Langs de kust van Nieuw Guinea 2
Na enkele dagen verblijf in Sorong vertrok de Kaloekoe naar Manokwari.
Het beroep van radio-officier had een prettige bijkomstigheid. In de havens had je veel vrije tijd, omdat daar volgens de internationale afspraken geen gebruik van de radiozenders gemaakt mocht worden. Van dat voorrecht heb ik zoveel mogelijk gebruik gemaakt.
De haven van Manokwari bestond in die tijd uit een primitieve houten en betonnen steiger en direct parallel daarmee een half geplaveide straat met tokos van de Chinezen aan beide kanten, een schooltje, een paar eenvoudige gouvernementsgebouwen en een soort noodhospitaaltje.
Terwijl het laden en lossen aan de gang was met de eigen laadbomen van het schip en de stuurlui en WTK´s over het algemeen druk in de weer waren, ging ik op verkenning uit. Na een paar kilometers lopen in de brandende zon op een karangweggetje langs de kust (karang is fijn gemalen koraal), kwam ik bij een paradijselijk strandje in de schaduw van hoge palmbomen. Het water was glashelder en met een duikbril en zwemvliezen kreeg ik onder water een prachtig beeld van de kleurige tropische vissen die langs de koralen zwommen. In scholen van honderden en misschien wel duizenden dartelden ze om mij heen en ik kon ze bijna met de hand aanraken. Ver van het strand durfde ik niet te gaan uit vrees voor haaien die in groten getale in deze gebieden voorkomen.
Gedurende de anderhalf jaar aan boord van de Kaloekoe op de Nieuw-Guinea dienst werd dit strandje een vaste bestemming bij ieder bezoek aan Manokwari. Zelden of nooit kwam ik daar iemand tegen. Wel kreeg ik daar een soort vriendinnetje van een Nederlands-Indische familie uit een nabijgelegen kampong. Ze was denk ik 13 of 14 jaar oud en kwam altijd naar het strandje als ik daar aan het duiken en zwemmen was. Ze was een erg lief en mooi gevormd meisje en soms hielden we elkaars handen vast als we onder het watertrappen een praatje maakten. Ze was behoorlijk verleidelijk en ik was uiteindelijk ook maar net twintig, maar ik kwam tot de conclusie dat ze toch wel erg jong leek voor verdere toenaderingspogingen en dus zette ik mogelijke boosaardige plannen maar uit mijn hoofd. Ik beschouwde haar als een jonger zusje en we werden goede vrienden.
Af en toe duikt ze toch weer op in mijn herinneringen met haar mooie donkere ogen en natte zwarte haren.