De hongerwinter
Nederland werd bevrijd van de Duitse bezetting op 5 mei 1945 en ik was toen bijna zes jaar oud.
De toestand in Amsterdam was het laatste jaar van de oorlog voor de meeste mensen onhoudbaar geworden. De voedselvoorraden raakten uitgeput en door de barre kou van de winter 1944 op 45 ontstond er ook een gebrek aan brandstof en een ware noodtoestand onder de bewoners van de hoofdstad. Deze winter zou later de hongerwinter genoemd worden. Er was gebrek aan alles en voor de gaarkeukens stonden lange rijen armzalig geklede mensen met pannetjes te wachten op een rantsoen van waterpap, soms gelardeerd met maden. Men wist dat de Duitsers de oorlog aan het verliezen waren en dat het einde van de ellende nabij was, maar nu was het een kwestie van overleven tot aan dat gedroomde moment.
Voor de haard in ons huis waren er geen kolen meer en alle buitenramen waren afgeplakt met krantenpapier in verband met de verplichte verduistering ´s nachts.´s Avonds werd het aardedonker nadat de straatverlichting was gedoofd en thuis speelde ons leven zich hoofdzakelijk af geschaard om een noodkacheltje en een olielampje in de keuken. Altijd was het koud en had je honger.
Soms vertrokken mijn ouders ´s avonds met een geheime bestemming. Uren later kwamen zij terug met een zak gevuld met houten blokjes die zij tussen de tramrails hadden losgewrikt of met houten palen, die destijds in de Amsterdamse plantsoenen werden gebruikt als afscheiding van de wandelpaden.
Op dat soort expedities stonden zware straffen als ze gesnapt zouden worden. Wanneer ze weer veilig thuis waren met de buit, dan maakte zich een triomfantelijk gevoel van hen meester en was iedereen vrolijk en voldaan. Het noodkacheltje werd weer opgestookt en werd het weer even behaaglijk warm in de keuken.
Voedsel was een andere zaak. Daar was haast niet meer aan te komen en dan alleen nog maar op de zwarte markt en met voedselbonnen van de distributie. M´n vader dronk op een nacht water uit een glas waarin mijn moeder enkele voedselbonnen had bewaard en deze gingen ongewild mee naar binnen. Dat was aanleiding tot een heftige discussie de volgende morgen.
De situatie werd zó nijpend, dat mijn ouders besloten dat ik naar de “boeren” zou gaan. Ze wisten dat op het platteland, hoe schaars ook, nog voldoende voedsel beschikbaar was. Ze hadden immers al een paar tochten met een handkar gemaakt naar dorpen ten noorden van Amsterdam om wat er nog over was van hun schaarse bezittingen te ruilen voor voedsel bij de boeren. Meestal waren dat aardappelen, bloembollen en soms wat groente. Dit alles vond plaats in zware vrieskou en met sneeuw bedekte wegen. Bij terugkomst van de laatste tocht werd al het voedsel geconfisqueerd door Duitse wachtposten bij de pont over het IJ. De handkar mochten ze behouden.