Conflict
De afstand van Sydney naar Singapore is ongeveer 4000 zeemijl (7500 km), wat een vaartijd van bijna twee weken inhield. Het traject voerde ons langs het Australische Great Barrier Reef, Nieuw- Guinea, de Indonesische archipel, Filippijnen en ten slotte via de Zuidchinese Zee naar Singapore. Na het vertrek uit Sydney werd het iedere dag warmer naarmate we dichter in de buurt van de evenaar kwamen. Afgezien van zo nu en dan een tropische regenbui bleef het weer de gehele reis mooi. Soms was de zee zelfs zo glad als een spiegel en maakten dolfijnen hun speelse sprongen rondom de boeg, terwijl tientallen vliegende vissen lange vluchten maakten als ze werden opgeschrikt door de boeg van het schip, die plotseling de rust van het stille water verstoorde.
Mijn verstandhouding met kapitein M. was er intussen niet beter op geworden. Ik mocht de man niet en dat was wederzijds. Hij leek er steeds meer op uit om mij op een nalatigheid te betrappen. Diverse keren verscheen zijn neus voor de patrijspoort van het radiostation als een controle of ik op tijd mijn wachten liep. Als ik hem zag, schoof ik het gordijn voor de patrijspoort. Hij was iemand die erg op zijn strepen stond en dat gordijnschuiven was voor hem een gebaar van weinig respect voor zijn gezag. Dat was natuurlijk waar. Ik verwachtte van een kapitein niet zo´n kleinzielig gedrag en hij maakte in mij een Amsterdamse straatjongen wakker, die zich niet door een smeris in de luren laat leggen. Er kwamen steeds meer aanwijzingen dat hij mij zocht en de situatie werd steeds onplezieriger. Vooral voor mij, want hij was tenslotte de baas.
De climax kwam bij de nachtelijke aankomst in Singapore. Voor het afsluiten van de radiodienst had ik de Straat Malakka afgemeld bij Singapore Radio en bevestiging ontvangen, dat er geen telegrammen of berichten voor ons voorhanden waren. Over en uit. Ik dook daarna mijn kooi in en ging slapen. Een uurtje later werd ik gewekt door Chris B., de eerste stuurman. “De ouwe wil je spreken op de brug”. In mijn badjas liep ik naar boven, waar ik M. aantrof met een vertegenwoordiger van de KJCPL. De Straat Malakka lag afgemeerd langs de kade. “Je hebt een telegram gemist. Ik laat je door de inspectie van boord halen”, riep M. me woedend toe.
Hij was volledig over zijn toeren en dacht mij uiteindelijk betrapt te hebben op een fout en dit was het moment van afrekening. “Onmogelijk”, zei ik. “Er was geen enkel bericht voor ons bij Singapore Radio. “Je liegt, dit gaat je de kop kosten”, schreeuwde M. Ik voelde me zwaar beledigd, temeer omdat dit allemaal plaats vond in het bijzijn van de eerste stuurman en een vertegenwoordiger van de KJCPL. “Ik ga dit tot op de bodem uitzoeken”, was mijn commentaar, terwijl mijn bloed kookte.
Aan de wal nam ik eerst contact op met Singapore Radio en kreeg de bevestiging dat er geen berichten voor ons waren geweest tot twee dagen voor aankomst en dat ook na afmelding geen berichten voor ons waren doorgekomen. Ik ging terug aan boord met de bedoeling het journaal op te pikken en er dan mee naar het hoofdkantoor van de KJCPL te gaan voor verdere opheldering en om mijn beklag te doen. Het bleek niet meer nodig. M. verscheen in het radiostation met de mededeling, dat er een vergissing in het spel was. Een telegram was op kantoor voor verzending opgemaakt, maar nooit verstuurd geworden. “Je hebt geluk”, voegde hij er nog aan toe. Verontschuldigingen hoorden daar kennelijk niet bij. Ik was ten onrechte beledigd en vernederd. Mijn rechtsgevoel en zelfbeheersing werden op dat moment ernstig op de proef gesteld en alleen de discipline en het verschil in rang hielden me in bedwang.
Dezelfde dag werd M. overgeplaatst als eerste stuurman naar een ander schip. Ik denk niet dat er een direct verband bestond met wat er was gebeurd, maar het was wel toevallig. Het was ook een verademing, want ik denk dat er alleen nog plaats was voor één van ons beiden op hetzelfde schip.
