De “Roaring Forties”
De afstand van Kaapstad tot Fremantle aan de westkust van Australië is ongeveer 5000 zeemijlen (ongeveer 9000 km), hetgeen betekent dat bij een gemiddelde snelheid van 15 knopen per uur, een afstand van ongeveer 360 mijl per etmaal kan worden afgelegd. Ruim twee weken zullen dus nodig zijn voor de oversteek, ijs en weder dienende. Een blik op de kaart maakt duidelijk dat het een eenzame en weinig bevaren route betreft, om en nabij de 40ste breedtegraad, ver naar het zuiden in de Indische Oceaan en ver verwijderd van de enorme landmassa van India in het noorden (ongeveer 2000 mijlen) en op een vergelijkbare afstand van het antarctische continent naar het zuiden. Ongeveer halverwege het traject liggen twee kleine eilanden in ”the middle of nowhere”, Amsterdam eiland en St. Paul eiland, beide onder Frans bestuur, waar een meteorologische dienst is gevestigd, die o.a. ook weerberichten voor de scheepvaart verzorgt. De enorme afstand tussen de grote landmassa´s (fetch), samen met de overheersende oostelijke stroming en de vaak stormachtige noordwestelijke winden in het winterseizoen, kunnen golven van ongekende hoogte veroorzaken. Golven van 15 tot 20 meter hoog zijn niet ongewoon en ongevaarlijk en zij kunnen de navigatie en het leven aan boord op zijn minst ongemakkelijk maken.
In de derde week van mei 1962 vertrekt de Straat Malakka uit Durban voor het laatste stukje langs de Zuid-Afrikaanse kust naar Kaapstad. Ik ontvang de meest recente weerberichten voor het traject naar Australië van Capetown Radio (ZSC). Voor het zuidelijk deel van de Indische Oceaan zijn waarschuwingen van kracht voor stormachtige wind en zware zeegang voor bijna de hele route en dus worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om alles aan boord zoveel mogelijk zeevast te zetten. In de messroom worden de schuifranden van de tafels omhoog gebracht om te voorkomen dat serviesgoed van de tafels kan vliegen. Het zwembad achter mijn hut wordt van het open dek gedemonteerd en zeevast opgeslagen. Ruimafdekkingen en patrijspoorten worden grondig geïnspecteerd. Enkele passagiers komen nog aan boord in Kaapstad en daarna is het “voor en achter” maken. De loods brengt ons buitengaats en verdwijnt daarna met een armzwaai aan boord van de loodsboot en keert terug naar Kaapstad. We zijn op weg.
Ik meld ons vertrek, bestemming en ETA (expected time of arrival) aan Scheveningen Radio (PCH) en Kaapstad Radio (ZSC), verzend en ontvang een paar telegrammen, zet m´n spullen in het radiostation en slaaphut zoveel mogelijk vast en bereid me voor op de routine van het op vaste tijden wachtlopen, twee uur op, twee uur af, voor de komende twee weken.
Gaandeweg verslechtert het weer en twee dagen na vertrek uit Kaapstad zitten we in een zware storm. Het schip baant zich moeizaam een weg door torenhoge, witgekamde golven, die het schip in onafgebroken rijen belagen. Iedere zevende golf lijkt nog hoger dan de voorgaande. De ons omringende oceaan begint een indrukwekkende en angstaanjagende aanblik te krijgen. De voorpiek valt met dreunend geweld tientallen meters omlaag in de trog van een aanstormende golf, om daarna te worden bedolven onder enorme watermassa´s. De boeg komt langzaam weer omhoog en de bruisende waterchaos zoekt als een waterval een uitweg over het dek, over de railing en door de spuigaten. Het schip kreunt en steunt in al haar voegen en de stalen huidplaten hebben het hard te verduren.
De bewegingen van het schip worden steeds heftiger en bijna onvoorspelbaar. Slingerend en stampend baant de Straat Malakka zich een weg door de ontketende oceaan naar het verre Australië. Nu en dan komen de schroeven gedeeltelijk vrij uit het water en het verhoogde toerental van de schroefassen veroorzaakt nieuwe trillingen over de gehele lengte en breedte van het schip. Zwartgrijze wolkenformaties vormen een geheel met de gekartelde horizon, die nog maar nauwelijks is te onderscheiden in al dat geweld en je vraagt je af hoe lang een schip de strijd tegen dergelijke natuurkrachten kan volhouden.
