De lagere schooltijd
Nederland kwam als een sterk verarmd land uit de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw moest nog beginnen en vooral in een grote stad als Amsterdam was de armoede aan alles te merken. Een geparkeerde auto in de straat was een bezienswaardigheid. Bijna iedereen ging armoedig gekleed. Geld voor speelgoed voor de kinderen was er niet en bovendien was er ook niet veel speelgoed te verkrijgen in de winkels. Een blokje hout met een spijker erin was een trein die je voorttrok met een magneet uit een oude fietsdynamo. Blaaspijpjes maakte je uit oude gasbuizen.
We waren vindingrijke kinderen en houten sabels, zwepen en tollen waren snel gemaakt. Ook ballen, knikkers en stuiters behoorden bij het assortiment speelgerij. Na schooltijd speelden we op straat. Er was bijna geen autoverkeer en midden op straat tekenden we met krijt de doelen als op een voetbalveld. Vaak deden proppen krantenpapier met een elastiek eromheen dienst als bal en dat was genoeg om ons te amuseren en ons niet te vervelen.
Ik beschikte kennelijk over een goede handelsgeest, want al snel werd ik de trotse bezitter van een groot aantal knikkers en stuiters die ik in ronde blikken dozen in mijn kamertje bewaarde. Nooit ging ik met meer dan vijf knikkers de straat op. Ik leende dan twee knikkers uit tegen een woekerrente van vier terug en speelde zelf met de drie overgeblevene. Dit systeem leverde me geen windeieren op.
De lagere schooltijd was een periode waarin je bezig was jezelf en anderen te ontdekken. Alles was nieuw en onbekend. Alles was voor het eerst, de eerste keer. Je moest je krachten met anderen meten. Wie was de sterkste, wie was de slimste, wie durfde het meest? Wie was de leider in de klas? Het was een wereldje op zichzelf. Een wereld alleen toegankelijk voor kinderen. Alles beleefde je heel intens en direct.
Mijn beste vriendje was Jantje Hoogeveen. Jantje woonde om de hoek. We zaten niet op dezelfde school. Jantje's familie was katholiek en dus ging hij naar een katholieke school. Ik zat op een openbare school en als er naar ons geloof thuis werd gevraagd, antwoordde ik altijd: Neder-Duits Hervormd. Dat klonk mooi en zo deed ik niet onder voor Jantje. Maar thuis waren we niets, we gingen nooit naar een kerk.
Jantje en ik waren onafscheidelijk. Na schooltijd zochten we elkaar op tussen alle andere kameraadjes, meestal om te voetballen of te knikkeren en tijdens de weekeinden tekenden of boetseerden we in klei dieren- of mensenfiguren. Soms reden we op de fiets naar Schiphol om bouwplaten bij de KLM te kopen, om daarmee later thuis met veel knippen en plakken diverse vliegtuigmodellen in elkaar te zetten. We hadden beiden belangstelling voor dezelfde onderwerpen, hetgeen niet altijd gedeeld werd met onze andere vriendjes uit de straat.
Meisjes waren volkomen buitengesloten van onze groepsactiviteiten. Ze hadden net zo goed marsbewoners kunnen zijn. Onbegrijpelijke wezens waar je beter niets mee te maken kon hebben. Wederzijds was dat natuurlijk ook zo. Volwassenen vertegenwoordigden het gezag. Zij beslisten wat mocht en niet mocht. Aan ons de taak om binnen hun regels ruimte te vinden voor onze eigen regels. Ouderen werden door ons met respect bejegend. In de tram stond je voor ze op en je liet ze altijd voorgaan. Je werd geacht eerlijk te zijn en niet te liegen. Een leugentje om bestwil was toegestaan maar werd niet aanbevolen. Zo werd je toen opgevoed.
