaal aan een goede praktische kennis van het menselijke doen en laten. Het katholieke geloof wordt beleden alsof het een goeie ouwe vriend betreft, die met al zijn gebreken toch je vriend blijft. De Calvinistische levensovertuiging in Noord- Europa stelt zich veel strenger en onverbiddelijker op.
Op 16 juni 1964 rijden we de grens over van Spanje naar Gibraltar. Al langer dan 250 jaar wappert de Engelse vlag bovenop de rots, die door een landengte wordt gescheiden van het Spaanse vasteland. Dit tot grote ergernis van de Spanjaarden. Een gecombineerde Engels-Nederlandse vlooteenheid veroverde de rots op de Spanjaarden en ondanks verwoede pogingen van Spanje om Gibraltar via onderhandelingen of militaire acties weer onder Spaans bewind te brengen, is dit tot nu toe steeds mislukt.
Gibraltar had vooral tijdens de tweede wereldoorlog een enorme strategische betekenis, omdat van hier uit het scheepsverkeer tussen de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan kon worden gecontroleerd en beheerst. De officiële taal is het Engels, hoewel de “Llanitos” thuis meestal Spaans spreken, doorspekt met Engelse woorden. De “Llanitos” zouden het liefst helemaal onafhankelijk zijn, zowel van Engeland als van Spanje en als dat niet mogelijk is, dan blijven ze liever onder de Britse vlag. Volledige onafhankelijkheid brengt juridische problemen met zich mee, omdat tijdens de Vrede van Utrecht werd bepaald, dat indien Engeland zou besluiten de soevereiniteit op te geven, die automatisch zou overgaan naar Spanje. Onafhankelijkheid binnen de clausules van het verdrag is dus niet mogelijk. Maar onmogelijk is niets, volgens de “llanitos”, maar Spanje geeft haar pogingen niet op en Engeland geeft niet toe. Dus blijft het een latente conflictsituatie die zich al eeuwen voortsleept. Waarschijnlijk zal het in de verre toekomst wel tot een compromis komen, maar voorlopig blijft de status quo gehandhaafd.
Leonor koopt haar revolver bij een wapenhandelaar in Main Street. De kogels worden er bij geleverd en de werking uitgelegd. Het voorspelt niet veel goeds voor Carlos. Ik neem al die verhalen natuurlijk met een korreltje zout, alsof het een komische farce betreft.
Na inkopen te hebben gedaan, rijden we in een klein uurtje rondom de rots, kijken vanaf Europa Point naar het drukke scheepsverkeer in de Straat van Gibraltar, gooien pinda´s naar de Barbarijse apen en lopen wat heen en weer in de hoofdstraat met zijn vele winkeltjes. Laat in de middag rijden we weer over de grens terug naar Spanje. Ik druk Leonor op het hart dat ze beter de revolver niet aan de douane kan laten zien. Er wordt door de Spaanse douane wel in de kofferruimte gekeken, maar daar blijft het bij en we mogen door.
We rijden richting Jerez. Het is stil op de weg. Zo nu en dan rijden we door een dorpje. Achterin de auto begint Leonor met de revolver te zwaaien. Ze heeft het achterraampje open gedraaid en plotseling klinkt er een schot. Ik schrik me een ongeluk en vraag me af hoe we heelhuids naar Madrid terugkomen met die dwaze moeder achterin de auto. Patricia is nu ook echt boos geworden en we zorgen ervoor, dat de revolver wordt opgeborgen in de kofferruimte van de auto. Voorlopig zijn we veilig.
Na terugkomst in Madrid sla ik mijn tent op op een camping even ten noorden van de hoofdstad op de weg naar Burgos. Er is een zwembad en het is er erg rustig. Patricia en ik raken bevriend met de zoon van de eigenaar, die piloot bij Iberia blijkt te zijn. We ontmoeten een jonge Belgische student, een Waal, die ook met een tent op de camping verblijft. We vormen een klein internationaal groepje, dat zich bijna de hele dag vermaakt in het zwembad en daarbij ervaringen en belevenissen uitwisselt.
Patricia en ik praten over onze toekomst. Nu we elkaar zo goed zijn gaan kennen, zien we op tegen een lange scheiding. Zij woont in Madrid en ik ben nog steeds bij de koopvaardij. Mijn verlof begint op te schieten en ik verwacht binnen niet al te lange tijd te worden opgeroepen voor een nieuwe reis naar een nog onbekende bestemming en tijdsduur. We spreken af dat Patricia gaat proberen naar Nederland terug te komen bij haar vader en dat we dan wel verder zullen zien met onze romantische plannen.
Op 6 juli 1964 neem ik afscheid van Patricia en haar moeder en onderneem de terugreis naar Nederland. De Waalse student reist met me mee naar België. Zoals gewoonlijk bij de Walen spreekt hij alleen Frans en slechts een paar woorden Nederlands. Hij wordt een beetje vervelend, als hij het Vlaams en de Vlamingen begint te ridiculiseren. De Vlamingen zijn maar rare mensen, omdat ze handschoenen dragen. Schoenen aan je handen, nee, dat kan alleen in Vlaanderen. Ik kan daar best om lachen, maar als hij maar door blijft drammen, krijg ik er genoeg van en noem hem een tweede rangs Fransman. Ik voel dat ik op moet komen voor mijn Vlaamse taalgenoten. “Als jullie elkaar zo in de haren blijven zitten, worden jullie een tweede rangs land”, laat ik hem weten. Na wat gedebatteer vindt hij dat daar wat in zit en houdt het gezanik over superieure culturen op en hebben we verder een leuke reis door Frankrijk. In Brussel stapt hij uit en als goede vrienden nemen we afscheid.
Enkele weken na mijn terugkeer in Nederland arriveert ook Patricia uit Madrid en neemt intrek bij haar vader en vanaf dat moment zien we elkaar bijna dagelijks.