De Straat Malakka in de Roaring Forties
In het radiostation is mijn stoel met een ketting aan de vloer bevestigd om verschuiven te voorkomen. Het bedienen van de apparatuur en de seinsleutel wordt in deze omstandigheden steeds moeilijker en vermoeiender, omdat ik mij voortdurend schrap moet zetten tegen de bewegingen van het schip. Om de brug te bereiken moet ik diverse buitentrappen gebruiken vanaf het tussendek, waar het radiostation en mijn woonhut zich bevinden. Bij het openen van de deuren naar de buitendekken ontmoet je als een reuzenhand de weerstand van de wind op je lichaam, tezamen met het buiswater dat als striemende regen op je neerdaalt. Met beide handen steun en houvast zoekend klim ik de trappen op naar de deuren die toegang geven tot de brug. Daar heerst een relatieve rust in vergelijking met daarbuiten. De roerganger achter het stuurrad probeert het schip zo goed mogelijk op koers te houden. Door de spray van het buiswater is het zicht op zee en de voordekken beperkt en alleen door de slingerruiten krijg je een duidelijk beeld van wat er buiten gaande is. We bevinden ons op een weinig bevaren route, maar toch staat de radar voortdurend bij vanwege het erbarmelijke zicht. ´s Nachts geeft de gedimde verlichting van instrumenten de kaartenkamer en de brug een wat spookachtig aanzien. Ik heb voortdurend verbinding met Kaapstad Radio en met Australische kuststations voor de laatste informatie over het weer. Op de middengolf krijg ik verbinding met de Fransen op Amsterdam Eiland. De vooruitzichten zijn nog steeds slecht.
Na mijn wacht probeer ik ´s nachts, zo goed en zo kwaad als de omstandigheden het toelaten, wat te slapen. In mijn kooi is dat niet langer mogelijk. Een stoel is uit mijn hut verdwenen en die vind ik later een dek lager in een gang weer terug. Ik haal de matras van mijn kooi en plaats die onder mijn bureau. Met mijn ellebogen steunend tegen de wanden van het bureau probeer ik op die manier tot wat slapen te komen. Het lukt maar half. De bewegingen van het schip en het lawaai zijn te heftig.
Ik denk aan onze zeevaarders uit vroeger tijden. Dit was de route van de VOC naar Oost-Indië vanaf Kaapstad. Dat deden ze zonder moderne zeekaarten en navigatiemiddelen aan boord van kleine kwetsbare zeilschepen. De reizen duurden jaren en de overlevingskansen waren klein. De Schreierstoren verdiende die naam niet voor niets. Uit wat voor hout waren die zeelui gesneden? Wat voor mensen waren dat?
Willem Janszoon ontdekte Nieuw-Holland in 1606, Dirck Hartog bracht delen van Nieuw-Holland in kaart, Abel Tasman voer door de Bass Straat en gaf zijn naam aan Tasmania. En in 1643 was hij voor de kust van Nieuw-Guinea. Willem de Vlamingh bracht de Australische westkust met Perth en de Swan River in kaart. En met hen al die naamloze, eenvoudige zeelui die Nederland als natie op de wereldkaart plaatsten. We zijn een natie van kooplieden. De Heren van de VOC waren gewiekste zakenlieden en samen met de zeelui brachten ze, ondanks alle misstanden waar we nu zo kritisch over kunnen zijn, de Nederlandse provinciën in de 17e eeuw tot een glorieperiode. We werden een moderne, dynamische republiek; een wereldmacht, vaak als voorbeeld genomen door andere landen. We lieten onze sporen na in de wereldgeschiedenis, goede zowel als kwade. Maar de bijdrage van onze zeelui uit die tijd en later zal nooit door landrotten goed begrepen kunnen worden; daarvoor liggen die twee werelden te ver uit elkaar.
De zon begint door te breken en het geweld lijkt enigszins af te nemen. Ook het zicht verbetert snel. Het is een indrukwekkend schouwspel. Het schip lijkt omringd door een berglandschap met besneeuwde toppen. Het scherpe zonlicht op de golven, afgewisseld door donkere schaduwpartijen van de wolken, brengen een fantastische schakering van kleuren teweeg in dit landschap. De zon zorgt er voor dat de oceaan er ineens minder dreigend uitziet. De wind waait uit noordwestelijke richting en de golven bereiken het schip nu achterlijk van dwars, wat een ongemakkelijke rollende beweging veroorzaakt. Onophoudelijk beschrijven de masten en laadbomen een machtige boog afgetekend tegen de oplichtende hemel. Van bakboord naar stuurboord, van stuurboord naar bakboord, onophoudelijk. In vroeger tijden moet dit roleffect veel minder zijn geweest door de stabiliserende werking van de zeilen.
De wilde krachten van de natuur boezemen respect in en maken je stil en nietig. Het schip toont dat het hecht en degelijk is gebouwd en tegen het geweld is opgewassen en een team van ervaren zeelui zorgt er voor, dat het schip in deze omstandigheden goed blijft functioneren.
Na enkele dagen kan ik mijn matras weer in m´n kooi leggen en het wordt ook weer drukker in de messroom. Ook ervaren zeelui kunnen last van zeeziekte krijgen bij dit weer.
Na 14 dagen komt de kust van Australië in zicht en wat later zien we de loodsboot naderen. Een uur later liggen we veilig langs de kade in Fremantle. Het is vreemd de vaste grond onder de voeten te voelen. Het is of de grond deint. Het duurt enige tijd voor dat gevoel verdwijnt en de vaste grond inderdaad weer vast is. We zijn aangekomen in een ander continent. Varend op een schip lijkt de wereld nog steeds onafzienbaar groot.