Ik ging graag naar school en heb die periode als prettig en aangenaam beleefd. De eerste drie jaar hadden wij een lerares, juffrouw Kales, een lieve en aardige vrouw. We noemde haar Juf en ze leerde ons lezen en schrijven. Ik kon goed meekomen en vertoonde een enorme lees- en leerhonger. Vanaf de vierde klas kregen we een leraar, meester Bergerink, een grote man met bros, grijzig haar en grote handen. Hij stond altijd voor de klas met een houten aanwijsstok, waarmee hij als het nodig was een flinke klap kon uitdelen. Ik mocht hem graag en hij mocht mij ook. Zoiets merk je snel. Hij had mijn leerhonger wel opgemerkt en dat is altijd fijn voor een leraar. In de vijfde klas kregen we facultatief Frans en ik was gefascineerd door die nieuwe taal die niet in je eigen land gesproken werd. Er was een wereld buiten de grenzen van Nederland en mijn latere reislust begon hier waarschijnlijk te kiemen.
Mijn belangstelling voor boeken was ontketend. Ik las alles waar ik maar mijn hand op kon leggen. Veel begeleiding van thuis kreeg ik daar niet bij. Mijn moeder las wel veel, o.a. de bekende dokterromans van Dr. Vlimmen en mijn vader zag ik dikwijls aan tafel zitten schrijven, maar hij las het nooit voor. Hij sprak wat Frans, hetgeen veel bewondering bij mij afdwong. Hij leed aan MS en hoewel hij toen nog behoorlijk met behulp van een wandelstok kon lopen, kwam hij jaren later als volkomen invalide in een invalidenwagen en verzorgingstehuis terecht. Ik was mij nog niet bewust hoe slecht het huwelijk van mijn ouders was, hetgeen ten slotte tot een echtscheiding zou leiden toen ik 15 jaar oud was.
Ik was o.a. volledig in de ban van de “Avonturen van Kapitein Rob” en zijn zeilschip de Vrijheid en nog steeds vind ik deze stripverhalen behoren bij het beste wat op dat gebied getekend en geschreven is. Op zijn zeilschip maakte Kapitein Rob de meest exotische avonturen mee en altijd met een geloofwaardige basis. Alle wereldzeeën werden bevaren, exotische landen bezocht, wetenschappelijk onderzoek besproken en goed en kwaad waren altijd duidelijk van elkaar te onderscheiden. Ik ben er zeker van dat mijn latere loopbaan bij de koopvaardij en onrustig latere leven ergens een begin vonden in de lectuur van die dagen. De grondstenen van je bestaan worden vaak in je heel vroege jeugd gelegd. Wat je daar later mee doet hangt dikwijls van de omstandigheden af. Kinderen zijn heel gemakkelijk te beïnvloeden. Zij hebben nog geen vergelijkingsmateriaal en je kunt ze eigenlijk van alles wijsmaken. Sinterklaas en spoken zijn “realiteiten” waar niet mee te spotten valt.
Ik zat op een openbare school en daar werd geen religie onderwezen. Mijn boezemvriend Jan op zijn katholieke school had dat natuurlijk wel. Boven de grote rivieren was je in Nederland protestant en beneden de grote rivieren katholiek, althans dat werd in grote lijnen als een feit aangenomen.
Je mocht ook niet geloven, maar dan liep je het risico om in de hel terecht te komen. Het niet geven van godsdienstig onderwijs op de openbare scholen was natuurlijk een doorn in het oog van de gevestigde religies en die kregen een voet tussen de deur door facultatief godsdienstonderwijs op de openbare scholen mogelijk te maken. De catechismus werd door ons schoolkinderen snel omgedoopt in “Kattenpis”. Eenmaal per week kwam een dominee ons voorlezen uit het Heilige Boek om ons het verschil tussen goed en kwaad duidelijk te maken en de straffen te beschrijven die je te wachten stonden als je buiten je boekje zou gaan. Het geschreven woord had een magische kracht. Iets wat geschreven was, stond onomstotelijk vast. De absolute waarheid. Je kreeg een pasklare verklaring voor de mysterieuze wereld die je omringde.
