Hoe belangrijk het verhaal van mijn ouders voor mij persoonlijk en een handvol anderen ook mag zijn, echt belangrijk is het om redenen die boven het belang van onze kleine kring uitstijgen. De belangrijkste van die redenen is dat het verhaal van mijn ouders veel minder uniek is dan sommigen denken. Privézaken zijn meestal niet zo privé. Elke Ik is een marktplein waarop vele ikken samenkomen. Helaas is van de meeste mensen, machthebbers en beroemderikken uitgezonderd, over het algemeen weinig tot geen materiaal bewaard. Dat ligt in het geval van mijn ouders anders. Om die reden is hun 'ik' informatiever dan dat van de meeste mensen.
Het verschil is goed te zien als je de kennis van het leven van mijn ouders vergelijkt met die van het leven van hún ouders. Van mijn grootouders weten we bijna niets. Geboorte- en sterfdata, een enkele vermelding in een blad of krant, wat genealogische gegevens, een paar adressen, een aantekening in een archief, verdwaalde snippers. Daarbij blijft het. Met de dood van hun kinderen zijn zelfs de herinneringen zo goed als verdwenen. Zo gaat dat: na één generatie resteert van de meeste mensen weinig meer dan een naam, wat snippers, eventueel een steen. Wat blijft is in het beste geval een handvol feiten zonder verhaal: een geraamte.
Wie schrijft die blijft, luidt het gezegde. Het is niet meer dan een gedeeltelijke waarheid. Want even waar is dat blijft wie of wat beschreven wordt. Schrijven en beschreven worden vormen de basis van de geschiedenis. In zoverre hebben mijn ouders het getroffen – althans vanuit het perspectief van degene die, zoals ik, vindt dat het de moeite waard is hun verhaal op te tekenen. Beiden hebben veel geschreven, beiden zijn regelmatig beschreven, niet in de laatste plaats omdat zij een politiek verkeerde keuze maakten.
De belangrijkste verklaring voor de aanwezigheid van zoveel documentatie is dat mijn ouders, beiden, in hart en nieren schrijvers waren, mede om die reden in de omgeving van schrijvers verkeerden en kinderen met eenzelfde aanleg verwekten. Het resultaat is ernaar: zie de kist plus heel wat nawerk zoals de autobiografie van mijn vader, een ongepubliceerde autobiografie van mijn oudste zusje, op internet gepubliceerde herinneringen van een van mijn broers, twee autobiografische romans van dezelfde persoon en nogal wat van mijzelf. Hoewel een flink deel van de geschreven nalatenschap door de tijd en de vernietigingsdrift van enkele van mijn familieleden verdwenen zal zijn, is er nog genoeg over.
Toch zou het verhaal van mijn ouders zelfs zonder persoonlijk materiaal verteld kunnen worden. Dit besef ligt ten grondslag aan alle geschiedschrijving: dat de gebeurtenissen zich afspelen binnen kaders waaraan ontsnappen welhaast onmogelijk is ofwel dat, zoals gezegd, elke ik een marktplein van vele ikken is. Die kaders zijn voor iedereen min of meer dezelfde en veelal vier in getal: van plaats (land en streek), tijd, milieu en mentaliteit (religie, zuil, ideologie).
Tijd & plaats
Mijn ouders leefden in het Nederland van de twintigste eeuw, werden geboren tijdens of kort na de Eerste Wereldoorlog, waren jongvolwassen tijdens de volgende wereldoorlog en hadden hun werkzaam bestaan in het tijdperk dat Nederland met de rest van West-Europa de vermoedelijk meest radicale en in ieder geval snelste verandering uit zijn geschiedenis doormaakte. Als mijn ouders niet in Nederland of in een andere tijd geboren zouden zijn, had hun leven er volstrekt anders uitgezien. Dit klinkt als een evidentie, zo niet een banaliteit, het is een fundamenteel feit en het uitgangspunt van elke biografie: hoe uniek het verhaal van de persoon of personen in kwestie ook lijkt te zijn, nader beschouwd is zo’n verhaal als dat van vele anderen die in hetzelfde omgeving en dezelfde tijd leefden. Of we willen of niet, we maken deel uit van een ‘kudde’.
