Josie
Ik was er intussen in geslaagd een tiental dozen met krokodillenhuiden aan boord afgeleverd te krijgen. Het merendeel was gestuwd naast de accukist achter mijn hut op het brugdek en de rest onder mijn bureau in m´n slaaphut. Het zou nog ruim twee weken duren voor we terug zouden zijn in Singapore. Halverwege de terugreis begonnen de krokodillenhuiden hun aanwezigheid kenbaar te maken. De tropische hitte liet de huiden niet ongemoeid en de zoetige aroma ging geleidelijk over in stank. Ik verplaatste de twee dozen die in mijn hut lagen naar het dek achter de accukist en begon nu echt uit te zien naar de aankomst in Singapore, waar Tan de zaak van mij kon overnemen.
Op de terugweg werd een koers aangehouden, die ons op een veilige afstand hield van de Indonesische eilanden Ceram, Ambon, Celebes en Borneo.
In de Sulu Zee ontvingen we een telegram van de KPM met instructies om drie passagiers in Kuching aan boord te nemen. Kuching bevindt zich in Serawak in het Britse gedeelte van Borneo. In dit gebied werden niet lang geleden nog koppen gesneld door de vechtlustige Dajak stammen.
Op de rede van Kuching ging de Kaloekoe voor anker en al snel verscheen een motorsloep met onze passagiers aan boord. Het waren drie dames; twee zusters en een oudere dame, die hun tante bleek te zijn. Ze werden geïnstalleerd in de passagiersaccommodatie onder het brugdek. De aanwezigheid van vrouwelijke passagiers bracht altijd een verandering van sfeer aan boord met zich mee, hetgeen niet zo vreemd was, gezien het feit dat we maandenlang aan het eind van de wereld rondvoeren en meestal verstoken waren van vrouwelijk gezelschap.
Na vertrek uit Kuching maakten we kennis met onze passagiers. Alle drie waren van gemengd bloed en één van hen, Josie geheten, was een exotische schoonheid, die mij totaal van de kaart bracht.
We zaten tegenover elkaar in de messroom tijdens de maaltijden en ik kon mijn ogen niet van haar af houden. De vonk sloeg over en tijdens de rest van de reis naar Singapore waren we onafscheidelijk. Josie was op doorreis naar Hongkong en dus wisten we dat onze idyllische situatie geen lang leven was beschoren en dat gaf onze relatie een intens passioneel karakter.
De dag voor aankomst stuurde ik een telegram met onze verwachte aankomsttijd op de rede van Singapore aan mijn Chinese zakenvriend Tan. De Kaloekoe ging tegen middernacht voor anker en de volgende morgen om vijf uur verscheen een sampan met Tan en zijn broers langszij. Ik kieperde de dozen met kwalijk riekende krokodillenhuiden een voor een over de railing en in de sampan. Tan stak z´n twee duimen omhoog en na een armzwaai zag ik met een zekere opluchting de sampan in het donker in de richting van de lichtjes van Singapore verdwijnen.
´s Middags troffen we elkaar in Jan´s Café voor een glas champagne op de goede afloop van het krokodillen avontuur. Daarna reden we naar de tassenfabriek, waar ik als een nieuw familielid door zijn broers en zusters werd begroet en later werd onthaald op de meest uitgebreide “Chow” ooit.
Het paste allemaal precies binnen mijn romantische en nogal naïeve denkbeelden van toen over het Verre Oosten, waarvan ik zo in de ban was. Een goede verklaring had ik daar niet voor. Het had waarschijnlijk te maken met mijn jeugdige enthousiasme en fascinatie voor de wereld buiten de Nederlandse grenzen. Een soort jongensdroom die min of meer werd bevestigd door de werkelijkheid.