Een nachtelijke regenboog
Het werd een rustige oversteek van Singapore naar Zuid-Afrika. Na de drukte in Japan en het intensieve uitgaansleven daar was iedereen blij weer op adem te komen en zo´n oversteek droeg er toe bij om weer in de routine van het geregeld wachtlopen te geraken. Bij het begin van de middag liep mijn hut dikwijls vol met wtk´s en stuurlieden om voor het eten een biertje te drinken en een partijtje blufpoker te spelen of te bamzaaien, om te bepalen voor wiens rekening de ronde was. Er was niet altijd plaats voor iedereen en dan zaten we op mijn kooi of stonden we in de deuropening.
Het was onder die omstandigheden niet altijd eenvoudig om de bierconsumptie binnen de perken te houden, omdat er natuurlijk steeds een verliezer bij die spelletjes was en dat leverde steeds weer een nieuwe bestelling op. Ook kapitein B. hield van gezelligheid en een flinke borrel op zijn tijd en hij kwam ´s avonds vaak langs voor een praatje en een slaapmutsje. Ik kon hem op de gang al van ver horen. “Hell´s Bells, slaapt iedereen al op dit schip?” Hij verwachtte ieder moment bericht van de rederij te ontvangen betreffende zijn pensionering en ik kreeg de indruk dat hij daar maar half zin in had. Na een heel leven bij de koopvaardij wist hij nog niet goed wat hij in de toekomst met al zijn vrije tijd zou gaan doen.
In de buurt van Mauritius stond ik om een uur of twee ´s nachts op de brug een praatje te maken met vierde stuurman Ch. v. Z. We voeren al bijna een jaar samen, gingen vaak samen de wal op en waren goed bevriend geraakt. In lange gesprekken losten we de wereldproblemen op.
Het was een heldere tropische nacht met een enorme volle maan. De oceaan was zo vlak als een spiegel. Aan bakboord bevonden zich enkele zware stapelwolken, waaruit wat regen viel en zo nu en dan een bliksemflits schoot. De volle maan verlichtte de zee tot aan de horizon. Ineens verscheen een prachtige regenboog in al zijn kleuren. Nooit eerder hadden we een dergelijk natuurverschijnsel meegemaakt. Het was iets wat we voor onmogelijk hielden. Later las ik in “Ocean passages for the world”, dat dit verschijnsel bij hoge uitzondering en onder heel speciale omstandigheden wel eens kan voorkomen. Maar op dat moment, midden in de nacht, was het een indrukwekkend en uniek schouwspel, iets wat ik daarna nooit meer heb waargenomen.
Een week later liep de Straat Malakka behouden de haven van Kaapstad binnen, om een dag later opnieuw te vertrekken naar dezelfde bestemmingen langs de westkust van Afrika als de reis daarvoor.