Toch had dit muisje nog een staartje. Bij zijn afmonstering had M. nog snel een negatieve conduitestaat opgemaakt, die hij verzuimde door mij mede te laten ondertekenen, zoals voorgeschreven. Zonder mijn medeweten stuurde M. deze conduite naar Radio-Holland, die daarop prompt mijn tantième voor dat jaar inhield. Via een briefwisseling met Radio-Holland is dit later gecorrigeerd en ontving ik waar ik recht op had. Alles bij elkaar een onaangename geschiedenis, lastig om te vergeten en te vergeven.
M. werd afgelost door de oudere kapitein B. en dat kwam onmiddellijk de sfeer aan boord ten goede. B. liet zien dat, als het nodig was, hij voor zijn mensen opkwam. Een voorbeeld daarvan zagen we in Hongkong, toen na aankomst de agent aan boord kwam zonder post. Bij aankomst in de grotere havens is post voor een zeeman heel belangrijk. Als er geen post wordt ontvangen, is hij teleurgesteld. Het is zijn contact met thuis. B. stuurde de man terug om de post op te halen vóór er over andere zaken gesproken kon worden. Zo´n houding wordt aan boord op prijs gesteld. Hij liet zich ook niet intimideren. Tijdens een receptie in Hongkong, waarbij alle officieren van de Straat Malakka waren uitgenodigd, hoorde ik hem tegen één van de directieleden van de RIL zeggen:” Je bent nog maar een kleine jongen bij mij vergeleken”. B. was een eerlijke vent met trouwe, blauwe ogen en zijn openhartigheid schoot waarschijnlijk niet bij iedereen in het goede keelgat. Dat was misschien de reden dat hij de laatste jaren van zijn loopbaan op wat oudere schepen van de KJCPL werd geplaatst en niet op één van de passagiersschepen. Kapitein B. kwam uit een Scheveningse vissersfamilie en had zijn hele leven gevaren, ook tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Engeland, waar hij zijn Engelse echtgenote had ontmoet. Hij zat dicht tegen zijn pensioen aan en kon ieder moment het bericht krijgen, dat hij definitief afscheid van zijn koopvaardijloopbaan moest nemen. Wij vermoedden dat hij daar eigenlijk helemaal geen zin in had, want hij probeerde zoveel mogelijk afscheidsborrels te drinken voordat het gevreesde telegram zou worden ontvangen en dat werd hem bijna fataal, omdat dat bericht veel langer uitbleef dan verwacht.
Hij was een rijzige figuur met een flink bos wit haar en had, ondanks zijn leeftijd, een elegante en wat jongensachtige uitstraling. Kaarsrecht zat hij aan tafel en zou best een goede reclame voor iedere bierbrouwerij in de wereld zijn geweest als hij zijn glas voor de zoveelste maal ophief.
“Hell´s Bells” was zijn favoriete uitdrukking. De whisky die zijn voorkeur had was White Horse, omdat God zelf goedkeuring aan dat merk zou hebben gegeven en inderdaad, als je het etiket goed bekeek, zag je daarop een postkoets, die volgens de bijbehorende tekst alleen met Gods toestemming veilig aankwam. (If God permits). Het feit dat Gods naam op een whiskyfles voorkwam, was voor hem een bijzondere garantie. Hij was een man van formaat en een plezierig mens en ik denk met warmte aan hem terug.
In Singapore werd bekend dat de Straat Malakka tot nader orde op de West-Afrikadienst zou worden ingezet en we vertrokken direct daarop naar Penang en Port Swettenham in Maleisië, om daarna aan de oversteek van de Indische Oceaan te beginnen.
Ik had al enige tijd last van een ontstoken kies en besloot daar iets aan te laten doen om problemen te voorkomen tijdens de oversteek naar Zuid-Afrika. Na een lange taxirit vanuit Port Swettenham kwam ik terecht bij een Indiase tandarts in Klang. Zijn kundigheid is mij bijgebleven. Hij behandelde de ontstoken kies en verklaarde na de behandeling met het sterke accent van de Indiërs: “You´ve got another tooth that needs treatment. From the outside it looks perfect, but you have an infection inside”. Hij beschikte niet over X-ray apparatuur en ik vroeg hem hoe hij dit kon weten.
“Believe me, I know. You want me to do the treatment?” Ik stemde er mee in en inderdaad bleek de kies geïnfecteerd. Ik complimenteerde hem na de behandeling. “How can you know this without an X-ray?”, vroeg ik hem. “It is a gift”, zei hij, “I can see things that other people don´t see. I can´t explain why”. Zo´n tandarts heb ik later nooit meer ontmoet.
Vanaf Port Swettenham vertrok de Straat Malakka voor de lange reis naar Zuid- en West-Afrika, met Mauritius als tussenstation voor het innemen van vers water.