De aanslag
Als kinderen speelden we tijdens de oorlog vaak vlakbij de hoge muur naast de ingang van de tunnel die onder het Muiderpoortstation doorliep. Boven de tunnel reden de treinen af en aan en onder de tunnel lagen de rails van tramlijn 3, waarvan het eindpunt naast het station lag. Langs de muur lag de spoordijk die erg steil was om te beklimmen en dichtbegroeid met struikgewas. Een hekwerk boven op de dijk belette de toegang tot de rails.
Het verbod van onze ouders om de dijk te beklimmen, was voor ons kinderen natuurlijk aanleiding om te proberen door het struikgewas ongezien naar boven te kruipen en ons door een opening in het gaas van het hekwerk te wringen. Je was dan vlak bij de treinrails waar je prachtige ronde kiezelstenen kon vinden. Witte kiezelstenen hadden onze grootste belangstelling omdat je daarmee in het donker vonken kon maken door ze hard tegen elkaar te slaan.
Die dag had ik tezamen met een paar vriendjes met veel moeite een grote baksteen, ook wel kinderhoofdje genoemd, naar boven door de opening in het gaas gewerkt met de bedoeling om deze vanaf de hoge muur op de straat beneden te laten ploffen. We wisten heel goed dat waar we mee bezig waren streng verboden was door onze ouders, maar dat maakte een en ander nog veel spannender en aantrekkelijker om te doen.
Op het moment dat we boven op de muur staande de steen hadden losgelaten, die nu op weg was naar de plof op het plaveisel, zagen we tot onze verbijstering een Duitse soldaat met flinke stap uit de tunnel komen en langs de muur afslaan. De steen plofte met een harde knal vlak naast de nietsvermoedende soldaat neer. We zagen hem nog net naar z´n geweer grijpen vóór we het op een lopen zetten.
We renden min of meer in doodsangst over de rails naar de ander kant van de spoordijk op zoek naar een veilige schuilplaats. Tijdens de vlucht verloor ik mijn kameraadjes uit het oog en ik herinner mij dat ik met een bonkend hart, ineengedoken tussen het struikgewas aan de andere kant van de spoorbaan, langzaam tot rust kwam en pas na geruime tijd omzichtig de terugweg naar huis durfde te ondernemen.
Toen ik eindelijk veilig thuis kwam, vroeg mijn moeder waar ik zo lang gebleven was en waarom ik er zo bezweet en ontredderd uitzag. Op dat moment wilde ik haar niet bekennen wat er gebeurd was, maar toen ze mij hielp om mijn besmeurde en natte kleren uit te trekken, zei ze verbaasd:”Maar jongen, je hebt het in je broek gedaan”. “Nee toch”, probeerde ik nog even, maar daarna kwam het hele verhaal eruit. Haar commentaar herinner ik mij niet meer, maar mijn schaamte voor de drol in mijn broek was zo mogelijk nog groter dan de angst die daar de oorzaak van was geweest. Mijn moeder vond kennelijk dat ik genoeg bestraft was en verdere berispingen bleven uit. Misschien dacht ze dat we een bijdrage hadden geleverd om het einde van de oorlog te bespoedigen in onze poging om een Duitser om zeep te brengen. Gelukkig was de ongewilde aanslag mislukt.