Ergens eind maart 1944 begon Henk zijn werkzaamheden als Kommandant van de Landwacht van Zuid-Holland en Zeeland. Dat deed hij op de voorm hem gebruikelijke enthousiaste, idealistische manier, én met grote inzet. De sporen hiervan zijn in archieven en kranten in overvloed te vinden.
Je kunt je de organisatie van de Landwacht voorstellen als een lappendeken van min of meer zelfstandige landjes. Alleen al Den Haag telde er een zestal. In al die landjes voerde iemand de scepter en deed wat hij wilde. Henk probeerde al die landjes bij elkaar te houden - en dat bovendien in een tijd dat de geallieerde invasies begonnen en alles op zijn kop stond. De Landwacht in opbouw was dus tegelijk in afbraak. Probeer daar maar 's een lijn in te brengen. Lukte dan ook niet.
'Er waren voortdurend typen die andere activiteiten dan bewaking op eigen houtje gingen uitvoeren,' schrijft hij in zijn autobiografie. Een goed voorbeeld hiervan is P.J. Smid, een van de hoogste, zo niet de hoogste Landwachter in rang in Rotterdam. De man schijnt, aldus de getuigenis van kunstschilder Johan Hendrik Kaemmerer, ‘een potentaat van de eerste soort’ te zijn geweest. Het was Henk onmogelijk al die types in het gareel te houden. Maar verantwoordelijk was hij wel. Overigens legde dezelfde Smid na de oorlog een opmerkelijk gunstige verklaring over Henk af, die verklaring kwam in zijn strafdossier. Gaat hierbij.
Over de Landwacht van Rotterdam, zie Jan Hagel in de stad.
Henk had t druk en had belangrijker dingen aan zijn hoofd dan met een blaadje rondlopen. Maar hij voelde zich er blijkbaar toch niet te goed voor.
De inrichting van het bureau, 't was ook daar, gezien de doorhalingen, nogal een zootje.
Uit: De zwarte soldaat van 17-8-1944
Fragmenten uit Henks strafdossier mbt de Landwachtperiode
In Henks strafdossier is veel materiaal over zijn Landwachtperiode te vinden. In de verhoren, eveneens te vinden in dat strafdossier, heeft hij er ook een en ander over gezegd, zo ook over het grote aantal briefjes & orders van zijn hand, vele daarvan eveneens opgenomen in dat dossier. Hierbij twee passages uit dat dossier.
nr 4, benoeming 29 maart, per 1 april onderbanleider
nr 8, d.d. 29 febr 1944, ontheven van taak als Secretaris Afdeling Theoretische Vorming NSB, op zelfde ontslagbewijs staat dat H. van 15 nov 1941 tot 29 febr 1944 medewerker was van de afdeling vorming
nr 19, 15 april 44, krijgt dienstpistool
nr 22, twee groepsfoto’s WA (uit dossier verdwenen)
nr 23 loonstaat 1944, Landwacht
nr 24, brief van de Germaanse SS over het dragen van het uniform
nr 26, brief aan Rauter, aanstelling Henk ipv Meulenberg
nr 27 en 28, heleboel brieven en dagorders
nr 29, 27 dec 1944 arrestatie Davina Johanna Dyonisius (???)
nr 52 drie brieven uit eind april 44 over de politieke gezindheid van Henk
in de naoorlogse verhoren legt hij er overigens de klemtoon op dat die ondertekening veelal door zijn secretaris geschiedde, dit vanzelfsprekend om zijn verantwoordelijkheid te relativeren; hiermee ontkent hij zijn formele verantwoordelijkheid niet, hij stelt slechts dat het hem onmogelijk was op alles toezicht te houden - wat zonder twijfel klopt maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid natuurlijk niet wegneemt)
Uit de Verzetskrant Ons Volk van mei 1944