Hertenjacht en Haaien
In Shihanoukville in Cambodja wordt met lichters geladen en gelost en dus liggen we voor de kust voor anker. De verbinding met de wal wordt met de motorsloep onderhouden. Er is een prachtig zandstrand met wuivende palmbomen, maar verder is er weinig te beleven. Wat armzalige eethuisjes en enkele hoerenbars waar alles werkelijk te vies is om met een tang aan te pakken. Dergelijke mensonterende toestanden ben ik nergens anders in die mate tegengekomen, behalve misschien een paar jaar later in Tandjong Priok bij Djakarta, toen Indonesië door een zware crisis getroffen was.
Tijdens een van de tochten met de motorsloep werd het gewei van een hert waargenomen, dat zwemmend een van de vele eilandjes voor de kust trachtte te bereiken. Dat maakte het jachtinstinct van de Chinezen aan boord van de sloep wakker, die daar een mals hertenboutje zagen zwemmen en dus werd de jacht geopend. Het dier kreeg de sloep in de gaten en deed verwoede pogingen een eilandje te bereiken en zijn vijanden te ontlopen. Maar het was te laat; na een paar vergeefse pogingen lukte het de Chinese bootsman een lus om het gewei te werpen en het dier langszij te trekken.
Ondanks de lekkere hertenboutjes later speet het mij eigenlijk dat we het prachtige beest naar zijn einde hadden gevoerd. Ik denk dat een dergelijke prooi een soort oer-instinct bij je losmaakt, waar alle andere overwegingen op dat moment voor moeten wijken.
Een ander voorval bij Shihanoukville bracht een dag later grote hilariteit teweeg, maar had ook heel slecht kunnen aflopen. De snelheid van de motorsloep was niet groot genoeg om te kunnen waterskiën, maar er was een surrogaat oplossing gevonden die ons net zo veel plezier opleverde. We noemden het “planking”. Enkele aan elkaar getimmerde planken deden dienst als plankier. Voor in het plankier was een gat geboord, waardoor een lange lijn was gestoken met een dikke knoop aan de onderkant. Het andere uiteinde van de lijn werd aan een bolder op de achtersteven van de motorsloep bevestigd. Om beurten sprongen we in het water, zwommen naar het drijvende plankier achter de boot, klommen zo goed en zo kwaad als het ging op het plankier en probeerden een staande houding aan te nemen met het touw in beide handen. Op dat moment werd de motor op volle kracht vooruit gezet en rees het plankier naar de oppervlakte en draaiden we om beurten een paar rondjes tussen de eilandjes. Toen het mijn beurt was, dook ik in het water en zwom naar het plankier. Het ging allemaal heel goed. Op het juiste moment trok de motorsloep mij met de plank overeind en waren we op weg. Het was volop genieten. Het water was glashelder en warm. De zon schroeide, maar het opspattende water en de wind brachten verkoeling voor onze bruin verbrande lijven.
Plotseling zag ik twee rugvinnen op korte afstand van de motorsloep en dat waren geen dolfijnen. De schrik schoot me in de benen. Ik schreeuwde naar de motorsloep om mijn metgezellen op die rugvinnen attent te maken, zodat ze me naar een strandje konden varen. Ook zij hadden de rugvinnen ontdekt, maar in plaats van zo snel mogelijk naar de wal te varen, stopten ze de motor en ik begon langzaam met m´n plank te zinken. Ik vloekte en raasde. Ik was nooit een heel goede zwemmer, maar de 20 of 30 meter die mij van de motorsloep scheidde, legde ik in record tempo af in de vrees dat me een been door een haai zou worden afgebeten. Onder grote hilariteit van mijn collega´s werd ik aan boord van de sloep gehesen. Ik was buiten adem en ziedend, maar dat maakte de hilariteit alleen maar groter. Sparks was bijna naar de haaien geweest.
We zagen inderdaad enkele verdachte schaduwen in het water, maar of het werkelijk haaien zijn geweest, kon niet bevestigd of ontkend worden. Mijn benen zaten er tenslotte nog aan. Maar de aardigheid van het planking was er wel af. De schrik zat er voor ons allen goed in en ik moest even aan het hert van de dag daarvoor denken.