Voor ons huis in Amsterdam lag een spoordijk met talrijke rails en daarachter de perrons van het Muiderpoortstation. Vanuit de openslaande ramen en balkon van ons huis kon je goed de langsrijdende treinen en de reizigers op het perron observeren. Op de grote stationsklok was altijd de juiste tijd aangegeven. Dat was erg handig.
Die dag stond mijn moeder voor het raam naar het station te kijken.” Moet je nu toch weer eens zien”, hoorde ik haar zeggen. Ik beluisterde de verontwaardiging in haar stem en ging naast haar staan om te zien wat er gebeurde.
Op het perron stond een groep van gevangenen (Joden?), bewaakt door Duitse soldaten in uniform met de geweren in de aanslag. Zij wachtten kennelijk op de komst van een trein, waarvan we wisten dat die voor de transporten naar Duitsland werden gebruikt. Op het perron stonden toiletten die aan de onderkant een opening hadden.
Terwijl wij keken naar wat er op het perron gebeurde, zagen wij plotseling een man uit de opening van onder het toilet kruipen naar de rand van het perron. De gewapende Duitsers hadden hem nog niet gezien.
Bij de rand van het perron aangekomen, sprong de man op de rails en begon als een haas zigzaggend over de rails in de richting van ons huis te rennen. Als gebiologeerd keken mijn moeder en ik naar wat er voor onze ogen gebeurde.
Ineens hoorde we de harde klanken van het geschreeuw onder de wachtposten en we zagen een van hen heel rustig zijn geweer schouderen en richten op de rennende man, die nu ongeveer halverwege over de rails en spoorbaan was. De knal van het geweerschot echode over de spoordijk en het station en we zagen als versteend hoe de rennende man als een getroffen kegel omviel en stil bleef liggen tussen de rails.
Mijn moeder rukte de openslaande ramen open en liep naar de rand van het balkon. De tranen stroomden over haar gezicht, terwijl ze schreeuwde naar de soldaten op het perron : “Vuile smerige rotmoffen. Kunnen jullie wel!”. Ik was nog maar een kleuter van 4 of 5 jaar oud en eigenlijk was ik erg bang na wat ik had gezien en voor wat er zou kunnen gebeuren met mijn moeder.
De soldaten keken naar ons maar er werd niet meer geschoten. Ik keek met ontzag naar mijn moeder die zo spontaan en dapper in opstand kwam. Later zou ik pas goed begrijpen hoe flink zij die oorlogsjaren was doorgekomen. Als zij ooit bang is geweest dan liet ze dat niet merken en nooit boog ze voor de onderdrukker.
Het gebeurde zou me nooit meer loslaten.