Milieu
Naast tijd en plaats speelt ook ‘milieu’ een beslissende rol. In dit geval wordt met dit begrip een drievoudige categorie aangeduid: sociaal, ideologisch en, nogmaals, geografisch. Mijn ouders werden geboren en groeiden op in West-Midden Nederland, in wat sinds de tweede helft van de twintigste eeuw ‘de Randstad’ wordt genoemd. Henk werd geboren in Amsterdam en groeide op in het Gooi, op een Limburgse kostschool en uiteindelijk in Aerdenhout, Amsterdam en Leiden. Marie, veelal Miep genoemd werd weliswaar geboren in Zierikzee maar verhuisde al op jonge leeftijd naar Amsterdam, vervolgens naar Haarlem. In laatstgenoemde stad woonde ze tot ze mijn vader ontmoette. Eenmaal getrouwd bleven de twee tot hun scheiding in de Randstad: Wassenaar, Voorschoten, Bilthoven, met daartussen (gedwongen) uitstapjes naar het Oosten van Nederland, naar Duitsland en België en tot slot naar Den Helder, Duindorp, Leeuwarden, Scheveningen en Norgerhave – deze laatste waren gevangenislocaties. Maar de Randstad was én bleef de regio van hun vorming en oriëntatie, ook al woonde mijn vader lang in België en Italië en droomde mijn moeder steeds weer van een leven in Spanje, eventueel Frankrijk. Vanzelfsprekend dan ook dat beiden in de Randstad begraven liggen.
Binnen hun geografische omgeving behoorden mijn ouders tot de middenklasse. De familie van mijn vader had het materieel heel wat beter dan die van mijn moeder en je zou dan ook kunnen beweren dat hij uit een ‘beter’ milieu kwam dan zij, respectievelijk de hogere en de (iets) lagere burgerij. Belangrijk is dat onderscheid niet. Belangrijk is dat beiden opgroeiden in een omgeving waar burgerlijke normen, waarden en idealen de toon aangaven. Die normen, hoe moeilijk ook in enkele woorden duidelijk te maken, vormden hen tot op het bot. Maar bij vorming bleef het niet. Mijn ouders verzetten zich ook tegen de normen en vormen van hun ‘burgerlijk’ milieu. Voor dat verzet of eigenlijk voor datgene waar dat verzet toe leidde, betaalden zij een hoge prijs.
Zuil
Tot slot het kader dat in de ogen van mijn ouders vermoedelijk het belangrijkste was: de zuil waarbinnen zij opgroeiden en ondanks ontzuiling en ontkerkelijking (bij mijn moeder) zich uiteindelijk ook heel hun leven bleven bewegen, het katholicisme. In ieder geval vormt dat katholicisme het kader waarvan mijn ouders zich het sterkst bewust waren. Dat ligt ook voor de hand. Eind negentiende, begin twintigste eeuw was de emancipatie van Nederlandse katholieken in een stroomversnelling geraakt. Deze versnelling bracht een sterk gevoel van saamhorigheid, ja zelfs van triomf met zich mee. Van beide gevoelens waren mijn ouders diep doordrongen. Maar ook in dit geval bleef het daar niet bij. Net zoals tegen hun klasse verzetten Henk en Marie zich ook tegen hun zuil en de daarin dominante ideologie, het katholiek geloof. In het bijzonder keerden zij zich tegen de door hen veronderstelde katholieke gematigd- en gezapigheid. Zoals zovele jongeren van hun generatie, kunstenaars en intellectuelen voorop, wensten zij ‘een doorbraak’ voordat van dat fenomeen met zoveel woorden sprake was. Ook dat verlangen bracht hen in gevaarlijk vaarwater.
Aan de hand van deze chronologische, geografische, sociale en ideologische kaders zou het verhaal van zowel mijn ouders als onze tijd verteld kunnen worden. In dat geval zou het min of meer identiek zijn aan dat van vele duizenden anderen van wie persoonlijke details vanwege het ontbreken van geschreven materiaal geheel of grotendeels onbekend zijn. Dit besef ligt zowel ten grondslag aan alles wat staat in Over de rand laait vuur als aan de (volgens mij) noodzaak van een boek als dit. Als er zoveel uniek materiaal is als in het geval van mijn ouders en als dat materiaal ook nog eens zo uitzonderlijk is, dan is het welhaast een intellectuele misdaad om het te laten liggen en zeker een misdaad om het weg te gooien. In ieder geval probeer ik bij deze te redden wat er te redden valt: van een wereld die mijn kinderen nooit gezien hebben en die ik als het ware voor mijn ogen heb zien verdampen, een wereld ook die diep en ingrijpend getekend werd door de, althans wat Nederland betreft, centrale gebeurtenis van de twintigste eeuw: de Tweede Wereldoorlog.