Bezoek aan een Papoea nederzetting - Houtsnijwerk
De terugreis van Hollandia naar Sorong verliep zonder verdere bijzonderheden en daarna stond het traject naar Merauke opnieuw op het programma. De politieke en militaire druk van Indonesië op Nederland begon nu op het kookpunt te geraken en de geruchten dat een militaire invasie op korte termijn kon plaats vinden, werden steeds aannemelijker. We probeerden daar niet te veel over na te denken, omdat er geen andere keus was dan gewoon door te gaan met onze werkzaamheden tot nader order. Uiteraard waren de risico´s aan de zuidkust groter door de onmiddellijke nabijheid van de Indonesische eilanden, van waaruit de acties verwacht werden. Ondanks de alarmerende berichten vertrok de Kaloekoe uit Sorong met bestemming Merauke. Via Fak Fak en Kaimana arriveerden we ten slotte zonder problemen voor de kust van Merauke, om ´s nachts bij hoogtij en met behulp van de richtingzoeker over de drempel voor de haven te varen en ´s morgens vroeg aan te leggen langs de houten steiger van deze nederzetting.
Tijdens een eerder verblijf in Merauke had ik kennis gemaakt met een jonge Nederlandse zendeling, die werkzaam was in het binnenland en die bij aankomst van een KPM-schip zijn tabaksvoorraad aan boord kwam aanvullen. Daar hielpen we hem graag mee en ook met andere producten, die in Merauke moeilijk waren te verkrijgen en natuurlijk nog veel minder in het binnenland. Die morgen kwam hij opnieuw aan boord voor z´n bevoorrading en dronken we koffie in de messroom.
Daar vroeg hij mij of ik zin had met hem mee te varen naar een kleine Papoea-nederzetting in het binnenland, waar hij zo nu en dan kwam voor zijn evangelisatie werk. Laat in de middag zou ik weer terug aan boord kunnen zijn. Ik had daar natuurlijk wel zin in en omdat de Kaloekoe enkele dagen in Merauke zou blijven, was de tijdsfactor geen probleem. De schrik van het schip missen in Kaimana zat er nog vers in.
Wat later zat ik, tezamen met de zendeling en drie Papoea´s, in een lange prauw, die werd aangedreven door een forse buitenboordmotor. Met een flinke vaart voeren we over het bruine water van de Merauke rivier, die nog een behoorlijke breedte had zo dicht bij zee. Na een uurtje varen werd de rivier geleidelijk wat minder breed en kwamen er meerdere vertakkingen. Ten slotte werd hij zo smal dat het leek alsof we in een tunnel voeren. De begroeiing en bebossing aan beide zijden van het riviertje was zo dicht, dat de overhangende takken als een filter van het zonlicht dienden en het scherpe zonlicht buiten hielden. Met scherpe bochten slingerde de rivier als een wispelturig lint door de rimboe. De snelheid van de prauw moest drastisch verminderd worden om op tijd drijvende takken en boomstammen te kunnen ontwijken. Zo nu en dan voeren we door een wolk van vliegende insecten. Het rivierwater was donkerbruin en bijna zwart op sommige in de schaduw liggende plaatsen. De enige verkoeling in de zwoele warmte werd veroorzaakt door de snelheid van de prauw.
Na enkele uren varen kwamen we bij een rudimentair houten steigertje, waar de prauw heel handig door de Papoea´s werd afgemeerd. Een smal paadje leidde vanaf de aanlegplaats de rimboe in. Niet ver van de aanlegplaats kwamen we op een open gehakte plek ter grootte van een kwart voetbalveld. Hier stond een tiental uit hout en bamboe bestaande hutten. Varkens, honden en pluimvee scharrelden tussen de bomen en woningen. Ik liep achter de zendeling de nederzetting in, gevolgd door een groepje inheemse kinderen en volwassenen. ”Ik neem je mee naar de Kapala Kampong”(burgemeester), liet mijn zendelingvriend weten. Ik was gekleed in mijn dagelijkse kort-wit uniform, dus met lange witte kousen en witte schoenen. Ik droeg zelden of nooit de witte pet die daar bij hoorde, maar bij deze gelegenheid had ik die op. Dat was op verzoek van mijn zendelingvriend voor ons vertrek in de prauw, hetgeen me enigszins had verbaasd, maar ik had aangenomen dat hij me dit aanried vanwege de felle zon tijdens de trip.
De Kapala Kampong was kennelijk al op de hoogte van onze komst, want hij stond in vol ornaat voor zijn hut, inclusief peniskoker, en met enkele andere Papoea´s aan zijn zijde. Ik was nogal verrast door de situatie en keek vragend naar m´n Europese metgezel, maar die scheen alles heel gewoon te vinden. Op korte afstand van het gezelschap dat ons opwachtte, hielden we stil. De Kapala Kampong deed een paar stappen naar voren en pakte mijn beide handen beet, terwijl hij een soort kniebuiging maakte en met zijn kin z´n borst aanraakte. M´n metgezel scheen zich nu echt te vermaken en zei zachtjes tegen me: “Je wordt aangezien als een vertegenwoordiger van het Nederlandse gezag, dus doe je best maar”. Ik was over de eerste verrassing heen en begon ook de humor van de situatie in te zien en besloot maar ongeveer te doen wat er van mij werd verwacht.
