Vissen met opa
Mijn grootvader wist wat vissen was. Vaak bracht hij verse vis mee naar ons huis, die mijn moeder later bakte en in de azijn zette. Soms mocht ik met hem mee. We stapten dan op de trein in Amsterdam op het Muiderpoortstation tot aan Abcoude en vandaar liepen we over een landweggetje naar het jachthaventje Bon in Vinkeveen. Ik mocht zijn zware bamboehengels dragen.
Iedereen kende Opa Bulsing en onderweg stopten we hier en daar bij een boerderij om uit de deksel van een melkbus karnemelk te drinken. Opa had reuma in zijn knieën en dat maakte het lopen pijnlijk. Van dokters wilde hij niets weten en hij had zo z´n eigen middeltjes. Hij vulde een fles met de overgebleven karnemelk en zittend in de berm van de weg smeerde hij de karnemelk op zijn blote knieën en wreef net zo lang tot het droog was. “Kijk Peet”, zei hij dan, “dit weet geen enkele dokter, maar een beter middel is er niet”.
Mijn grootvader was niet heel groot, maar hij had een flink postuur, een groot bos wit haar en een “Keizer Wilhelm”-snor. Hij was trots op z´n Friese afkomst en zijn geboorteplaats Joure in Gaasterlân. Hij was een man van weinig woorden en erg koppig volgens mijn zeven ooms en tantes. Ik vond hem een fijne opa en keek tegen hem op. Hij leerde mij vissen op brasem en snoekbaars, hoe je een haak aan een snoer moest bevestigen, de soorten haken voor verschillende vissoorten, het aanslaan van wormen en maden en hoe je moest azen.
Naast de jachthaven Bon lag een houten schuur en daar beklommen we een houten trap naar de vliering waar hooi lag en een paar houten britsen met juten matrassen gevuld met hooi. Daar sliepen we ´s nachts. Maar eerst gingen we naar beneden om in de gelagkamer ieder een uitsmijter met ham te verorberen. Ik kreeg daarbij een kogelflesje met limonade. M´n opa dronk koffie en maakte een praatje met de kastelein en gasten die aan de bar bier zaten te drinken. Hij stelde me voor. “Dit is mijn kleinzoon. Hij heet Peter”. In de gelagkamer stonden twee biljarttafels die altijd bezet waren. Het stond er blauw van de sigaren- en sigarettenrook en het rook er naar bier, koffie en bitterballen.
Voor het naar bed gaan, moest er geaasd worden. Dat was essentieel voor een goeie vangst de volgende morgen. Het aas had hij thuis al klaar gemaakt. Wat er precies inzat, weet ik niet. Hij ging daar erg geheimzinnig mee om. De kennis daarvan gaf je niet zomaar aan anderen door. Ik wist dat havermout, aardappelen en deeg bestanddelen waren, maar uit een groene fles voegde hij nog een vloeistof toe. Omdat hij er zelf ook wel van hield, vermoedde ik dat het Bokma jenever was, maar dat wist ik niet zeker.
Voor het helemaal donker werd, roeiden we met het aas naar zijn “stek”. De stek hield hij streng geheim voor andere vissers en hij drukte me op het hart er met niemand over te spreken. Ik was de enige ingewijde. Bij de stek aangekomen, werden beide roeispanen verticaal in de bodem gestoken en de roeiboot hieraan vastgelegd. Het aas gooide hij op een afstand van twee tot drie meter van de boot in het water en ik zag het als een witte wolk naar de bodem afzakken. Ik zei tegen opa: ”Als ze zich zo vol vreten vannacht hebben ze morgen vast geen trek meer”. “Nee jongen, ze gaan lekker slapen boven het aas en morgen hebben ze weer trek en halen we ze uit het water”. Als opa dat zei, moest het waar zijn, maar ik vond het wel vreemd. Nu konden we naar huis en gaan slapen. Alle voorbereidingen waren getroffen en we roeiden terug tussen de eilandjes van de Vinkeveense plassen door naar de lichtjes van de jachthaven.
