De moord op Kennedy - Afscheid van kapitein B.
Ik heb talrijke mensen gesproken die zich precies kunnen herinneren waar zij zich bevonden op de dag van de moord op president John Fitzgerald Kennedy in Dallas op 22 november 1963. Dat is bij mij ook het geval. Op die dag lag de Straat Malakka voor anker op de Bonny River bij Port Harcourt in Nigeria. Ik kreeg het nieuws van Scheveningen Radio en het bericht werd met ontsteltenis ontvangen aan boord.
Ondanks het feit dat we met een schip over de wereld zwierven, waren we redelijk goed op de hoogte van de nationale en internationale gebeurtenissen door de dagelijkse nieuwsberichten van Scheveningen Radio, de uitzendingen van de Wereldomroep in Hilversum in de kortegolf en de lokale kranten in de diverse havens. Misschien voelden wij ons toch wat minder betrokken bij die gebeurtenissen, omdat ons dagelijks leven zich afspeelde op een drijvend eiland.
Hoe het ook zij, we waren op de hoogte van de Cubaanse crisis met de confrontatie tussen de Sovjet Unie en Cuba enerzijds en de Verenigde Staten anderzijds. De schoenen van Krushev op het katheder van de Verenigde Naties en de dreiging van een derde wereldoorlog met atoomwapens. De koude oorlog tussen de twee antagonistische systemen. Niemand kon toen weten hoe een en ander zou aflopen. De meeste jonge mensen in de westerse wereld sympathiseerden met het Cuba van Fidel Castro en Che Guevara. Er ging een nieuwe en betere wereld komen, dat wisten ze zeker. Bovendien kon je toen nog kiezen tussen de ideologieën die tegenover elkaar stonden. Het pleit was nog niet beslecht en maar weinigen onderkenden de enorme capaciteit van het kapitalistische systeem, gebaseerd op het winst principe, om ieder ander ideologisch alternatief te neutraliseren en op den duur uit te schakelen.
De dood van Kennedy bracht ontsteltenis teweeg, omdat het een moordaanslag betrof en omdat het vrees en onzekerheid veroorzaakte over wat er nu zou kunnen gebeuren. Achteraf bleken de gevolgen nogal mee te vallen, maar de jeugd was wel één van zijn idolen kwijt. Ons vaarschema werd er niet door gewijzigd en de reis langs de West-Afrikaanse havens had verder een normaal verloop.
Na vertrek uit Lagos op weg terug naar Kaapstad werd kapitein B. ernstig ziek. Wij vermoedden dat hij een lichte hersenbloeding had gekregen, wat later in het ziekenhuis in Kaapstad werd bevestigd. Daar kreeg hij ook het bericht van de rederij van zijn pensionering en het einde van zijn loopbaan op zee. In Kaapstad bezocht een delegatie van officieren van de Straat Malakka hem in het ziekenhuis. Hij bleek alweer behoorlijk hersteld, zat rechtop in bed en was in een opgewekte stemming. “Hell´s Bells” was zijn begroeting, toen wij ons om zijn bed schaarden.
Als afscheidsgeschenk kreeg hij van ons een wandhorloge van een buitensporig formaat met de onvermijdelijke inscriptie “Hell´s Bells”. Het werd een vrolijke boel op zijn kamer, maar toen iemand een fles White Horse tevoorschijn haalde, greep een oplettende verpleegster kordaat in en werden we met zachte hand uit het ziekenhuis verwijderd. Het leven ging gewoon door, een nieuwe gezagvoerder had zijn plaats aan boord al weer ingenomen.
Een groot schilderij met zonnebloemen dat aan de wand van zijn hut aan boord hing, liet kapitein B. aan mij na, onder voorwaarde dat ik goed voor de bloemetjes zou zorgen. Ik heb er jaren lang goed op gepast tot het tijdens één van mijn internationale verhuizingen, vele jaren later, spoorloos is verdwenen.