Mijn grootouders trouwen in Zwolle, in 1918. Een aankondiging daarvan stond in de Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant op 23-4-1918. In 1920 verhuizen ze naar Zierikzee waar mijn grootvader les gaat geven aan de niet-katholieke School C. Spoedig bevalt mijn grootmoeder daar van haar eerste kind, Annie. In 1922 bevalt ze van Miep.
Van Zierikzee verhuizen ze in sept 1926 naar Tholen waar ze vervolgens een jaar blijven. Vandaar gaan ze naar Amsterdam. Daar wonen ze achtereenvolgens op:
Gentiaanplein 14 tot 26.9.32,
Argonautenstraat 55 tot 9.5.34
Herculesstraat 49 tot 21-7-36
Vandaar gaan ze naar de grens tussen Haarlem en Overveen, Zijlweg 304. En tot slot naar de Muiderslotweg 127, Haarlem. In Haarlem ook sterven mijn beide grootouders.
Met name door het RuSHa-onderzoek (zie het boek en het aparte tabblad) is er vrij veel bekend over de familie van Miep. Zo heette de overgrootvader van mijn grootmoeder dus mijn oudouder ofwel betbetovergrootvader Jan, de zoon van Steven, kortweg Jan Stevense. Een dergelijke benaming was tot eind achttiende eeuw gebruikelijk, zeker voor mensen die, zoals deze grootvader, geen maatschappelijke status hadden. En Jan was, te zien aan zijn beroepsomschrijving (‘landbouwer’), een eenvoudig man. Maar toen zijn zoon in 1831 op 23-jarige leeftijd in Hoogland, bij Amersfoort, trouwde en zich Bitterling noemde, moest hij een bewijs overleggen dat dit zijn echte naam was. Zo weten we dat Jan Stevense op 16 november 1811 genoemde familienaam (die van een plant) liet registreren. Het klopt als een bus met wat bekend is uit de boeken. Twee dagen later immers, op 18 november (1811), werd in Nederland de Burgerlijke Stand ingevoerd en werd iedereen geacht een officiële achternaam te bezitten. Jan van de dorpswei of Piet Karelszoon voldeed niet meer. Dit wil overigens niet zeggen dat de naam Bitterling niet al eerder gebruikt werd – het is onjuist dat achternamen pas sinds Napoleon bestaan. Maar pas in 1811 werden zij officieel vastgelegd.
Dit alles interesseerde het Berlijnse Rasse und Siedlungshauptamt vanzelfsprekend niet. Het ging om iets anders: raszuiverheid. Vandaar dat men vooral belangstelling had voor doopboeken. En ziedaar, van de vier grootouders van mijn grootmoeder werden drie doopcertificaten gevonden: Jan, zoon van de hiervoor genoemde Jan, werd gedoopt in 1808, Woutertje (van Lokhorst) in 1811 en Wilhelmus (Spijker) in 1804. Alleen van Alijda (Kolfschoten) kwam zo’n papier niet boven tafel. Maar met deze in 1821 in Leusden geboren vrouw was wel wat meer aan de hand want toen zij op eenentwintigjarige leeftijd wilde trouwen, bleek de naam van haar grootmoeder van vaderszijde, zoals in een akte uit 1842 staat, ‘zynde geheel en al onbekend’. Deze lacune was voor de Berlijnse ambtenaren blijkbaar onvoldoende reden de noodklok te luiden want mijn moeder kreeg gewoon toestemming om te trouwen.
Hiernaast een van de tientallen uittreksels uit de geboorteregisters van Nederlandse gemeenten, gemaakt in opdracht van het RuSHa (zie datering). Resultaat: bovenstaande kwartierstaat.
Rechts mijn grootouders op oudere leeftijd, Muiderslotweg 127
Grootvader Van der Velde was heel zijn leven bezig aktes te behalen. LO-aktes haalde hij wel, voor MO-aktes zakte hij
Familiekaart uit het archief van Amsterdam, met bovenaan het eerste Amsterdamse adres: Gentiaanplein 14
Hieronder aantekeningen van mijn moeder over haar familie, ergens gemaakt in de jaren 80
Links en rechts mijn grootvader, hierboven eveneens, met zijn gezin en mijn moeder als baby in zijn armen
Mijn grootvader was overigens beslist niet gelukkig met de politieke keuze van zijn dochter en, vooral, schoonzoon. Dat blijkt uit alles, ook uit deze na de oorlog geschreven brieven aan Wouter Lutkie. Hij spreekt van 'het slag mensen als Henk' en 'geestelijke hoogmoed'. Ook zegt hij dat hij met 'dit slag' geestelijk heeft gebroken en 'er liefst zo weinig mogelijk mee te maken heb'. In een tweede brief schrijft hij zelfs dat hij bang is dat een verzoening met zijn dochter ('hoog te paard') onmogelijk is.
Dit naar aanleiding van een brief die Henk aan Lutkie geschreven had en deze via een vriend (overigens weer de vader van een man met wie ik later bevriend raakte, hij schreef ook een boek over zijn vader, 't is een kleine wereld) aan mijn grootvader had doorgespeeld. De brief viel niet in goede aarde.
Voor die brief, zie hier
Commentaar van de man die de brief van mijn vader aan mijn grootvader doorspeelde (Frans Schneiders) is eveneens in het archief van Lutkie te vinden en staat meteen hieronder. Verder twee brieven van mijn grootvader aan Lutkie en een brief, getypt, andersom.