De volgende morgen, voor dag en dauw, d.w.z. omstreeks vijf uur, werd ik gepord door m´n grootvader. “Peet, opstaan. We gaan”. In het donker bij het licht van een zaklantaarn, voorzichtig onze weg vindend over de houten steigers, liepen we naar de roeiboot. We gooiden de landvasten los en waren op weg. Opa zat aan de riemen voor in de boot. Ik zat achter in de boot en kon dus in de vaarrichting kijken. Ondanks het feit dat het aardedonker was, kon ik duidelijk de contouren van de omringende eilandjes ontwaren. Zo vroeg was het nog bijna muisstil en zelfs de vogels en kikkers hielden zich rustig. Feilloos vond opa z´n weg naar z´n stek, heel rustig roeiend om de rust van de vissen niet te verstoren.
Vissen op de Vinkeveense Plas in een roeibootje van jachthaven Bon,
Bij onze stek gingen de roeispanen weer verticaal de bodem in en werd de roeiboot vastgemaakt. Een kant van de boot lag tegen het riet en aan de andere kant lag het open water. De zware hengels werden nu uitgelegd, nadat de haken en snoeren waren geïnspecteerd en van deeg waren voorzien. De grootte en vorm van het deeg was belangrijk, niet te groot en niet te klein en in de vorm van een bloemkooltje. Ook de dobber moest aan alle eisen voldoen. Een rood-wit geschilderd bolletje boven op de drijver zorgde ervoor dat de dobber goed was te onderscheiden tussen de plompenbladen. Voor het vissen op brasem, zoals die dag, moest het aas op of bijna op de bodem liggen. Met een klein gewicht aan lood werd de diepte gemeten en daarna werd de dobber op de juiste hoogte vastgezet.
Het was een ritueel dat werd overgedragen van vader op zoon en grootvader op kleinzoon, onveranderlijk.
Opa had een thermosfles met koffie en boterhammen met kaas in een rechthoekig blik, waarvan de deksel met een elastieke band werd dichtgehouden. Warm gekleed in onze truien en turend naar de dobbers, aten we onze boterhammen op.
Opa ving de ene brasem na de andere. Sommigen waren te zwaar om ze in een keer in de boot te tillen. Dat zou je snoer kunnen breken. Ik stond dus klaar met een schepnet en schepte de vis uit het water. De beste manier om de haak uit de bek van de spartelende vis te verwijderen, was door de kop van de vis stevig achter de kieuwen vast te pakken en voorzichtig de haak uit z´n lip te halen. Daarna ging de brasem in de bun of in het leefnet dat in het water langs de boot hing. Zo ging dat urenlang door. Bij het ochtendgloren begon de natuur om ons heen tot leven te komen. Eenden en waterhoentjes scharrelden bedrijvig tussen de plompenbladen en het riet. Met het daglicht verdween langzaam de geheimzinnige magie van de nacht om plaats te maken voor de vroege ochtend.
Opa ving altijd meer vis dan ik en ik begreep niet waarom. Ik deed geweldig mijn best hem de loef af te steken. We zaten in dezelfde boot, met hetzelfde aas aan hetzelfde water. Waarin zat het verschil? Hij was de meester. Hij wist precies wat te doen als de dobber in beweging kwam. Was het een opsteker of een wegtrekker? Hij sloeg de vis aan op het juiste moment en verspeelde hem nooit. Hij was superieur en bovendien mijn opa en maakte het dus niets uit wie er meer vis ving.
Tegen de middag vonden we het welletjes en zaten de netten vol met vis. Op de terugweg naar de haven probeerden we nog een snoek of een baars aan de haak te slaan. Een vorentje als aas werd achter de boot aan gesleept in de hoop dat een roofvis in de buurt zou zijn en in actie zou komen. Dat gebeurde bijna nooit. Maar we bleven vissen tot het laatste moment. Daar waren we voor gekomen.
Aan het eind van zo´n dag liepen we weer gezamenlijk terug langs de landweg naar het station van Abcoude. Een oude man en een klein jongetje. Sommige boeren langs de weg riepen naar ons: “Hoe is het gegaan?” We hieven dan onze zilveren visnetten omhoog. “Mooi zo”, kwam het dan terug.
We moesten vaak lang wachten op de trein die ons terug moest brengen naar Amsterdam. De dijk langs het perron stond vol met rode papavers en we plukten een flink bos voor m´n moeder en daarna lagen we op onze rug in het hoge gras om uit te rusten van de lange visdag.
Thuis keek mijn moeder met een blij gezicht naar de bloemen en met een veelzeggende blik naar de volle visnetten. “Wat veel”, zei ze. “Jullie zitten onder de schubben”
Opa en ik dachten: “Wij hebben onze plicht gedaan, nou is het jouw beurt”.