Naar de boeren - De bevrijding
Ik stond aan de hand van mijn moeder tussen vele andere kinderen en ouders op een groot plein in Amsterdam. Het was maart of april 1945. Het plein was vol mensen en tientallen open en gesloten vrachtwagens stonden klaar voor vertrek. Er heerste een enorm lawaai van startende motoren, roepende mensen en huilende kinderen. Die chaotische situatie en de gedachte van mijn moeder gescheiden te worden, brachten mij volkomen in paniek. Ik klemde me zo heftig aan haar benen vast, dat het geraden leek maar weer naar huis te gaan, zodat ik wat kon kalmeren.
De volgende dag ging het beter en liet ik me dapper in een vrachtwagen tillen, na een dikke pakkerd met tranen van mijn moeder. De wagen was afgedekt met een zeil en binnen zaten al een aantal kinderen op houten banken. We keken elkaar zwijgend en mistroostig aan. Dit was geen vakantie uitstapje, dat wisten we heel goed.
Tijdens de rit naar het noorden stopte de vrachtwagen plotseling en kregen we de opdracht zo snel mogelijk in de berm van de weg te duiken en stil te blijven liggen. Onze begeleiders hadden een vliegtuig gesignaleerd en vreesden een mogelijke beschieting. Het bleek echter loos alarm en gingen we weer verder. Het ijs was nu gebroken en we begonnen met elkaar te praten. De meeste kinderen waren ouder dan ik en de oudsten onder ons begonnen het gebeuren als een spannend avontuur te beschouwen. De begeleiders kregen ons zelfs aan het zingen en de stemming aan boord werd nu wat vrolijker. Na een paar uur kwamen we in de buurt van onze bestemming en om de zoveel minuten stopte de vrachtwagen en werd er een naam afgeroepen. De betreffende jongen of meisje stapte uit en daarna ging het weer verder. Ten slotte kwam ook ik aan de beurt en werd ik opgenomen door een grote imponerende figuur met grove eeltige handen.
Het was meneer Geerdink, eigenaar van een smederij in Heerhugowaard en dit was m´n eerste opvangadres van de twee waar ik zou verblijven tot aan het einde van de oorlog.
Ik herinner me nog duidelijk de schroeilucht van de hoeven van de paarden als ze opnieuw beslagen werden en de blaasbalg die het vuur aanjoeg en de hamerslagen op het roodgloeiende metaal. Het waren mijn eerste contacten als stadskind met het leven op het platteland. De familie Geerdink had een zoontje van ongeveer dezelfde leeftijd als ik en al gauw waren we vriendjes en trokken we er samen op uit om de omgeving te verkennen.
In de hoofdstraat zagen we hoe Duitse soldaten mensen uit een huis haalden en wegvoerden. Ik vond dat de konijnen in het konijnenhok er vies uitzagen en ik haalde mijn nieuwe vriendje over om ze te wassen in de sloot naast het huis. We stopten de konijnen in een groot vat, dat we daarna verbonden aan een touw in de sloot lieten zinken. De verdrinkingsdood van de konijnen leverde me een fikse straf op. Een pak voor m´n broek door de eeltige handen van vader Geerdink en urenlang in de hoek van een kamer staan zonder om te mogen kijken. Kort daarna werd ik overgeplaatst naar mijn tweede pleeggezin, de familie Blaauw. Het zou me niet verbazen als mijn overplaatsing iets te maken heeft gehad met de konijnen-affaire en de mogelijke slechte invloed van deze stadsjongen op het nieuwe vriendje. Maar misschien had dat er niets mee te maken.
Op zekere dag vlogen groepen Engelse en Amerikaanse bommenwerpers laag over de weilanden, terwijl zij blikken met voedsel uitstrooiden tussen de grazende en in paniek rakende koeien. Nu nog herinner ik mij de smaak van het Zweedse wittebrood met boter en suiker. Nooit meer daarna heb ik zo iets lekkers geproefd. Overal hingen vlaggen en de mensen huilden en lachten tegelijk. De oorlog was voorbij.
Een paar dagen later kwam mijn moeder op de fiets uit Amsterdam om mij op te halen. Zittend in mijn kinderzitje achterop reden we samen naar huis. Ook voor ons was het voorbij. Die stomme rotmoffen ook. Ze lieten een kapotte wereld achter, bewoond door beschadigde mensen.