Je wist nu hoe alles was ontstaan, wie daar verantwoordelijk voor was en wat je te doen stond en als je daar twijfels over had, kon je in een persoonlijk gesprek met de dominee of direct met de godheid om advies vragen. De katholieken hadden het nog beter voor elkaar, omdat daar ook nog duizenden heiligen klaar stonden om de gelovigen te helpen bij hun specifieke problemen. De moraal was onwrikbaar verbonden aan de religie.
Ik was snel overtuigd en al mijn twijfels verdwenen als sneeuw voor de zon. Iedere avond bad ik trouw het “Onze Vader”. Een prachtige, alles omvattende tekst. Ik bad in volle overgave en met een steeds wederkerend verzoek of Hij wilde zorgen dat mijn ouders geen ruzie meer zouden maken. Mijn verzoek werd niet ingewilligd en ik begreep niet waarom. Later hoorde ik een verhaal over een jongen die om een fiets had gevraagd. Toen daar geen gehoor aan werd gegeven, stal hij een fiets en bad daarna om vergeving. Terwijl ik herlees wat ik zojuist geschreven heb, denk ik, wat ben je toch cynisch, waarom die impliciete verontwaardiging. De religieuze opvoeding heeft toch alleen maar de beste intenties. Mijn verontwaardiging is gegrond op het feit dat in plaats van in onze vormingsjaren ons denkvermogen te stimuleren en ons tot kritisch denken te brengen, onze brein in zekere zin werd geblokkeerd en gegijzeld. Ons werd een pasklare oplossing geleverd op alle vragen die betrekking hadden op ons bestaan, leven en dood. Alles gebaseerd op geruchten zonder enige bevestiging. Zelfs mogelijke twijfel werd in de kiem gesmoord door de parabel van de Ongelovige Thomas en de dreiging van hel en verdoemenis. Door de moraal onverbrekelijk te verbinden aan de religie bleef er weinig ruimte over voor een individuele exploratie van dit onderwerp. De collectieve godsdiensten legden hun wil op aan de gelovigen en de consequenties hiervan in de geschiedenis van de wereld zijn onmiskenbaar. Te vuur en te zwaard werden ze verbreid en opgelegd.
Mensen die zich inzetten voor hun medemensen in naam van welk geloof dan ook, verdienen alle respect en bewondering. Zij zijn een bewijs van hun persoonlijke waarde en moraal maar geen bewijs van de waarheid van de doctrine die zij vertegenwoordigen.
Dat er armoede was in Nederland manifesteerde zich op velerlei wijze. Veel musici waren zonder werk. Heel vaak stond in de Javastraat, niet ver van mijn huis, op de hoek een open kar geparkeerd waarop vier musici concerten van klassieke muziek gaven aan de voorbijgangers. Na schooltijd kon ik daar uren staan te luisteren naar die wonderbaarlijke muziek.
Voor het eerst van mijn leven hoorde ik de muziek van Rachmaninoff, Mozart en Beethoven. Het Warschau-concert raakte me tot in het diepst van m´n binnenste en ik vroeg me af hoe en waarom muziek zoiets met je kon doen.
Ik voelde een zeker medelijden met die musici. Dat mensen, die zoiets moois konden produceren, op een open kar in schamele winterkleren na ieder nummer met een koperen geldbakje een ronde moesten maken onder het schaarse publiek, bracht een vreemd gevoel van schaamte bij mij teweeg. Hier klopte iets niet. Bovendien bleven maar weinig mensen staan om te luisteren. Iedereen had haast en had andere zaken aan het hoofd. Ook dat leek niet te kloppen.
Omdat ik zoveel kwam luisteren, werd ik herkend door de musici en kreeg ik een een knipoog of knikje van ze, ondanks het feit dat ik nooit een cent in hun geldbakje kon deponeren. Ook dat klopte niet, vond ik toen. Zo kwam ik er langzamerhand achter dat heel veel zaken niet klopten, maar ook dat de wonderen de wereld niet uit waren. De armoede was op dat moment de oorzaak dat je van die wonderbaarlijke muziek kon genieten. Een ogenschijnlijke paradox, die je liet weten dat een en ander misschien ingewikkelder was dan het er op het eerste gezicht uitzag.