Maar wat werd er van mij verwacht? De enige referentie die ik had, was uit de boeken van Multatuli en het gedrag van de koloniale onderdrukker in de Gordel van Smaragd. Het werd dus tijd om in die rol te groeien. Ik trok de Kapala Kampong overeind, lachte hem vriendelijk toe en keek daarna streng maar welwillend om me heen.
De drukte om ons heen was intussen behoorlijk toegenomen. Groot en klein vonden het kennelijk prachtig om die witte man in zijn nog wittere uniform te zien en er werd veel gelachen en in het rond gesprongen. Alle betrokkenen amuseerden zich kostelijk. We kregen een onbestemd drankje aangeboden en werden voor een rondje door de nederzetting meegenomen. Ik kende een paar woorden Maleis in die tijd, maar niet voldoende voor een vlot gesprek en dus fungeerde mijn metgezel als tolk.
De Kapala Kampong nam ons mee naar de Yeu, een van hout en palmbladeren opgetrokken gemeenschaps-centrum, alleen toegankelijk voor mannen en jongens. Alleen bij heel speciale gelegenheden hebben ook vrouwen toegang tot dit centrum. Hier worden wapens en drums bewaard en ceremoniën, rituelen en festivals gehouden. In de Yeu ontmoeten de doden en levenden elkaar. Het is het centrum van de kosmos. Kunstig uitgesneden voorouderpalen staan rondom en binnen de Yeu opgesteld. Tot voor kort waren stenen bijlen nog in gebruik. Kannibalisme en koppensnellerij komen nu niet meer voor, omdat de Nederlandse autoriteiten hier een stokje voor hebben gestoken. De sagoworm, een voor westerse ogen afzichtelijk uitziende enorme witte made, wordt als een lekkernij beschouwd.
Ik was terug in het stenen tijdperk, een sprong terug in de tijd. Zo leefden onze verre voorouders. Wat zou er gaan gebeuren met deze mensen? De westerse bulldozer was in aantocht en zou alles in hun bestaan op losse schroeven zetten.
De burgemeester wilde weten of ik misschien bepaalde wensen had. Ik was inderdaad erg geïnteresseerd in de etnografie van het land en had een kleine verzameling aan boord kunnen aanleggen. Ik vroeg hem of er in zijn dorp tifa´s (fifois) gemaakt werden. (Houtsnijwerk van tussen de 15 en 25 cm hoogte met geometrische motieven). De Wow Ipits zijn meester houtsnijders, echte artiesten die in hoog aanzien staan binnen de groep. Hij wisselde een paar woorden met zijn “wethouders”, die daarop spoorslags verdwenen naar een onbekende bestemming.
In korte tijd waren ze terug met een grote juten zak tot aan de rand gevuld met tifa´s (fifois) en snelhorens. Ik had gehoopt op één of twee exemplaren, maar een hele zak overtrof mijn stoutste verwachtingen. Ik nam de zak in dank aan en iedereen leek blij, dat ik mij daar zo gelukkig bij toonde. Over betaling mocht geen woord gerept worden, volgens mijn metgezel.
Na enkele uren in de nederzetting te hebben doorgebracht werd het tijd om de terugtocht te ondernemen om voor donker terug in Merauke te zijn. We namen afscheid van onze gastheren, die ons lachend en handen schuddend uitgeleide deden bij de steiger. Stroomafwaarts ging sneller dan op de heenweg en we arriveerden veilig en op tijd terug in Merauke. De zendeling vertrok daar in een landrover naar een andere bestemming en ik ondernam de korte wandeling naar de steiger waar de Kaloekoe lag afgemeerd.
Ik probeerde via de gangway met m´n kostbare last ongezien naar mijn hut te komen om daar de buit rustig te kunnen bekijken, maar dat bleek ijdele hoop. Als een lopend vuurtje had het nieuws dat Sparks terug was met een zak vol “dingen” zich verspreid en vóór ik mijn hut kon bereiken, werd ik omringd door mijn collega zeevarenden. Zeeschuimers waren het. Peer de Schuymer was er een kind bij. Binnen de kortste keren lag de inhoud van de zak uitgespreid op het dek en hadden ze de buit verdeeld. Ik slaagde er nog net in vijf exemplaren voor mijzelf in veiligheid te stellen en mocht me daarmee gelukkig prijzen. Achteraf had ik daar wel vrede mee, want zo had ieder een deel aan deze onverwachte buitenkans.
Later heb ik nog wel eens gedacht aan het moment dat ik even de gelukkige eigenaar was van zeker 40 tifa´s, die in die tijd tussen de 250 en 300 US$ opbrachten. Wat er later is gebeurd met mijn vijf overgebleven exemplaren, is weer een ander verhaal.